← België

Arrest 157446 - - 10/04/2006

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 10 april 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.157.446 Rolnummer: A. 116326/IX-3299 Zaak: Arrest 157446 - - 10/04/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-04-20 Raadplegingen: 56 - laatst gezien 2026-06-30 17:04 Fiche Arrest nr 157.446 van 10 april 2006 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 157.446 van 10 april 2006 in de zaak A. 116.326/IX-

  1. In zake : Ronny VAN PEE, die woonplaats kiest bij advocaat E. JACUBOWITZ, kantoor houdende te BRUSSEL, Tedescolaan 7 tegen : de stad AARSCHOT, die woonplaats kiest bij advocaat B. VAN TONGELEN, kantoor houdende te AARSCHOT, Statiestraat
  2. tussenkomende partijen :
  3. Marcel VERBIST,
  4. Maurice VERBRUGGEN, die woonplaats kiezen bij advocaat M. VICCA, kantoor houdende te AARSCHOT, Leuvensesteenweg 45/1,
  5. Frederik DECA, die woonplaats kiest bij advocaten B. STEEGEN, E. SCHELLINGEN en A. GERKENS, kantoor houdende te BILZEN, Demerlaan 21/
  6. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Ronny VAN PEE op 4 februari 2002 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van : - twee besluiten van 11 oktober 2001 van de gemeenteraad van Aarschot waarbij Maurice VERBRUGGEN, respectievelijk Marcel VERBIST worden bevorderd tot inspecteur van politie en van - het besluit van 22 november 2001 van de gemeenteraad van Aarschot waarbij Frederik DECA wordt bevorderd tot inspecteur van politie; IX-3299-1/12 Gelet op het arrest nr. 107.873 van 17 juni 2002 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden besluiten worden verworpen; Gezien het verzoek tot voortzetting van de rechtspleging ingediend op 19 juli 2002 door de verzoekende partij; Gezien het verzoekschrift tot tussenkomst van 13 augustus 2002 van Marcel VERBIST en Maurice VERBRUGGEN en van 21 augustus 2002 van Frederik DECA; Gelet op de beschikking van 4 oktober 2002 die de tussenkomst van Marcel VERBIST, Maurice VERBRUGGEN en Frederik DECA toelaat; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gelet op de memories van de tussenkomende partijen; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur H. COLIN; Gelet op de beschikking van 24 november 2004 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories; Gelet op de beschikking van 18 januari 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 6 maart 2006; Gehoord het verslag van staatsraad A. VANDENDRIESSCHE; Gehoord de opmerkingen van advocaat E. JACUBOWITZ, die verschijnt voor de verzoekende partij, van advocaat T. VAN AERSCHOT die, loco advocaat B. VAN TONGELEN verschijnt voor de verwerende partij, van advocaat I. VERHEVEN, die verschijnt voor de eerste twee tussenkomende partijen, en van advocaat E. SCHELLINGEN, die verschijnt voor de derde tussenkomende partij; IX-3299-2/12 Gehoord het eensluidend advies van auditeur H. COLIN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  7. Overwegende dat de gegevens van de zaak uiteengezet zijn in het arrest nr. 107.873 van 17 juni 2002 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissingen verworpen werd wegens het niet aangetoond zijn van een moeilijk te herstellen ernstig nadeel; 2.
  8. Overwegende dat verzoeker de samenvoeging vraagt van de onderhavige zaak met twee andere dossiers die momenteel bij de Raad van State hangende zijn : het dossier nr. 72.628/XII-2922 waarin de stad Aarschot en de burgemeester van Aarschot de nietigverklaring vorderen van de beslissing van de Vlaamse minister van Binnenlandse Aangelegenheden houdende de vernietiging van de beslissing van 27 juni 1996 van het college van burgemeester en schepenen van Aarschot waarbij onder meer de eerste twee tussenkomende partijen de toelating krijgen om deel te nemen aan de cursus “opleiding officier gerechtelijke politie” en het dossier nr. 93.995/XII-2708 waarin verzoeker de nietigverklaring vordert van de beslissing van de burgemeester van Aarschot waarbij Gustaaf PEELAERS wordt beëdigd als officier van gerechtelijke politie, hulpofficier van de procureur des Konings; 2.
  9. Overwegende dat hierna onderzocht wordt of verzoeker nog een actueel belang heeft bij zijn beroep; dat een uitspraak daarover, die steunt op de actuele situatie van verzoeker, mogelijk wel gevolgen kan hebben op de ontvankelijk- heid van de twee vermelde vorderingen, maar dat zulks nog niet betekent dat de dossiers wegens gevaar voor tegenstrijdige stellingnames samengevoegd horen te worden; dat de Raad van State geen reden ziet om de samenvoeging te bevelen; 3.
  10. Overwegende dat de derde tussenkomende partij in haar verzoek tot tussenkomst het belang van verzoeker betwist; dat zij daar betoogt dat verzoeker batig gerangschikt werd voor andere examens die toegang verlenen tot het middenkader van de politiediensten -in de nieuwe politiestructuur gaat het om de graad van hoofdinspecteur-, dat hij dienvolgens geen aanspraak meer kan maken op een benoeming in het politiekorps van Aarschot en dat hij bijgevolg geen belang meer heeft bij de onderhavige procedure; IX-3299-3/12 3.
  11. Overwegende dat verzoeker in zijn memorie van wederantwoord daar op antwoordt wat volgt: aangezien het belang erin bestaat de nadelen die de bestreden beslissing heeft doen ontstaan te zien verdwijnen, moet nagegaan worden of hij in de loop van het geding volledige voldoening verkregen heeft, zodat een vernietiging hem geen enkel -ook geen klein- voordeel meer zal opleveren; alleen een retroactieve bevordering tot inspecteur bij het gemeentelijk politiekorps van Aarschot, met herstel van zijn weddeverlies, had hem volledige genoegdoening kunnen bezorgen, maar het louter verkrijgen van een bevordering, langs andere kanalen, kan dat niet; anders oordelen zou betekenen dat de teleurgestelde ambtenaar verplicht wordt zich van deelneming aan bevorderingswedstrijden te onthouden totdat de Raad van State een uitspraak gedaan heeft hetgeen zou inhouden dat hij zijn carrière moet bevriezen; hij kan wel degelijk nog in het politiekorps van Aarschot benoemd worden, met name wanneer daar een betrekking op het kader vrij is, hetgeen precies belet wordt door de bestreden benoemingen; bovendien is zijn nadeel niet volledig verdwenen door zijn benoeming in de politiezone Haacht, want naast het belangrijk financieel -zijn inschaling in de weddeschaal M2 te Haacht, terwijl de tussenkomende partijen de weddeschaal M3 verkregen hebben- en moreel nadeel -hij werd pas op een latere datum bevorderd en moest bijkomende proeven afleggen- dat hij reeds ondergaan heeft, heeft hij ook een lagere graadanciënniteit, waardoor hij 18 maanden verliest om te kunnen deelnemen aan een bevorderingsprocedure voor het officierenkader, en moet hij dagelijks ook ongeveer 40 km meer afleggen om zijn werkplek te bereiken; de vernietiging van de bestreden beslissingen en een retroactieve benoeming in Aarschot zullen deze nadelen doen verdwijnen; 3.
  12. Overwegende dat de tussenkomende partijen in hun toelichtende memorie, verwijzend naar de benoeming van verzoeker tot hoofdinspecteur te Haacht op 5 december 2002, herhalen dat verzoeker geen belang meer heeft; dat verzoeker, dienaangaande door de auditeur-verslaggever ondervraagd, zijn stelling gehandhaafd heeft; 3.
  13. Overwegende dat de auditeur-verslaggever in zijn verslag over de zaak uit de omstandigheid dat verzoeker, door zijn benoeming tot hoofdinspecteur bij de lokale politie te Haacht, dezelfde graad bezet als de tussenkomende partijen -de met het bestreden besluit verleende benoeming in de graad van inspecteur van gemeentepolitie is door de politiehervorming omgezet in de graad van hoofdinspecteur- afgeleid heeft dat hij, wat de toegang tot die hogere graad betreft, geen voordeel meer kan halen uit een vernietiging van de bestreden beslissingen; dat hij tegen de argumenten van verzoeker met betrekking tot zijn actueel belang IX-3299-4/12 inbrengt wat volgt: overeenkomstig artikel 27 van de wet van 27 december 2000 houdende diverse bepalingen met betrekking tot de rechtspositie van het personeel van de politiediensten en artikel 16 van het uitvoeringsbesluit van 26 maart 2001, worden de bevorderingsprocedures die op datum van de inwerkingtreding van deze wet in uitvoering waren, voortgezet en afgehandeld overeenkomstig de van kracht zijnde bepalingen daags voor de inwerkingtreding van de wet en wordt een bevorderingsprocedure geacht in uitvoering te zijn wanneer de akte van kandidaat- stelling vóór 1 juni 2001 ingediend is; de bestreden bevorderingsprocedure valt onder die regeling; aangezien de gemeenteraad besloten had om voor het begeven van de bestreden betrekkingen een interne bevorderingsprocedure op te starten, kwamen enkel leden van het gemeentelijk politiekorps van Aarschot in aanmerking voor de bevordering; na een vernietiging door de Raad van State van de eindbeslissingen in die bevorderingsprocedure, zal het bestuur, bij het overdoen van de vernietigde beslissingen, opnieuw de reglementering moeten naleven die gold voor de totstand- koming van de bestreden beslissingen, waaronder de vereiste lid te zijn van het gemeentelijk politiekorps van Aarschot; de verwerende partij zal dan moeten vaststellen dat verzoeker geen lid meer is van het lokaal politiekorps van Aarschot -waarin de gemeentelijke politie opgegaan is- en dat hij bijgevolg -en zulks op eigen initiatief- niet meer voldoet aan de benoemingsvoorwaarden die voor dergelijke interne bevordering golden; die vaststelling kan enkel doorbroken worden wanneer de verwerende partij in een vernietigingsarrest de juridische verplichting zou vinden om verzoeker met terugwerkende kracht tot op de datum van de bestreden beslissingen, te bevorderen; waar verzoeker in zijn eerste middel aanvoert dat hij als enige van de kandidaten houder is van het brevet van officier van gemeentepolitie en dat dit brevet primeert op de brevetten waarover de andere kandidaten beschikken, hetgeen hem een voorrang verleent voor de bevordering, lijkt hij aan te sturen op de vaststelling van dergelijke rechtsplicht, maar uit de bepalingen van het administratief statuut kan niet opgemaakt worden dat daarmee een regel van positief recht ingesteld is die het bestuur elke discretionaire bevoegdheid ontneemt in de zin dat het de verplichting zou hebben om de enige kandidaat die houder is van het brevet van officier van gemeentepolitie te benoemen; de overige middelen kunnen niet leiden tot de vaststelling van dergelijke rechtsplicht; 3.
  14. Overwegende dat verzoeker in zijn laatste memorie de stelling van de auditeur met volgende argumenten bekritiseert: in het kader van het belang moet hij niet bewijzen dat het bestuur de verplichting heeft om hem te benoemen, maar volstaat het dat hij een nieuwe kans krijgt om benoemd of bevorderd te worden; in IX-3299-5/12 dit geval betwist de auditeur geenszins de realiteit van de nadelen die hij nog ondergaat wegens de bestreden beslissingen; ten onrechte is de auditeur van mening dat een vernietigingsarrest onmogelijk die nadelen kan goedmaken, want het bestuur kan na een vernietigingsarrest beslissen om de gehele bevorderingsprocedure over te doen en om desgevallend “een open procedure” te voeren en dan heeft hij een kans om alsnog benoemd te worden; bovendien kan uit het onderzoek van zijn middelen wel degelijk blijken dat de verwerende partij in geval van vernietiging de rechtsplicht heeft om hem te benoemen, aangezien hij in het vierde middel aanvoert dat de kandidatuur van de eerste twee tussenkomende partijen niet in overweging genomen had mogen worden, om reden dat zij niet over een rechtsgeldig brevet beschikten en dus niet aan de bijzondere benoemingsvoorwaarden voldeden; vermits de gemeente- raad van Aarschot er met de bestreden beslissingen blijk van heeft gegeven drie inspecteurs nodig te hebben en hij met hetzelfde aantal punten als de derde tussenkomende partij geslaagd is in het bevorderingsexamen, leidt het -verplicht- weren van de onontvankelijke kandidaturen van de eerste twee tussenkomende partijen tot de rechtsplicht om hem te benoemen; ook het eerste en het derde middel leidt tot de rechtsplicht om hem te benoemen, aangezien hij daarmee vastgesteld kan zien dat hij kennelijk grotere titels heeft dan alle tussenkomende partijen, terwijl de verwerende partij in de bestreden beslissingen duidelijk aangegeven heeft dat de hiërarchie onder de getuigschriften die de kandidaten voorlegden voor haar het eerste bevorderingscriterium vormde; 3.
  15. Overwegende dat de verwerende partij en de tussenkomende partijen in hun laatste memorie de conclusie van het auditoraatsverslag bijvallen; dat de verwerende partij aldus herhaalt dat ook het eerste middel niet tot de vaststelling van een benoemingsplicht voor het bestuur kan leiden aangezien dat bestuur, zelfs wanneer vastgesteld wordt dat het brevet van officier van gemeentepolitie belangrij- ker is dan de brevetten waarover de tussenkomende partijen beschikken, bij de beoordeling van de benoemingsvoorwaarden over een discretionaire beoordelings- bevoegdheid blijft beschikken; 3.7.
  16. Overwegende dat verzoeker in de loop van onderhavige procedure zelf benoemd is in de graad van hoofdinspecteur, de graad waarvan de tussen- komende partijen thans titularis zijn; dat een vernietiging van het bestreden besluit hem, wat de toegang tot die graad betreft, geen voordeel meer kan opleveren; dat hij niet betwist dat zulks zijn actueel belang bij het onderhavige beroep aantast; dat hij wel van oordeel is dat hij, in geval de bestreden bevorderingsbeslissingen alsnog IX-3299-6/12 vernietigd zouden worden, opnieuw uitzicht krijgt op een bevordering in het politiekorps van Aarschot die hem volledig rechtsherstel verleent; 3.7.2.
  17. Overwegende dat verzoeker vrijwillig het gemeentelijk politiekorps van Aarschot -overgegaan in de lokale politiezone Aarschot- verlaten heeft; dat hij niet betwist dat hij daarmee niet langer voldoet aan de voor de bestreden bevordering geldende bijzondere benoemingsvoorwaarde van “vastbenoemd politieagent, politieagent-brigadier of politieagent-hoofdbrigadier (...) in het gemeentelijk politiekorps van Aarschot” te zijn; Overwegende dat artikel 27 van de wet van 27 december 2000 houdende diverse bepalingen met betrekking tot de rechtspositie van het personeel van de politiediensten, -bepaling die in werking getreden is op 1 januari 2001- luidt als volgt : “De selectieprocedures voor kandidaten alsmede de opleidingen, de stages en de benoemings- en bevorderingsprocedures in de rijkswacht, de gerechtelijke politie bij de parketten of in de gemeentelijke politiekorpsen die in uitvoering zijn op de datum van inwerkingtreding van deze wet worden voortgezet en afgehandeld overeenkomstig de van kracht zijnde bepalingen daags vóór de inwerkingtreding van deze wet. (...) Het benoemde of bevorderde personeelslid wordt van rechtswege benoemd of bevorderd in (...) het gemeentelijk politiekorps of de lokale politie waar de procedure loopt. De benoeming of bevordering die volgt uit de toepassing van het eerste lid, geschiedt, in voorkomend geval, van rechtswege in de nieuwe graad vastgesteld bij de rechtspositieregeling van het personeel van de politiediensten. Houdt de benoeming of bevordering overeenkomstig de in het eerste lid bepaalde regels in dat overeenkomstig het nieuwe statuut een hogere loonschaal aan het betrokken personeelslid moet worden toegekend, dan houdt deze benoeming of bevordering van rechtswege de toekenning in van die hogere loonschaal. Voor de toepassing van het eerste lid, bepaalt de Koning bij een in Ministerraad overlegd besluit : 1/ (...) 2/ (...) 3/ het ogenblik waarop de in het eerste lid bedoelde selecties, opleidingen, stages, benoemings- en bevorderingsprocedures in uitvoering worden geacht”; Overwegende dat artikel 16 van het koninklijk besluit van 26 maart 2001 tot uitvoering van de artikelen 13, 27, tweede en vijfde lid en 53 van de wet van 27 december 2000 houdende diverse bepalingen met betrekking tot de rechtspositie van het personeel van de politiediensten en houdende diverse andere overgangsbepalingen, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 20 november 2001, IX-3299-7/12 bepaalt dat voor het personeel van het operationeel korps van de gemeentepolitie, de bevorderingsprocedures geacht worden in uitvoering te zijn “wanneer de akte van kandidaatstelling vóór 1 juni 2001 op ontvankelijke wijze is ingediend bij de bevoegde overheid”; 3.7.2.
  18. Overwegende dat de kandidaturen voor de drie vacante plaatsen waarin de bestreden bevorderingen gebeurd zijn moesten ingediend zijn ten laatste op 9 februari 2001; dat zulks betekent dat artikel 27 van de wet van 27 december 2000 van toepassing is op die benoemingsbeslissingen; dat verzoeker niet betwist dat die regeling ook geldt wanneer de procedure na een vernietigingsarrest wordt hernomen; 3.7.
  19. Overwegende dat, in de regeling die op 31 december 2000 van toepassing was, de gemeenteraad van Aarschot krachtens het administratief statuut van het gemeentepersoneel een kandidaat slechts tot inspecteur van politie kon bevorderen wanneer hij vastbenoemd lid van het basiskader van de gemeentelijke politie te Aarschot was; dat vanuit dat oogpunt verzoeker, die aan die voorwaarde niet meer voldoet, niet meer in aanmerking komt voor een benoeming op het gemeentelijk politiekader van Aarschot; dat de gemeenteraad, die de desbetreffende reglementering moet toepassen met inachtneming van de op dat ogenblik bestaande feitelijke gegevens, verzoeker om die reden onmogelijk nog tot inspecteur van politie -thans hoofdinspecteur- kan bevorderen; 3.7.
  20. Overwegende dat verzoeker betoogt dat in zijn geval die redenering niet gevolgd kan worden; dat hij van oordeel is dat hij na een vernietiging wel degelijk nog tot inspecteur van politie in de gemeente Aarschot bevorderd kan worden, vooreerst omdat de gemeenteraad na een vernietigingsarrest kan besluiten de procedure van voor af aan te herbeginnen en de betrekkingen bij aanwerving te laten begeven en vervolgens omdat hij middelen aanvoert waarvan het gegrond bevinden voor de verwerende partij de rechtsplicht zal inhouden om hem retroactief te benoemen; 3.7.5.
  21. Overwegende dat het eerste argument van verzoeker niet opgaat; dat immers, blijkens het uittreksel uit het personeelsstatuut dat de verwerende partij bij de vacantverklaring van de betrekkingen aan de kandidaten bezorgd heeft, de graad van inspecteur van politie -in tegenstelling tot de gelijktijdig open verklaarde graad van hoofdinspecteur eerste klasse- enkel begeven kan worden bij wijze van IX-3299-8/12 bevordering; dat in ieder geval verzoeker niet aantoont op grond van welke rechtsregel de verwerende partij, na de vernietiging van een van de bestreden beslissingen, de absolute rechtsplicht zal hebben om de procedure van voor af aan te herbeginnen; dat het gegrond bevinden van de middelen ook niet tot dat besluit kan leiden, aangezien zij allen betrekking hebben op een onwettigheid die in de loop van de procedure werd begaan, met name het niet honoreren van de aanspraken die hij put uit het bezit, als enige kandidaat, van het brevet van officier van gemeente-politie (eerste middel), de onwettigheid van het bevorderingsexamen (tweede en vijfde middel), de schending van het gelijkheidsbeginsel bij de afweging van de kandidatu- ren (derde middel) en het onwettig in aanmerking nemen van de kandidaturen van de eerste twee tussenkomende partijen (vierde middel); dat bijgevolg, daargelaten de vraag of de verwerende partij bij het voortzetten van de bevorderingsprocedure alsnog wel zou kunnen besluiten om de bevordering nu bij werving te begeven, de concrete gegevens van de zaak haar in ieder geval daar niet absoluut toe verplichten; 3.7.5.
  22. Overwegende dat verzoeker even ten onrechte aanvoert dat de gegrondheid van zijn middelen voor de verwerende partij de rechtsplicht zullen doen ontstaan om hem te benoemen; Overwegende dat het eerste middel stoelt op de miskenning van het gemeentelijk administratief personeelsstatuut, doordat verzoeker als kandidaat die een brevet bezit dat hoger aangeschreven is dan de brevetten die de andere kandidaten bezitten, “a fortiori toegang (moet krijgen) tot de graad van inspecteur (...) als hij aan de overige bevorderingsvoorwaarden voldoet”; dat het gegrond bevinden van dat middel de verwerende partij voor de vaststelling plaatst dat verzoeker van alle kandidaten het hoogste bekwaamheidsbewijs bezit, maar dat daaruit geenszins volgt dat zij hem ook moet benoemen, nu het administratief statuut niet voorschrijft dat het bestuur verplicht is een kandidaat die het brevet van officier van gemeentepolitie bezit te benoemen; Overwegende dat in het tweede en het vijfde middel de onwettig- heid van het bevorderingsexamen wordt aangevoerd; dat het tweede middel steunt op de schending van het zorgvuldigheidsbeginsel doordat verzoeker op de mondelinge proef van het bevorderingsexamen niet de punten heeft gekregen die hij verdiende; dat het vijfde middel steunt op de schending van de wet betreffende de openbaarheid van bestuur in de gemeenten doordat hij geen kennis kon nemen van de objectieve criteria die bij de verbetering van het examen werden gehanteerd; dat IX-3299-9/12 het gegrond bevinden van die middelen tot gevolg heeft dat het examen of de examenuitslag van verzoeker onregelmatig is maar zulks niet betekent dat verzoeker daarmee een recht krijgt op benoeming; Overwegende dat in het derde middel de schending van het gelijkheidsbeginsel wordt aangevoerd doordat de verwerende partij voor de vergelijking van de kandidaten geen criteria heeft weerhouden die verband houden met de functie van inspecteur, doordat bij de vergelijking van de titels en verdiensten van de kandidaten vertrokken is van een onvolledige of onjuiste stand van zaken en voorbijgegaan is aan bepaalde gegevens van het dossier dat aan de gemeenteraad voorlag en doordat er voorbijgegaan is aan zijn in redelijkheid grotere aanspraken op benoeming; dat de gegrondheid van dat middel evenmin de rechtsplicht doet ontstaan om verzoeker te bevorderen, aangezien verzoeker daar hoogstens mee vastgesteld ziet dat hij de meest valabele kandidaat is van degene wiens titels en verdiensten onderzocht zijn, maar dat zulks niets afdoet aan de discretionaire bevoegdheid van het bestuur om op grond van deugdelijke redenen te beslissen ook verzoeker niet te bevorderen; Overwegende dat het vierde middel stoelt op de vaststelling dat de eerste en de tweede tussenkomende partij aan de bevorderingsprocedure deelgeno- men hebben op basis van een onwettig verkregen attest van officier van gerechtelijke politie; dat ook het gegrond bevinden van dat middel niet betekent dat de verwerende partij de rechtsplicht heeft om verzoeker te benoemen; 3.7.5.
  23. Overwegende dat, nu de verwerende partij in een vernietiging de rechtsplicht niet zal vinden om verzoeker tot inspecteur van politie -thans hoofdinspecteur- te Aarschot te benoemen en aan die benoeming terugwerkende kracht te verlenen, dergelijke nietigverklaring aan verzoeker onmogelijk het door hem beoogde rechtsherstel kan bezorgen; 3.7.
  24. Overwegende dat verzoeker, met de verwijzing naar de mogelijk- heid dat de verwerende partij hem alsnog genoegdoening kan geven, zijn actueel belang afhankelijk maakt van beslissingen die de verwerende partij niet verplicht is te nemen; dat het rechtsherstel dat hij op die wijze beoogt afhankelijk is van discretionaire beslissingen die de verwerende partij nog dient te nemen en die bovendien voor hem gunstig moeten zijn; dat de enkele mogelijkheid dat die beslissingen gunstig kunnen zijn voor verzoeker, zijn belang tot een onrechtstreeks IX-3299-10/12 en zelfs hypothetisch belang doen verworden; dat inzonderheid met betrekking tot een annulatieberoep tegen een benoeming in het openbaar ambt, waarin ook rekening gehouden moet worden met de belangen van de benoemde, dergelijk hypothetisch belang niet volstaat om het actueel belang bij het annulatieberoep te verantwoorden; 3.7.
  25. Overwegende dat verzoeker niet aantoont dat hij over het vereiste actueel belang beschikt; dat het beroep niet ontvankelijk is, BESLUIT: Artikel
  26. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  27. De kosten van de vordering tot schorsing en van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 350 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Het ten onrechte door de verzoekende op het verzoekschrift tot schorsing gekweten zegelrecht van 11 euro, dient haar te worden terugbetaald. De kosten van de tussenkomst in de schorsingsprocedure en in de annulatieprocedure, bepaald op 750 euro, komen ten laste van de tussenkomende partijen, elk voor een derde. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op tien april 2000 en zes, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : IX-3299-11/12 de HH. J. DE BRABANDERE, voorzitter van de Raad van State, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, E. BREWAEYS, staatsraad, W. GEURTS, griffier. De griffier, De voorzitter, W. GEURTS. J. DE BRABANDERE. IX-3299-12/12 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.157.446 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2002:ARR.107.873 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.