← België

Arrest 157423 - - 06/04/2006

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 06 april 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.157.423 Rolnummer: A. 125442/XIV-11314 Zaak: Arrest 157423 - - 06/04/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-05-05 Raadplegingen: 61 - laatst gezien 2026-06-30 16:57 Fiche Arrest nr 157.423 van 6 april 2006 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 157.423 van 6 april 2006 in de zaak A. 125.442/XIV-11.

  1. In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat V. PUZAJ, kantoor houdende te 4000 LUIK, Rue du Général Bertrand 22 tegen : de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. --------------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, geboren op 14 april 1970 en van Oekraïense nationaliteit, op 14 augustus 2002 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 29 juli 2002 tot bevestiging van de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken van 11 oktober 2000 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten, aan de verzoekende partij aangetekend verstuurd op 29 juli 2002; Gelet op de beschikking van 29 augustus 2002 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op het administratief dossier; Gezien de gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, d.d. 19 mei 2005 op grond van artikel 23 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, en overgemaakt aan de bevoegde kamer op 25 mei 2005; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gelet op het verzoek tot voortzetting teneinde te worden gehoord van de verzoekende partij; Gelet op de beschikking van 9 november 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op woensdag 14 december 2005 om 10.00 uur; XIV-11.314-1/15 Gehoord het verslag van Staatsraad D. MOONS; Gehoord de opmerkingen van Advocaat A. MAHY die, loco Advocaat V. PUZAJ, verschijnt voor de verzoekende partij, en van Attaché F. VEREEKEN, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Auditeur M. STERCK; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  2. Over de feitelijke gegevens van de zaak. 1.
  3. De verzoekende partij komt België binnen op 27 mei 2000 en verklaart zich vluchteling op 29 mei
  4. 1.
  5. Op 11 oktober 2000 neemt de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken een beslissing tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.
  6. Op 29 juli 2002 bevestigt de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze beslissing. De bevestigende beslissing van de Commissaris-generaal, die de bestreden beslissing uitmaakt, is als volgt gemotiveerd : “(...) Op basis van de elementen uit uw dossier, bevestig ik de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse zaken waarbij u het verblijf op het grondgebied werd geweigerd. Steunend op artikel 52 van de vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag bedrieglijk en kennelijk ongegrond is. De motieven waarop ik mijn beslissing baseer, vindt u op de volgende pagina’s. Ik meen bovendien dat u in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat u ontvlucht bent, en waar volgens uw verklaring, uw leven, uw fysieke integriteit of uw vrijheid in gevaar zou verkeren. Mijn beslissing is gebaseerd op de volgende motieven: (...) U, een Oekraïens onderdaan van Oekraïense afkomst, verklaart uw land te hebben verlaten omdat u er voor alles bang was. De communisten hebben in uw land nog steeds de touwtjes in handen. U vreesde dat de situatie niet zou veranderen. U kwam in België aan op 5 mei
  7. Op 29 mei 2000 diende u samen met uw echtgenoot, G. S. ., en kind een asielaanvraag in bij de Belgische asielinstanties. U hangt sinds uw kindertijd het Grieks-Katholieke geloof aan. Uw man was een van de 20 kerkdienaars in uw kerk. U trouwde in het geheim voor de kerk. Uw problemen begonnen na de geboorte van uw dochtertje in
  8. Uw schoonvader was een diaken. U liet uw kind dopen en kreeg daarna problemen. Winter 1998 werd uw schuur door communisten in brand gestoken. Brandweerwagens kwamen ter plaatse, maar hadden geen water bij zich. U werd daarna constant bedreigd door onbekenden die uw man in de kerk gezien hadden. De autobanden van uw auto werden vaak vernield. Water verdween uit de autoverwarming. Uw man werd in 1998 bedreigd en geslagen. U richtte zich tevergeefs tot de wijkagent en tot de burgemeester van Ivano-Frankivsk. Uw man werd later aangereden. In 1999 verhuisde u naar Zgurivka in de provincie Kiev, waar uw man aan de slag kon als lader-losser. U besloot naar Zgurivka te gaan omdat uw man constant bedreigd werd. Hij werd in 1998 eens door drie onbekenden afgeranseld. Hij had twee van hen voordien in de kerk gezien. Uw man kon zich verweren. U XIV-11.314-2/15 richtte zich tevergeefs tot de wijkagent en tot de politie. U verbleef in Zgurivka van 20 mei 1999 tot januari
  9. U kende er aanvankelijk geen problemen. U ging er naar de kerk en vertelde over uw geloof. De communisten waren echter ook daar in de meerderheid. Toen mensen daar te weten kwamen dat u naar de kerk ging en gelovig was, begonnen ze uw man af te ranselen. Uw man werd op zijn werk door arbeiders afgeranseld omdat hij zijn geloof verkondigde. U denkt dat uw man zich tot de directeur of onderdirecteur richtte. In januari 2000 besliste u terug te keren naar uw ouders. Eerst was alles rustig, maar na een Paasplechtigheid kreeg u dreigtelefoons van onbekenden. Op 4 april 2000 verdween uw dochtertje. Ze werd pas 's avonds laat door mensen uit een naburig dorp naar huis gebracht. Dit was volgens u het werk van communisten en had te maken met het feit dat uw man niet van zijn geloof wilde afzien. Vooreerst dient te worden opgemerkt dat tegenstrijdigheden tussen uw opeenvolgende verklaringen en tussen uw verklaringen en die van uw echtgenoot de geloofwaardigheid van uw asielrelaas ernstig aantasten. Zo verklaart u eerst dat u uw kind in het geheim liet dopen, terwijl u even later zegt dat u uw kind niet in het geheim liet dopen en dat daardoor uw problemen begonnen (CGVS, p. 8 en 9). U verklaart voorts dat u twee maanden geen problemen kende in Zgurivka en voegt eraan toe dat uw problemen daar in december 1998 begonnen (CGVS, p. 18). Voordien verklaarde u echter pas van 20 mei 1999 tot januari 2000 in Zgurivka te hebben gewoond (CGVS, p. 5). Uw echtgenoot verklaarde dan weer dat jullie in mei 1998 naar Zgurivka verhuisden (schriftelijke verklaring p. 6 ). Het is bovendien hoogst merkwaardig dat uw echtgenoot in tegenstelling tot u niets verklaart over het feit dat hij in Zgurivka op zijn werk werd aangevallen noch dat u bij uw terugkeer in Monastirtsjani thuis dreigtelefoons kreeg (CGVS, p. 19 en 21). Het is ongeloofwaardig dat hij dit gewoon zou vergeten zijn. Uw man verklaarde ook nog dat u zich ook schriftelijk tot de procureur van Ivano-Frankivsk richtte (zie schriftelijke verklaring, p. 5), terwijl u enkel zei dat u een brief schreef naar de heer Volotsji, de burgemeester van diezelfde plaats (CGVS, p. 12). Volgens de verklaringen van uw man was Volotsji de politiechef in Bogoratsjani (zie schriftelijke verklaring, p. 5). Ook dient de aandacht te worden gevestigd op het feit dat u verklaarde nooit over een internationaal paspoort te hebben beschikt en nooit een visumaanvraag te hebben ingediend. Afgezien van het feit dat in het door u voorgelegde binnenlandse paspoort staat dat u op 16 oktober 1998 en op 24 november 1999 een internationaal paspoort werd uitgereikt, blijkt uit informatie verkregen bij de Duitse immigratiediensten dat u op 1 maart 2000 een visumaanvraag indiende bij de Duitse ambassade in Kiev, hetgeen zonder internationaal paspoort onmogelijk is. Al (de) bovenstaande elementen ondermijnen de geloofwaardigheid van uw asielaanvraag. Bovendien dient te worden opgemerkt dat uit informatie waarover het Commissariaat-generaal beschikt blijkt dat het recht op godsdienstvrijheid, dat in de Oekraïense Grondwet staat ingeschreven, wordt nageleefd. Dit is met name het geval voor de godsdienstige stromingen ‘van eigen bodem’, waartoe de Grieks-Katholieke kerk behoort. De Grieks-Katholieke Kerk is officieel geregistreerd bij het Staatscomité voor Religieuze Vraagstukken en geldt in het westen van Oekraïne als dé dominante Kerk die heel wat politieke invloed uitoefent op regionaal en lokaal niveau (zie U.S. Department of State Country Reports on Human Rights Practices – 2001). Hieruit kan worden afgeleid dat zelfs indien uw verhaal waar is, quod non, dat u als Grieks-Katholieke gelovige elders in Oekraïne uw geloof vrij kan belijden en het niet aannemelijk is dat u daar niet op bescherming kan rekenen in de zin van de Vluchtelingenconventie. Om bovengenoemde redenen kan ten aanzien van u geen vermoeden van een gegronde vrees in de zin van de Vluchtelingenconventie van 28 juli 1951 worden vastgesteld. Het door u in het kader van uw asielaanvraag voorgelegd document, met name uw binnenlands paspoort, wijzigt hier niets aan. Het betreft hier immers identiteitsgegevens. Ook de door uw advocaat voorgelegde artikels wijzigen niets aan bovenstaande vaststellingen. Zij handelen enkel over de algemene situatie in Oekraïne en Kazachstan en hebben geen betrekking op u persoonlijk. (...)”.
  10. Over de gegrondheid van de zaak. 2.1.
  11. Overwegende dat verzoekster in een eerste middel de schending aanvoert van de rechten van verdediging; van de beginselen van behoorlijk bestuur en van het recht op tegenspraak als algemeen rechtsbeginsel; 2.1.
  12. Overwegende dat verzoekster aanvoert dat er geen interview heeft plaatsgevonden op de Dienst Vreemdelingenzaken; dat verzoekster stelt dit het interview werd vastgesteld op 4 juli 2000, maar dat zij die dag tevens een afspraak had op het XIV-11.314-3/15 OCMW; dat verzoekster uiteenzet dat zij, bij gebrek aan kennis van de Franse taal, niet wist dat zij prioriteit diende te verlenen aan het verhoor op de Dienst Vreemdelingenzaken; dat verzoekster aanvoert dat het verhoor op het Commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen niet correct is verlopen; dat verzoekster stelt dat dit verhoor plaatsvond op 21 mei 2002, in aanwezigheid van een Russische tolk, hoewel verzoekster uitdrukkelijk had verzocht om een tolk die de Oekraïense taal beheerst; dat verzoekster betoogt dat de tolk onbekwaam was om kennis te nemen van haar verklaringen; dat verzoekster uiteenzet dat een tolk onafhankelijk, onpartijdig en betrouwbaar moet zijn, en dat hij geen wantrouwen mag koesteren jegens de kandidaat-vluchteling; dat verzoekster stelt dat de tolk aan geen van deze voorwaarden voldeed; dat verzoekster verwijst naar de actuele toestand in Oekraïne; dat verzoekster aanvoert dat de asielaanvraag op een objectieve en onpartijdige wijze moet worden onderzocht, met in achtneming van alle feitelijke gegevens van de zaak; dat verzoekster tenslotte uiteenzet dat de Commissaris-generaal het algemeen beginsel van het recht op tegenspraak heeft miskend; 2.1.
  13. Overwegende dat de verwerende partij in haar memorie van antwoord aanvoert dat de procedure administratiefrechtelijk en niet jurisdictioneel van aard is, en dat zij bijgevolg geen tegensprekelijk karakter heeft; dat de verwerende partij stelt dat de rechten van verdediging hierop evenmin onverkort van toepassing zijn; dat de verwerende partij uiteenzet dat verzoekster geen inhoudelijke opmerkingen heeft op de werking van de Dienst Vreemdelingenzaken en dat zij de kans heeft gekregen om beroep aan te tekenen tegen de volgens haar gebrekkige beslissing, hetgeen zij ook effectief heeft gedaan; dat de verwerende partij betoogt dat verzoeksters echtgenoot, wat betreft het verhoor op het Commissariaat-generaal, heeft voldaan aan de voorwaarden vervat in de oproepingsbrief en dat hij een schriftelijke verklaring heeft opgestuurd, vermits hij niet bij machte was het verhoor bij te wonen in persoon; dat de verwerende partij stelt dat zij op die basis de bestreden beslissing heeft genomen; dat de verwerende partij besluit dat zij niet onzorgvuldig is te werk gegaan; 2.1.
  14. Overwegende dat verzoekster in haar memorie van wederantwoord repliceert dat de algemene rechtsbeginselen een bron zijn van administratief recht, en dat zij regelmatig door de Raad van State worden ingeroepen; dat verzoekster aanvoert dat dit in het bijzonder het geval is voor de beginselen van behoorlijk bestuur, en dat de opmerkingen van de verwerende partij derhalve irrelevant zijn; dat verzoekster stelt dat, vermits haar echtgenoot een medisch attest heeft toegezonden aan de Commissaris-generaal waaruit blijkt dat hij zich op datum van het verhoor in de onmogelijkheid bevond zich te verplaatsen, de Commissaris-generaal ertoe gehouden was hem op latere datum opnieuw op te roepen; 2.1.
  15. Overwegende dat waar verzoekster aanvoert dat de rechten van verdediging werden geschonden, blijkt dat de procedure voor de Commissaris-generaal XIV-11.314-4/15 vooralsnog geen jurisdictionele procedure is, maar een administratieve procedure; dat de rechten van verdediging niet onverkort van toepassing zijn op beslissingen die worden genomen in het kader van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet); Overwegende dat, gelet op de devolutieve werking van het dringend beroep voor de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen, de grieven van verzoekster die gericht zijn tegen het feit dat er geen interview heeft plaatsgevonden op de Dienst Vreemdelingenzaken, niet dienend zijn als grieven tegen de thans bestreden beslissing; Overwegende dat, waar verzoekster aanvoert dat het verhoor op het Commissariaat-generaal niet correct is verlopen, blijkt dat het verhoor op het Commissariaat-generaal drie uur en twintig minuten heeft geduurd; dat, bij aanvang van het verhoor, verzoekster werd ingelicht omtrent de rol van de tolk; dat verzoekster werd gevraagd of zij de tolk begreep en dat werd aangegeven dat eventuele problemen gemeld moesten worden (bladzijde 1 van stuk 4 van het administratief dossier); dat dit niet gebeurde; dat verzoekster het gehoorverslag heeft ondertekend, en aldus te kennen heeft gegeven dat het overeenstemt met de inlichtingen die zij heeft verstrekt, en dat deze inlichtingen oprecht zijn; dat uit het gehoorverslag overigens blijkt dat verzoekster werd bijgestaan door een Russisch-Oekraïense tolk; dat derhalve op goede gronden mag worden aangenomen dat zich geen vertaalproblemen hebben voorgedaan; dat verwijzingen naar de algemene situatie in Oekraïne niet volstaan om een vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie in hoofde van verzoekster aannemelijk te maken; dat de Commissaris-generaal bijgevolg op goede gronden heeft besloten tot de kennelijke ongegrondheid en de bedrieglijkheid van verzoeksters asielaanvraag; Overwegende dat het eerste middel ongegrond is; 2.2.
  16. Overwegende dat verzoekster in een tweede middel de schending aanvoert van artikel 3 van het Internationaal Verdrag betreffende de status van vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951 (Vluchtelingenconventie); van artikel 26 van het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten; van artikel 14 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden, ondertekend op 4 november 1950 te Rome, en goedgekeurd bij de wet van 13 mei 1955 (E.V.R.M.), en van artikel 4 van het Protocol nummer 4 van 16 november 1963 en van artikel 1 van het Protocol nummer 12 van 4 november 2000 bij het E.V.R.M.; XIV-11.314-5/15 2.2.
  17. Overwegende dat verzoekster aanvoert dat iedere asielaanvraag afzon- derlijk moet worden onderzocht, met in achtneming van alle feitelijke gegevens van de zaak; dat verzoekster stelt dat de Commissaris-generaal een discriminerende houding aanneemt ten aanzien van kandidaat-vluchtelingen uit Oekraïne; dat verzoekster betoogt dat de asielaanvragen van kandidaat-vluchtelingen uit Oekraïne niet op individuele wijze worden onderzocht, omdat België met Oekraïne een akkoord heeft afgesloten betreffende de repatriëring van afgewezen kandidaat-vluchtelingen; dat verzoekster uiteenzet dat het de Belgische overheid niet is toegelaten om collectieve uitwijzingsmaatregelen te nemen; dat verzoekster betoogt dat het onaanvaardbaar is dat zowel de Belgische Staat als de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen weigeren de bronnen waarop zij zich steunen (rapporten, ...), vrij te geven; dat verzoekster aanvoert dat zij vreest voor haar leven, indien zij naar Oekraïne zou worden teruggestuurd, vermits zij er werd vervolgd op grond van haar religieuze overtuigingen; dat verzoekster tenslotte stelt dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen niet onpartijdig is, omdat hij voorheen kabinetschef was van de Minister van Binnenlandse Zaken; 2.2.
  18. Overwegende dat de verwerende partij in haar memorie van antwoord repliceert dat, waar verzoekster beweert dat zij door de Commissaris-generaal een bepaalde behandeling heeft gekregen omdat zij van Oekraïense origine is, zij deze bewering niet staaft met concrete feiten; dat de verwerende partij aanvoert dat de Commissaris-generaal op goede gronden heeft geoordeeld dat verzoeksters asielaanvraag, omwille van de in de bestreden beslissing opgesomde tegenstrijdigheden, bedrieglijk en kennelijk ongegrond is; dat de verwerende partij stelt dat de Commissaris-generaal gebruik heeft gemaakt van de informatie vervat in het administratief dossier; dat de verwerende partij betoogt dat de opmerking dat het Commissariaat-generaal weigert haar bronnen prijs te geven, nergens op slaat; dat de verwerende partij uiteenzet dat verzoekster de tegenstrijdigheden, noch de gebruikte informatie, die steun vindt in het administratief dossier, weerlegt; dat de verwerende partij aanvoert dat de ingeroepen schending van het ECOSOC-verdrag juridische grondslag mist, vermits dit verdrag wegens gebrek aan rechtstreekse werking niet voor de Belgische rechter kan worden afgedwongen; dat de verwerende partij overweegt dat ook de schending van artikel 14 van het E.V.R.M. juridische grondslag mist “aangezien dit artikel omwille van zijn aard (...) niet alleen maar telkens juncto een ander artikel van het EVRM dient te worden ingeroepen.”; dat de verwerende partij uiteenzet dat artikel 4 van het Protocol nummer 4 van het E.V.R.M. onmogelijk kan worden geschonden door een beslissing over de onontvankelijkheid van een asielaanvraag; dat de verwerende partij tenslotte aanvoert dat, waar verzoekster stelt dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen niet onpartijdig is, de verzoekster deze bewering geenszins met concrete elementen staaft; 2.2.
  19. Overwegende dat verzoekster in haar memorie van wederantwoord repliceert dat de tegenstrijdigheden in haar opeenvolgende verklaringen, de bestreden XIV-11.314-6/15 beslissing niet rechtvaardigen; dat, waar de verwerende partij stelt dat de ingeroepen schending van het BUPO-verdrag juridische grondslag mist, verzoekster aanvoert dat de Belgische Staat de verdragen die zij heeft geratificeerd, moet eerbiedigen en toepassen; dat verzoekster stelt dat zij zich beroept op een schending van de artikelen 3 en 14 van het E.V.R.M.; dat verzoekster uiteenzet dat, aangezien de bestreden beslissing impliciet een bevel omvat om het grondgebied van het Rijk te verlaten, er wel degelijk sprake is van een schending van artikel 4 van het Protocol nummer 4 van het E.V.R.M.; dat verzoekster herhaalt dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen niet onpartijdig is; dat verzoekster aanvoert dat de bestreden beslissing is gesteund op informatie waarvan zij geen kennis had, en waarop zij noch haar Advocaat heeft kunnen reageren; 2.2.
  20. Overwegende dat verzoekster geen enkel concreet element aanbrengt ter staving van haar argumenten; dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen de asielaanvraag van verzoekster op een individuele wijze heeft beoordeeld en zijn beslissing heeft genomen met in achtname van alle relevante feitelijke gegevens van de zaak; dat de Commissaris-generaal in casu heeft besloten tot de kennelijke ongegrond-heid en de bedrieglijkheid van verzoeksters asielaanvraag omdat de opeenvolgende verklaringen van verzoekster tegenstrijdigheden en ongerijmdheden bevatten die de geloofwaardigheid van haar asielrelaas aantasten; dat de Commissaris-generaal in zijn beslissing dd. 29 juli 2002 overweegt dat: - de tegenstrijdigheden tussen de opeenvolgende verklaringen van verzoekster, en tussen verklaringen van verzoekster en die van haar echtgenoot, de geloofwaardigheid van haar asielrelaas aantasten; dat verzoekster eerst verklaart dat zij haar kind in het geheim liet dopen; dat verzoekster even later evenwel verklaart dat zij haar kind niet in het geheim liet dopen en dat dit de aanleiding vormde voor haar problemen; - verzoekster verklaart dat zij twee maanden geen problemen heeft gekend in Zgurivka en dat haar problemen er in december 1998 begonnen; verzoekster verklaarde voordien echter dat zij pas van 20 mei 1999 tot januari 2000 in Zgurivka heeft gewoond; de echtgenoot van verzoekster verklaarde dan weer dat ze reeds in mei 1998 naar Zgurivka verhuisden; - in tegenstelling tot verzoekster, verzoeksters echtgenoot niets verklaart over het feit dat hij op zijn werk in Zgurivka werd aangevallen, noch dat hij bij hun terugkeer in Monastirtsjani dreigtelefoons ontving; dat het ongeloofwaardig is dat hij dit gewoon zou zijn vergeten; - verzoeksters echtgenoot verklaarde dat verzoekster zich schriftelijk tot de procureur van Ivano-Frankivsk richtte; dat verzoekster evenwel verklaarde dat ze een brief schreef naar de burgemeester van Ivano-Frankivsk, zijnde de heer V.; dat, volgens verzoeksters echtgenoot, V. evenwel de politiechef van Bogoratsjani was; - verzoekster verklaarde dat zij nooit over een internationaal paspoort heeft beschikt en dat zij nooit een visumaanvraag heeft ingediend; dat in het door verzoekster voorgelegde binnenlandse paspoort evenwel staat dat haar op 16 oktober 1998 en op 24 november 1999 een internationaal paspoort werd uitgereikt, en dat uit informatie verkregen bij de Duitse XIV-11.314-7/15 immigratiediensten blijkt dat verzoekster op 1 maart 2000 een visumaanvraag bij de Duitse ambassade in Kiev heeft ingediend, hetgeen zonder internationaal paspoort onmogelijk is; - uit informatie waarover het Commissariaat-generaal beschikt, blijkt dat de vrijheid van godsdienst in Oekraïne wordt gerespecteerd; dat dit met name het geval is voor de godsdienstige stromingen “van eigen bodem”, waartoe de Grieks-Katholieke kerk behoort; dat de Grieks-Katholieke kerk officieel is geregistreerd bij het Staatscomité voor Religieuze Vraagstukken, en in het westen van Oekraïne geldt als de dominante godsdienst, die heel wat politieke invloed uitoefent op lokaal en regionaal niveau; dat hieruit kan worden afgeleid dat, zelfs indien verzoeksters verklaringen waar zouden zijn, verzoekster als Grieks-Katholieke gelovige elders in Oekraïne haar geloof vrij kan belijden en dat het niet aannemelijk is dat zij niet kan rekenen op bescherming in de zin van de Vluchtelingen- conventie; - ten aanzien van verzoekster geen vermoeden van een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie kan worden vastgesteld; Overwegende dat uit voormelde motieven, die steun vinden in het administratief dossier, blijkt dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen de asielaanvraag van verzoekster op een individuele wijze heeft beoordeeld, en zijn beslissing heeft genomen met in achtname van alle relevante feitelijke gegevens van de zaak; dat verzoekster er niet in slaagt het tegendeel te bewijzen, noch aantoont dat haar asielaanvraag niet op een objectieve wijze zou zijn behandeld; dat verzoeksters argumenten betreffende collectieve uitwijzingen zonder voorwerp zijn, vermits de bestreden beslissing oordeelt over de ontvankelijkheid van verzoeksters asielaanvraag; dat, waar verzoekster beweert dat zij een gegronde vrees koestert voor vervolging bij een eventuele terugkeer naar Oekraïne, blijkt dat verzoekster zich beperkt tot het formuleren van algemene beweringen die onvoldoende worden betrokken op de bestreden beslissing; dat, waar verzoekster aanvoert dat het onmogelijk is de rapporten, waarnaar de Commissaris-generaal in de bestreden beslissing verwijst, te bekomen, wordt opgemerkt dat uit het verzoekschrift blijkt dat de raadsman van verzoekster fotokopieën van deze documenten heeft ontvangen; dat de documenten waarnaar de Commissaris-generaal verwijst, zich in het administratief dossier bevinden; dat verzoekster het recht heeft haar dossier te raadplegen, en aldus kennis te nemen van de documenten in kwestie; dat de Commissaris-generaal niet kan worden ten grieve geduid dat verzoekster dit niet heeft gedaan; dat, waar verzoekster aanvoert dat de Commissaris-generaal niet onpartijdig is, blijkt dat verzoekster nalaat in concreto aan te tonen dat er sprake is van partijdigheid; dat uit de bestreden beslissing niet kan worden afgeleid dat de asielaanvraag van verzoekster niet individueel en objectief zou zijn behandeld; dat de onpartijdigheid van de Commissaris-generaal bovendien wettelijk is vastgesteld, hetgeen wordt bevestigd door het feit dat de Minister van Binnenlandse Zaken zijn hiërarchisch gezag niet kan laten gelden ten opzichte van de beslissingen van de Commissaris-generaal; XIV-11.314-8/15 Overwegende dat verzoekster zich beperkt tot een louter theoretische uiteenzetting; dat zij evenwel nalaat om op een concrete wijze aan te tonen waarom de bestreden beslissing de aangehaalde verdragsbepalingen zou hebben geschonden; dat het tweede middel ongegrond is; 2.3.
  21. Overwegende dat verzoekster in een derde middel de schending aanvoert van artikel 52 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet); van artikel 14 van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens van 10 december 1948; van de artikelen 1 en 33 van het Internationaal Verdrag betreffende de status van vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951 (Vluchtelingenconventie); van artikel 3 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden, ondertekend op 4 november 1950 te Rome, en goedgekeurd bij de wet van 13 mei 1955 (E.V.R.M.), en van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen; 2.3.
  22. Overwegende dat verzoekster aanvoert dat de vrees voor vervolging, waarvan sprake in artikel 1 van de Vluchtelingenconventie, een geestesgesteldheid betreft, en een subjectieve voorwaarde uitmaakt die een beoordeling impliceert van de persoonlijkheid van verzoekster, vermits de psychologische reacties van een individu verschillen al naargelang de situatie; dat verzoekster stelt dat artikel 14 van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens van 10 december 1948 bepaalt dat “een ieder (...) het recht (heeft ) om in andere landen asiel te zoeken en bescherming te genieten tegen vervolging.”; dat verzoekster uiteenzet dat staten die partij zijn bij de Vluchtelingenconventie, overeenkomstig artikel 33 van deze conventie, geen vluchteling mogen uitzetten of terugleiden naar de grenzen van een grondgebied waar zijn leven of vrijheid bedreigd zou worden op grond van zijn ras, godsdienst, nationaliteit, het behoren tot een bepaalde sociale groep of op grond van zijn politieke overtuiging; dat verzoekster betoogt dat de bestreden beslissing een inbreuk uitmaakt op artikel 3 van het E.V.R.M.; dat verzoekster verwijst naar de proceduregids van de Verenigde Naties; dat verzoekster aanvoert dat de motivatie afdoende, pertinent en draagkrachtig moet zijn; dat verzoekster stelt dat de motieven stereotiep zijn en betwist dat zij de bestreden beslissing kunnen dragen; dat verzoekster betoogt dat haar verklaringen niet tegenstrijdig zijn; dat verzoekster aanvoert dat de tegenstrijdigheden omtrent de doop van haar dochter het gevolg zijn van een vergissing door de tolk; dat verzoekster stelt dat ook de tegenstrijdigheid betreffende de datum waarop zij en haar echtgenoot zijn verhuisd naar Zgurivka, te wijten is aan een vergissing vanwege de tolk of van de jurist die bij het verhoor aanwezig was en die notities nam; dat verzoekster uiteenzet dat haar echtgenoot het in zijn schriftelijke verklaring niet noodzakelijk achtte melding te maken van de agressie waarmee hij op zijn werk werd geconfronteerd, vermits verzoekster dit reeds had gedaan tijdens haar verhoor op het XIV-11.314-9/15 Commissariaat-generaal; dat verzoekster verklaart dat zij en haar echtgenoot zich hebben gericht tot het hoofd van de politie van Bogoratsjani, en dat zij zich vervolgens tot de burgemeester en de Procureur van Ivano-Frankivsk heeft gewend; dat verzoekster aanvoert dat, waar de bestreden beslissing stelt dat zij verklaarde nooit een internationaal paspoort te hebben gehad, het een fout betreft in de vertaling; dat verzoekster ontkent dat zij op 1 maart 2000 een visumaanvraag heeft ingediend bij de Duitse ambassade in Kiev; dat verzoekster uiteenzet dat de Commissaris-generaal zich beroept op een rapport van het Amerikaanse Ministerie van Buitenlandse Zaken (“US Department of State Country Reports on Human Rights Practices - 2001”), zonder dat dit ter beschikking werd gesteld van verzoekster of van haar advocaat, en dat de Commissaris-generaal aldus het recht op tegenspraak heeft geschonden; 2.3.
  23. Overwegende dat de verwerende partij in haar memorie van wederantwoord aanvoert dat de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens van 10 december 1948, “geen rechtstreekse werking heeft en bijgevolg het middel wat dit betreft juridische grondslag mist.”; dat de verwerende partij stelt dat artikel 33 van de Vluchtelingenconventie het belangrijkste gevolg bepaalt van het erkend worden als vluchteling (non-refoulement); dat de verwerende partij uiteenzet dat voormeld artikel 33 niet werd geschonden, vermits het voorwerp van de bestreden beslissing erin bestaat dat verzoekers asielaanvraag onontvankelijk werd bevonden; dat de verwerende partij betoogt dat verzoeker in gebreke blijft aan te tonen welk onderdeel van de motivering door een gebrek zou zijn aangetast; dat de verwerende partij aanvoert dat verzoekster zich met betrekking tot een aantal tegenstrijdige verklaringen beperkt tot het ontkennen dat zij deze verklaringen heeft afgelegd, of tot het stellen dat zij niet correct werden neergeschreven of dat zij te wijten zijn aan verzinsels vanwege de tolk of de jurist; dat de verwerende partij stelt dat “dit (...) niet (kan) worden aangenomen aangezien deze tegenstrijdigheden blijken uit het administratief dossier en verzoekende partij hiervoor geen begin van bewijs aanbrengt.”; dat de verwerende partij aanvoert dat geen enkele rechtsregel de Commissaris- generaal ertoe verplicht een kandidaat-vluchteling te horen; dat de verwerende partij de tegenstrijdigheden op grond waarvan de Commissaris-generaal tot de kennelijke ongegrondheid en de bedrieglijkheid van verzoeksters asielaanvraag heeft besloten, en die door verzoekster worden betwist, staaft aan de hand van concrete gegevens uit het administratief dossier; dat de verwerende partij overweegt dat er op basis van deze tegenstrijdigheden niet kan worden getwijfeld aan het kennelijk ongegrond en bedrieglijk karakter van verzoeksters asielaanvraag; dat de verwerende partij tenslotte aanvoert dat, wat betreft de situatie in Oekraïne, verzoekster geen elementen aanbrengt die de door de verwerende partij aangebrachte informatie ontkrachten; 2.3.
  24. Overwegende dat verzoekster in haar memorie van wederantwoord repliceert dat het mogelijk is toepassing te maken van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens van 10 december 1948, op grond van haar moreel gezag; dat XIV-11.314-10/15 verzoekster aanvoert dat eenieder recht heeft op de bescherming van artikel 33 van de Vluchtelingenconventie, ongeacht het administratief statuut van de betrokkene in het gastland; dat verzoekster stelt dat de verwerende partij, waar zij aanvoert dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen niet verplicht is een kandidaat-vluchteling te horen, ingaat tegen een constante rechtspraak van de Raad van State; dat verzoekster, voor het overige, in wezen volhardt in het initieel verzoekschrift; 2.3.
  25. Overwegende dat de Vluchtelingenconventie aan de verdragsluitende staten een ruime appreciatiebevoegdheid geeft, meer in het bijzonder voor wat betreft de organisatie van een procedure met betrekking tot het onderzoek naar de ontvankelijkheid van een asielaanvraag; dat van deze bevoegdheid door de Belgische wetgever werd gebruik gemaakt middels artikel 52 van de Vreemdelingenwet; dat voormeld artikel aan de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen de mogelijkheid biedt een asielaanvraag onontvankelijk te verklaren op grond van een aantal criteria en de verblijfsweigering genomen door de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken te bevestigen; dat één van de onontvankelijkheidsgronden de “kennelijke ongegrondheid” is; dat een asielaanvraag kennelijk ongegrond is wanneer de vreemdeling geen gegevens heeft aangebracht dat er, wat hem betreft, ernstige aanwijzingen bestaan van een gegronde vrees voor vervolging; dat de Commissaris-generaal een asielaanvraag tevens onontvankelijk kan verklaren omdat zij bedrieglijk is; dat het gaat om aanvragen die valse inlichtingen bevatten, essentiële feiten verhelen of gegrond zijn op documenten die vals of vervalst zijn; dat volgens de rechtspraak van de Raad van State het bedrieglijk karakter onder meer kan worden vastgesteld wanneer tegenstrijdigheden worden aangetoond ten opzichte van gebeurtenissen van algemene bekendheid of tussen verschillende stukken en verklaringen van de asielzoeker geput uit het administratief dossier; dat de Commissaris- generaal in casu tot deze conclusie is gekomen op grond van de overwegingen vervat onder punt 2.2.
  26. van dit arrest; Overwegende dat, waar verzoekster een schending inroept van het non- refoulement beginsel, blijkt dat artikel 33 van de Vluchtelingenconventie een verbod tot uitzetting of terugleiding inhoudt dat enkel betrekking heeft op beslissingen op grond waarvan de vreemdeling, die zich vluchteling heeft verklaard of als dusdanig is erkend, verplicht zou worden naar zijn land van herkomst terug te keren; dat erkende vluchtelingen en kandidaat-vluchtelingen zich eveneens dienen te beroepen op artikel 56 van de Vreemdelingenwet; dat verzoekster dit artikel niet heeft ingeroepen zodat de schending van voormeld artikel 33 niet dienstig kan worden aangevoerd; Overwegende dat, waar verzoekster een schending aanvoert van artikel 14 van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens, blijkt dat zij zich beperkt tot het summier aanhalen van de bepaling die zij geschonden acht, maar zonder aan te duiden op welke wijze die verdragsbepaling door de bestreden beslissing zou worden geschonden; XIV-11.314-11/15 dat verzoekster nalaat deze bepaling concreet te betrekken op de vaststellingen van de bestreden beslissing; dat verzoekster haar grief geenszins ondersteunt met concrete en pertinente gegevens en derhalve niet aantoont dat de bestreden beslissing onwettig is; Overwegende dat, waar verzoekster een schending aanvoert van artikel 3 van het E.V.R.M., uit de analyse van de middelen blijkt dat verzoekster niet aannemelijk maakt dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen niet op goede gronden tot de kennelijke ongegrondheid en bedrieglijkheid van de asielaanvraag van verzoekster heeft besloten; dat zij niet aantoont dat de bestreden beslissing, die niet is behept met een onwettigheid, artikel 3 van het E.V.R.M. schendt; Overwegende dat de verwijzing naar de proceduregids van de Verenigde Naties niet dienstig kan worden ingeroepen, omdat deze gids enkel richtlijnen weergeeft; Overwegende dat, wat de ingeroepen schending van de motiveringsplicht betreft, de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen tot doel heeft betrokkene een zodanig inzicht in de motieven van de beslissing te verschaffen, dat hij of zij in staat is te weten of het zin heeft zich tegen die beslissing te verweren met de middelen die het recht hem of haar verschaft; dat uit het verzoekschrift blijkt dat verzoekster de motieven van de bestreden beslissing kent, zodat het doel van de uitdrukkelijke motiveringsplicht in casu is bereikt; dat verzoekster bijgevolg de schending van de materiële motiveringsplicht aanvoert, zodat dit onderdeel van het middel vanuit dit oogpunt wordt onderzocht; Overwegende dat met betrekking tot dit onderdeel van het derde middel kan worden verwezen naar de analyse van het eerste en het tweede middel, waar afdoende werd aangetoond dat de Commissaris-generaal de asielaanvraag op een individuele wijze heeft beoordeeld en zijn beslissing heeft genomen met inachtname van alle feitelijke gege- vens van de zaak; dat verzoekster stelt dat bepaalde tegenstrijdigheden te wijten zijn aan een foutieve notitie in het verhoorverslag; dat wordt vastgesteld dat verzoekster hieromtrent geen opmerkingen heeft geformuleerd ter gelegenheid van haar verhoor, net zomin als haar echtgenoot in zijn schriftelijke verklaring, zodat het middel op dit punt niet dienstig kan worden aangevoerd; dat, waar verzoekster bepaalde overwegingen van de bestreden beslissing tracht te weerleggen, wordt vastgesteld dat deze overwegingen steun vinden in het administratief dossier, meer bepaald in de verslagen van de opeenvolgende verklaringen die verzoekster heeft afgelegd voor de Dienst Vreemdelingenzaken en op het Commissariaat-generaal enerzijds, de schriftelijke verklaring van haar echtgenoot anderzijds; dat verzoekster en haar echtgenoot deze verslagen en verklaringen hebben ondertekend, en aldus te kennen hebben gegeven dat ze overeenstemmen met de inlichtingen die zij hebben verstrekt, en dat deze inlichtingen oprecht zijn; dat de XIV-11.314-12/15 Commissaris-generaal bijgevolg op goede gronden kon besluiten tot de kennelijke ongegrondheid en de bedrieglijkheid van verzoeksters asielaanvraag; Overwegende dat uit de bestreden beslissing blijkt dat het asielrelaas van verzoekster grondig werd onderzocht en dat rekening werd gehouden met alle relevante elementen van dit relaas en van het administratief dossier; dat de bestreden beslissing steunt op ter zake dienende, deugdelijke, afdoende en pertinente motieven; Overwegende dat het derde middel, in al zijn onderdelen, ongegrond is; 2.4.
  27. Overwegende dat verzoekster in een vierde middel de schending aanvoert van artikel 13 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden, ondertekend op 4 november 1950 te Rome, en goedgekeurd bij de wet van 13 mei 1955 (E.V.R.M.), en van artikel 16 van het Internationaal Verdrag betreffende de status van vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951 (Vluchtelingenconventie), en van het recht om te beschikken over een effectief beroep bij de schending van een grondrecht; 2.4.
  28. Overwegende dat verzoekster aanvoert dat de bestreden beslissing bepaalt dat verzoekster, behoudens een andersluidende beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken of zijn gemachtigde, het grondgebied van het Rijk dient te verlaten binnen de vijf dagen, ingaand op de datum van de kennisgeving van de bestreden beslissing; dat verzoekster stelt dit een schending uitmaakt van het artikel 13 van het E.V.R.M., dat bepaalt dat “eenieder wiens rechten en vrijheden die in dit Verdrag zijn vermeld, zijn geschonden, (...) recht (heeft) op een daadwerkelijk rechtsmiddel voor een nationale instantie”; dat verzoekster een schending opwerpt van de artikelen 3 en 8 van het E.V.R.M.; dat verzoekster aanvoert dat uit artikel 16 van de Vluchtelingenconventie, dat directe werking heeft, volgt dat de toegang tot de hoven en rechtbanken niet mag worden bemoeilijkt; dat verzoekster stelt dat haar aanwezigheid op het grondgebied van het Rijk noodzakelijk is met het oog op het uitoefenen van haar rechten; 2.4.
  29. Overwegende dat de verwerende partij in haar memorie van antwoord aanvoert dat artikel 13 van het E.V.R.M. niet dienstig kan worden opgeworpen, zonder ook de bepaling van het E.V.R.M. aan te duiden waarvan de schending een effectief rechtsmiddel vereist; dat de verwerende partij stelt dat het middel onontvankelijk is in zoverre verzoekster niet aan deze vereiste voldeed; dat de verwerende partij uiteenzet dat verzoekster in de uitwerking van het vierde middel wel melding maakt van artikel 3 en artikel 8 van het E.V.R.M., maar dat zij in gebreke blijft enige concrete uitwerking hieraan te geven; dat de verwerende partij betoogt dat, alvorens over te gaan tot het onderzoek of er al dan niet sprake is van een schending van artikel 13 van het E.V.R.M., eerst dient vast te staan of de ingeroepen schending van de andere verdragsbepaling wel ernstig is; dat de XIV-11.314-13/15 verwerende partij aanvoert dat, gelet op het feit dat verzoekster de schending van de artikelen 3 en 8 niet uitwerkt, zelfs niet kan worden getoetst of er al dan niet een schending van artikel 13 van het E.V.R.M. plaatsvond; 2.4.
  30. Overwegende dat verzoekster in haar memorie van wederantwoord aanvoert dat zij zich wel degelijk beroept op de schending van het artikel 13 van het E.V.R.M., in combinatie met een schending van het artikel 3 van het E.V.R.M.; 2.4.
  31. Overwegende dat, wat de aangevoerde schending van artikel 13 van het E.V.R.M. betreft, blijkt dat dit verdragsartikel niet autonoom kan worden ingeroepen, zonder aan te tonen dat een door het voornoemd verdrag beschermde vrijheid of beschermd recht is geschonden; dat verzoekster in het middel samen met artikel 13 van het E.V.R.M. een schending inroept van de artikelen 3 en 8 van het E.V.R.M.; dat verzoekster echter nalaat in concreto aan te duiden op welke wijze de bestreden beslissing laatstgenoemde artikelen zou schenden; dat verzoekster zich beperkt tot een algemene uiteenzetting; dat, gezien de schending van artikel 3 en artikel 8 van het E.V.R.M. niet kan worden weerhouden, niet moet worden nagegaan of artikel 13 van het E.V.R.M. in casu van toepassing is en desgevallend geschonden werd; dat voor zover verzoekster een schending van artikel 16 van de Vluchtelingenconventie inroept, erop gewezen dient te worden dat deze bepaling van toepassing is op vluchtelingen in de zin van artikel 1 van deze conventie; dat, aangezien verzoekster niet als vluchteling werd erkend, deze bepaling niet dienstig kan worden aangevoerd; dat het vierde middel niet tot de nietigverklaring van de bestreden beslissing kan leiden; Overwegende dat het vierde middel, in al zijn onderdelen, ongegrond is, BESLUIT: Artikel
  32. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  33. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op zes april tweeduizend en zes, door : XIV-11.314-14/15 de H. D. MOONS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. A. DE SMET, griffier. De griffier, De voorzitter, A. DE SMET. D. MOONS. XIV-11.314-15/15 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.157.423 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.