id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 10 april 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.157.447 Rolnummer: A. 160226/IX-4817 Zaak: Arrest 157447 - - 10/04/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-04-21 Raadplegingen: 59 - laatst gezien 2026-06-30 17:04 Fiche Arrest nr 157.447 van 10 april 2006 - Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 157.447 van 10 april 2006 in de zaak A. 160.226/IX-
- In zake : Marc VANDOUSSELAERE, die woonplaats kiest bij advocaat K. CRAUWELS, kantoor houdende te ANTWERPEN, Mechelsesteenweg 210 A tegen : de politiezone Boortmeerbeek/Haacht/Keerbergen, die woonplaats kiest bij advocaat C. GYSEN, kantoor houdende te MECHELEN, Antwerpsesteenweg
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Marc VANDOUSSELAERE op 22 februari 2005 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 23 december 2004 van de politieraad van de politiezone Boortmeerbeek/Haacht/Keerbergen waarbij wordt beslist hem te pensioneren met ingang van 1 december 2004 met 60% van zijn laatste activiteitswedde; Gelet op het arrest nr. 145.137 van 30 mei 2005 waarbij de schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit wordt bevolen; Gezien het verzoek tot voortzetting van de rechtspleging tevens memorie van antwoord ingediend op 4 juli 2005 door de verwerende partij; Gezien de memorie van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur H. COLIN; Gelet op de beschikking van 14 oktober 2005 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; IX-4817-1/14 Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memorie van de verwerende partij; Gelet op de beschikking van 18 januari 2006 waarbij de terecht- zitting bepaald wordt op 6 maart 2006; Gehoord het verslag van staatsraad A. VANDENDRIESSCHE; Gehoord de opmerkingen van advocaat K. CRAUWELS, die verschijnt voor de verzoekende partij, en van advocaat Th. RYCKALTS die, loco advocaat C. GYSEN verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur H. COLIN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Overwegende dat de gegevens van de zaak kunnen worden samengevat als volgt: 1.
- Bij koninklijk besluit van 21 april 1997 wordt verzoeker benoemd tot commissaris-korpsoverste van de politie van de gemeente Boortmeerbeek. Sinds de politiehervorming is hij commissaris in de lokale politiezone Boortmeerbeek/Haacht/Keerbergen (hierna: de politiezone Haacht). 1.
- Op 7 november 2000 wordt verzoeker het slachtoffer van een hersenbloeding. Hij blijft lange tijd arbeidsongeschikt. 1.
- Op 17 december 2001 beslist de gemeenteraad van Boortmeerbeek, op grond van de overweging dat verzoeker het maximum te cumuleren aantal ziektedagen heeft bereikt op 1 november 2001 en dat hij dienvolgens een wachtgeld van 60 % van de laatste activiteitswedde dient te ontvangen “in afwachting van een besluit tot definitieve in disponibiliteitstelling”, verzoeker vanaf 1 december 2001 in disponibiliteit te stellen, zijn wachtgeld op 60 % van zijn laatste activiteitswedde vast te stellen en de administratieve gezondheids- dienst te gelasten met een onderzoek naar het eventueel bestaan van een ernstige en langdurige kwaal die verzoeker recht zou geven op een wachtgeld van 100 %. IX-4817-2/14 1.
- Op 15 februari 2002 biedt verzoeker zich spontaan aan bij de arbeidsgeneesheer, die hem voldoende geschikt verklaart voor het uitoefenen van zijn functie van commissaris. Onder het luik F van de kaart van medisch onderzoek (“Aanwijzingen van de arbeidsgeneesheer in verband met de arbeidsomstandig- heden”) wordt gesteld wat volgt : “Geschikt bij hervatting op 1 maart
- Voorlopig ongeschikt voor veiligheidsfunctie - rijden met wagen in professioneel verband”). Onder luik G (“Opmerkingen”) wordt gesteld wat volgt: “Wat betreft oriëntatie m.b.t. uit te voeren taken is overleg met de zonechef noodzakelijk”. 1.
- Op 1 maart 2002 biedt verzoeker zich op het commissariaat aan voor werkhervatting, maar hij wordt volgens zijn eigen verklaring opnieuw naar de arbeidsgeneesheer gestuurd. De arbeidsgeneesheer verklaart verzoeker opnieuw voldoende geschikt voor het uitoefenen van zijn functie, met dien verstande dat hij (opnieuw) voorlopig ongeschikt wordt verklaard voor “veiligheidsfunctie + rijden met wagen in professioneel verband”; onder het luik “Opmerkingen” wordt thans gesteld: “Op medisch vlak geschikt voor de functie van commissaris, qua oriëntatie op psychosoci- aal vlak is intellectueel-administratief werk aanbevolen”. 1.
- Na kennisname van de kaarten van medisch onderzoek van 15 februari 2002, respectievelijk 1 maart 2002, richt de burgemeester van de gemeente Keerbergen, voorzitter van het politiecollege van de politiezone Boortmeerbeek/Haacht/Keerbergen, waarin de gemeentepolitie van Boortmeerbeek op 1 januari 2002 opgegaan is, op 1 maart 2002 een brief aan de raadgevend geneesheer van de federale politie, met als hoofding “Vervroegde oppensioenstelling wegens medische redenen”. In die brief wordt meegedeeld dat, om juist te kunnen bepalen welke activiteiten verzoeker in het politiekorps kan uitvoeren zonder de werking van het korps te verstoren en zonder gevaar voor zijn eigen gezondheid, het politiecollege het opportuun acht dat hij zich voor een geneeskundig onderzoek bij de raadgevend geneesheer van de federale politie aanbiedt, dat verzoeker in afwachting van dat geneeskundig onderzoek en de beslissing terzake naar huis is gezonden, dat het politiecollege de procedure tot oppensioenstelling om medische redenen wil opstarten en dat het dan ook vraagt verzoeker met het oog hierop aan een onderzoek te onderwerpen. IX-4817-3/14 1.
- Met een brief van 12 april 2002 deelt de raadgevend geneesheer mee wat volgt: “Na medisch onderzoek op 09/04/2002 kan (verzoeker) zijn politie activiteit onmiddellijk hervatten mits volgende restricties: enkel geschikt voor het uitvoeren van intellectueel-administratief werk, geen gewapende diensten, niet rijgeschikt met dienstvoertuig. Deze restricties kunnen na medische evaluatie (6 maand) herzien worden”. 1.
- Op 31 juli 2002 richt de commissaris-korpschef van de politiezone Haacht een brief aan verzoeker met als hoofding “Uw taakomschrijving binnen de politiezone Haacht”, waarin - gewag wordt gemaakt van een probleem betreffende de inzetbaarheid van verzoeker, met name van “een affaire die verzoeker overkwam” waardoor het vertrouwen van personeel, overheid en externe partners in verzoeker een felle deuk heeft gekregen, - een opsomming wordt gegeven van de opdrachten die voorlopig door verzoeker moeten uitgevoerd worden (verdeling van kantschriften, in- en uitschrijven van kantschriften, basisregistratie proces-verbaal, vatten van de feiten conform de ministeriële omzendbrief MFO 3, opvolging onmiddellijke inning, kantschriften, PV e.d., op punt stelling van wetgeving, K.B.’s e.d. in verband met de politie- hervorming en oprichting van de zone, voorbereiding politiecollege en politieraad in een latere fase) en - een door verzoeker na te volgen voorlopige werkwijze wordt bepaald (geen bevelvoering naar personeel toe noch enige operationele bevelvoering; geen externe contacten op (eigen) initiatief, noch telefonisch noch schriftelijk; schriftelijke documenten die intern of extern verspreid worden moeten het visum van de korpschef dragen; alle contacten met personeel, overheid en bevolking geschieden via de korpschef). 1.
- Op 4 november 2002 beslist het politiecollege, op grond van de overweging dat verzoeker per 1 oktober 2002 geen recht op ziektedagen meer heeft, de procedure van in disponibiliteitstelling wegens langdurige ziekte op te starten en zijn wedde vanaf 1 oktober 2002 vast te stellen als een maandelijks wachtgeld van 60 % van het laatste activiteitsloon. Met een brief van 26 november 2002 protesteert verzoeker tegen zijn in disponibiliteitstelling en vraagt hij het politiecollege deze maatregel ongedaan te maken. Hij laat gelden dat de ziekte die hij momenteel doormaakt er gekomen is ingevolge de mensonwaardige omstandigheden waaronder hij vanaf 5 augustus 2002 IX-4817-4/14 diende te werken en die hij gedurende meer dan één maand heeft volgehouden, dat die arbeidsomstandigheden werden beschreven en opgelegd in de nota van 31 juli 2002 betreffende zijn taakomschrijving binnen de politiezone Haacht, dat in een medisch attest van 9 oktober 2002 van zijn behandelend geneesheer-neuropsychiater duidelijk beschreven staat dat zijn huidige ziekte uitsluitend te wijten is aan die werkomstandigheden, en dat -gelet op het duidelijke en ondubbelzinnige verband tussen de mensonwaardige arbeidsomstandigheden en zijn ziekte- zijn in disponi- biliteitstelling volkomen onterecht is. Met een brief van 9 december 2002 antwoordt het politiecollege dat, op grond van de bepalingen van het koninklijk besluit van 30 maart 2001 tot regeling van de rechtspositie van het personeel van de politiediensten (het RPPol), de disponibiliteit van rechtswege ingaat indien het ziektedagencontingent van het personeelslid is opgebruikt en dat het personeelslid na een termijn van zes maanden vanaf zijn in disponibiliteitstelling wordt opgeroepen voor de commissie voor geschiktheid van het personeel van de politiediensten, dat, wat zijn voorlopige taak- omschrijving betreft, het politiecollege van mening is dat deze volledig in het verlengde ligt van de activiteiten die verzoeker ontplooide als politiecommissaris en geïnspireerd werd op de medische restricties die ten opzichte van verzoeker golden (administratief en intellectueel werk), dat de beschreven voorlopige werkwijze grosso modo ook geldt voor de diensthoofden van de zone, dat de beperkingen inzake bevelvoering en externe contacten inherent zijn aan de persoon van verzoeker en werden ingegeven door het voorbehoud dat de overheden en diverse personeelsleden tegenover zijn persoon uitten, en dat het (zoals duidelijk in de nota werd vermeld) een voorlopige taakomschrijving en voorlopige werkwijze betreft die zouden bijgestuurd worden in functie van verzoekers integratie in de zone en de groei van het vertrouwen in zijn persoon. 1.10.
- Met een brief van 1 april 2003 wordt verzoeker opgeroepen om op 15 mei 2003 te verschijnen voor de Commissie voor Geschiktheid van het Personeel van de Politiediensten (hierna: de CGPP). 1.10.
- Met een brief van 26 mei 2003 vraagt de CGPP aan psychiater DILLEN een verslag over de volgende vragen : “
- Lijdt Mr VANDOUSSELAERE aan geestesstoornissen die onverenigbaar zijn met zijn taakomschrijving binnen de politiezone Haacht (zie taakom- schrijving in bijlage).
- Zijn er andere medische gronden die het functioneren in het politiemilieu onmogelijk maken”. IX-4817-5/14 1.10.
- Op 25 september 2003 stelt de psychiater een verslag op waarin hij de gestelde vragen negatief beantwoordt. Volgens de psychiater zou het, ook al zijn er bij verzoeker geen psychiatrische stoornissen aanwezig die hem ongeschikt maken om zijn taak als politiecommissaris (met beperking vanwege zijn visus stoornis tot administratief bureelwerk) te kunnen uitvoeren en is er geen geestesstoornis vastgesteld die onverenigbaar is met zijn taakomschrijving binnen de politiezone Haacht, wel aangewezen zijn verzoeker niet in een kleinere politiezone in te schakelen, daar dit wegens zijn medische beperkingen door zijn collega’s als een extra belasting zal aanzien worden en zijn integratie sterk zal belemmeren. 1.
- Na verzoeker te hebben opgeroepen om op 28 oktober 2003 opnieuw te verschijnen, neemt de CGPP nog dezelfde dag de volgende beslissing : “DE COMMISSIE - na studie van het dossier, - na betrokkene en/of zijn vertegenwoordiger te hebben gehoord, beslist dat betrokkene GEDEELTELIJK GESCHIKT is om de uitvoering van zijn functies te hernemen en verwijst het personeelslid naar de arbeidsgeneesheer die zijn werkhervatting organiseert met de nodige aanpassingen en, in voorko- mend geval, zullen de regels met betrekking tot de herplaatsing of verminderde prestaties wegens ziekte, respectievelijk bedoeld in de artikelen VI.II.85, 1/ en VIII.X.12 tot VII.X.16 (RPPol), worden toegepast. Motivatie : Geen medische redenen voor volledige werkonbekwaamheid.” 1.
- Op 18 november 2003 verklaart de arbeidsgeneesheer verzoeker definitief ongeschikt voor de “veiligheidsfunctie” van commissaris en beveelt hij aan dat verzoeker definitief overgeplaatst wordt naar een werkpost of activiteit die beantwoordt aan de in het luik F van het formulier voor gezondheidsbeoordeling vermelde aanbevelingen, welke luiden als volgt : “Consultatie en advies m.b.t. eventuele hertewerkstelling op vraag van de CGPP in het licht van eventuele werkhervatting. Ongeschikt voor veiligheids- functie - rijden met de wagen in professioneel verband - wapendracht. Tewerk- stelling binnen de politiezone Haacht is niet meer haalbaar. Geschikt voor intellectueel-administratief werk.” 1.
- Op 23 december 2004 beslist de politieraad van de politiezone Haacht verzoeker te pensioneren met ingang van 1 december 2004 en een voorschot van 60% van de laatste activiteitswedde te voorzien. Die beslissing, die het voorwerp uitmaakt van het onderhavig annulatieberoep, wordt als volgt gemotiveerd : IX-4817-6/14 “Overwegende het proces-verbaal van de zitting van 28 oktober 2003 van de commissie voor geschiktheid van het personeel der politiediensten waaruit blijkt dat commissaris M. VANDOUSSELAERE, IN 443461869, gedeeltelijk geschikt verklaard werd om de uitoefening van zijn functies te hernemen en verwezen werd naar de arbeidsgeneesheer; Overwegende dat de genoemde beslissing aan commissaris M. VANDOUSSELAERE betekend werd op 3 november 2003; Overwegende het formulier voor gezondheidsbeoordeling, opgemaakt door arbeidsgeneesheer dr. O. DECKERS op datum van 18 november 2003 en mede- gedeeld op dezelfde datum aan commissaris M. VANDOUSSELAERE, wat bepaalt dat commissaris M. VANDOUSSELAERE ongeschikt is voor het uitoefenen van een veiligheidsfunctie, ongeschikt is voor het rijden met een wagen in professioneel verband en ongeschikt is voor wapendracht; tewerk- stelling binnen de zone Haacht is niet meer haalbaar; betrokkene geschikt is voor intellectueel-administratief werk; Overwegende dat een herplaatsing binnen de zone niet mogelijk was, gelet op het medisch advies en een herplaatsing bij mutatie of detachering enkel mogelijk is op vrijwillige basis; Overwegende dat er vanaf 16 november 2003 geen medische attesten van commissaris VANDOUSSELAERE bij de zone toegekomen zijn; Overwegende dat commissaris VANDOUSSELAERE bij de politiezone Haacht geen aanvragen tot herplaatsing via mobiliteit of detachering ingediend heeft; Gelet op het juridisch advies van hoofdcommissaris jurist Marc DE MESMAEKER van 17 juni 2004; Overwegende dat betrokkene niet wedertewerkgesteld werd bij het verstrijken van de termijn van twaalf maanden die een aanvang neemt op de datum waarop hem kennis werd gegeven van de definitieve beslissing van de commissie voor geschiktheid van het personeel van de politiediensten, waardoor overeenkomstig artikel 117, §3, derde lid van de wet van 14 februari 1961 voor economische expansie, sociale vooruitgang en financieel herstel commissaris M. VANDOUSSELAERE ambtshalve gepensioneerd wordt wegens lichamelijke ongeschiktheid; Overwegende dat betrokkene heden nog niet herplaatst is en er geen lopend dossier bekend is; Overwegende dat de pensionering ingaat de eerste dag van de maand die volgt op het verstrijken van de vermelde termijn; Overwegende dat de termijn verstreek op 4 november 2004; Gelet op de dienstnota DGP/DPS-5286/A-03 van 1 september 2003 van de algemene directie personeel van de federale politie betreffende de oppensioen- stelling wegens ongeschiktheid- voorschot; Gelet op de wet van 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus; (...)”; 2.
- Overwegende dat de verwerende partij aanvoert dat het beroep niet ontvankelijk is omdat het bestreden besluit de rechtspositie van verzoeker niet bepaalt maar deze enkel vaststelt, aangezien artikel 117, § 3, derde lid, van de wet van 14 februari 1961 voor economische expansie, sociale vooruitgang en financieel herstel voorziet in de ambtshalve definitieve pensionering van de ambtenaar die binnen de twaalf maanden na zijn definitieve ongeschiktverklaring met mogelijkheid van wedertewerkstelling, niet wedertewerkgesteld is geworden; dat naar haar oordeel IX-4817-7/14 de bestreden beslissing een declaratief karakter heeft en niet voor vernietiging vatbaar is; Overwegende dat de verwerende partij het beroep voorts ook niet ontvankelijk acht omdat verzoeker nagelaten heeft, hoewel hij sinds 18 november 2003, bij de kennisneming van het formulier gezondheidsbeoordeling, wist dat hij wegens zijn ongeschiktheid voor het uitoefenen van een veiligheidsfunctie, voor het beroepshalve besturen van een wagen en voor wapendracht niet meer binnen de politiezone Haacht tewerkgesteld zou kunnen worden, een herplaatsing bij mutatie of detachering aan te vragen zodat het verstrijken van de termijn van twaalf maanden waarbinnen hij wedertewerkgesteld kon worden derhalve aan zijn eigen nalatigheid te wijten is; 2.
- Overwegende dat de verwerende partij in haar laatste memorie in haar excepties volhardt; dat zij herhaalt dat de oppensioenstelling van verzoeker volgt uit het verstrijken van de wedertewerkstellingstermijn, dat het bestuur te dien aanzien geen enkele discretionaire bevoegdheid heeft maar dat het enkel vaststelt dat de ambtenaar niet binnen de twaalf maanden na zijn ongeschiktverklaring weder- tewerkgesteld werd, hetgeen evenwel niet bepalend is voor de vaststelling van zijn rechtstoestand omdat die door de wet zelf geregeld is; dat zij ook benadrukt dat verzoeker wist dat een wedertewerkstelling in de zone Haacht niet meer mogelijk was, dat het bestuur geen verplichting heeft tot herplaatsen, dat herplaatsing enkel verleend kan worden op aanvraag maar dat verzoeker geen dergelijke aanvraag ingediend heeft, zodat het verstrijken van de termijn van twaalf maanden aan de eigen nalatigheid van verzoeker te wijten is; 2.3.
- Overwegende dat de omstandigheid dat de wetgever zelf vastgesteld heeft dat het verstrijken van de wedertewerkstellingstermijn van twaalf maanden ambtshalve leidt tot het definitief pensioen wegens lichamelijke ongeschiktheid en dat hij daarmee aan het bestuur een gebonden bevoegdheid toegekend heeft, niet belet dat de verwerende partij met het bestreden besluit vastgesteld heeft dat de situatie van verzoeker ingepast moet worden in de regeling van artikel 117, § 3, derde lid, van de wet van 14 februari 1961 en dat de voorwaar- den voor de toepassing van die bepaling vervuld zijn; dat die vaststelling noodzakelijk is om de rechtsverhouding tussen verzoeker en het bestuur correct te bepalen, ook al kan het bestuur daarbij niet anders dan nagaan of de wettelijke voorwaarden vervuld zijn; dat het slechts ten gevolge van de door het bestuur gemaakte vaststelling is dat verzoeker gepensioneerd is geworden; dat verzoeker in zijn eerste IX-4817-8/14 middel precies aanvoert dat de voorwaarden voor de toepassing van die bepaling niet vervuld waren; dat hij zich aldus verzet tegen een administratieve beslissing die wel degelijk zijn rechtstoestand bepaald heeft en dat hij meer bepaald betwist dat de wettelijke regeling op hem toegepast mocht worden; 2.3.
- Overwegende dat de verwerende partij geen rechtsregel aanwijst die verzoeker er zou toe verplichten een aanvraag in te dienen om in een andere betrekking wedertewerkgesteld te worden; dat de herplaatsing van een personeelslid dat medisch ongeschikt is verklaard voor zijn functie krachtens artikel VII.II.86 gebeurt met een discretionaire beslissing van de korpschef; dat het niet indienen van dergelijke aanvraag hem dan ook zijn belang niet ontneemt om zich in rechte te verzetten tegen zijn oppensioenstelling; dat overigens de verwerende partij niet aantoont dat zij, in geval verzoeker wel degelijk een aanvraag voor wedertewerk- stelling had ingediend, over een geschikte betrekking beschikte; 2.
- Overwegende dat de excepties verworpen worden; 3.
- Overwegende dat verzoeker in het eerste middel de schending van artikel 117, § 3, derde lid, van de wet van 14 februari 1961 aanvoert en verwijst naar het gebrek aan feitelijke grondslag van het bestreden besluit; dat hij het middel als volgt adstrueert: de CGPP heeft na het onderzoek van 15 mei 2003 beslist een deskundige aan te duiden om te onderzoeken of verzoeker nog wel medisch geschikt was voor de uitoefening van zijn functie; die deskundige heeft besloten dat er geen psychiatrische stoornissen aanwezig waren die hem ongeschikt maakten om zijn taak als politiecommissaris, beperkt tot administratief bureelwerk, te kunnen uitvoeren; de CGPP heeft, in navolging van dit deskundigenonderzoek, geoordeeld dat verzoeker met enige restricties geschikt was voor zijn functie; uit artikel 117, § 3, derde lid, van de wet van 14 februari 1961 blijkt duidelijk dat de ambtshalve pensionering na het verstrijken van de wedertewerkstellingstermijn enkel mogelijk is wanneer het betrokken personeelslid ongeschikt verklaard is voor de uitoefening van zijn eigen ambt, maar dergelijke beslissing ontbreekt in zijn geval en derhalve is de voorwaarde voor de toepassing van artikel 117, § 3, derde lid, van de wet van 14 februari 1961 niet vervuld; en zo dergelijke beslissing tot ongeschiktverklaring voor de uitoefening van het ambt van commissaris zou kunnen gelezen worden in het verslag van 18 november 2003 van de arbeidsgeneesheer, dan weze daartegen ingebracht dat de arbeidsgeneesheer zich daarover niet kon uitspreken, aangezien enkel de uitdrukkelijk door de wet aangeduide instanties -voor zijn geval verwijst artikel 117, § 2, uitdrukkelijk naar de CGPP- die bevoegdheid hebben; IX-4817-9/14 3.
- Overwegende dat de verwerende partij in haar memorie van antwoord eerst stelt dat het middel, zoals uiteengezet, eigenlijk geen betrekking heeft op de feitelijke grondslag van het bestreden besluit maar op de gevolgde procedure en het vervuld zijn van de wettelijke voorwaarden; dat zij vervolgens betwist dat verzoeker niet ongeschikt verklaard zou zijn om zijn eigen functie -commissaris in de politiezone Haacht- te vervullen, dat de verklaring tot ongeschiktheid genomen zou zijn door de arbeidsgeneesheer en dat de arbeidsgeneesheer daarvoor onbevoegd zou zijn; dat zij ter zake de volgende stelling verdedigt: de CGPP besliste op 28 oktober 2003 dat verzoeker gedeeltelijk geschikt was om de uitvoering van zijn functies te hernemen en zij heeft hem verwezen naar de arbeidsgeneesheer, die reglementair bevoegd is om uit te maken voor welk percentage de ambtenaar het werk kan hernemen, en die daarbij gewezen werd op de eventuele toepassing van de regels betreffende de herplaatsing; aldus heeft de CGPP verzoeker ongeschikt verklaard “wat de volledige uitgevoerde functie van politiecommissaris-korpsoverste betreft” in zoverre de arbeidsgeneesheer, die de concrete arbeidsomstandigheden kent, tot die bevinding zou komen -wat effectief ook gebeurd is- en kan de ongeschiktverklaring “minstens impliciet” in de beslissing van 28 oktober 2003 gelezen worden; ook de omzendbrief GPI van 3 juli 2002 -“Oppensioenstelling wegens lichamelijke ongeschiktheid/Ernstige en langdurige ziekten”- voorziet de mogelijkheid dat een gedeeltelijk ongeschikt verklaard personeelslid op pensioen wordt gesteld; van een delegatie van bevoegdheid door de CGPP aan de arbeidsgeneesheer is dan ook geen sprake en de beslissing van de arbeidsgeneesheer is niets meer dan een uitvoerings- maatregel van de beslissing van de CGPP, hetgeen geen verboden delegatie is; de beslissingen van de CGPP en van de arbeidsgeneesheer zijn niet te aanzien als beslissingen waarop artikel 117, § 2, van de wet van 14 februari 1961 doelt aangezien die bepaling betrekking heeft op beslissingen die rechten op een definitief of tijdelijk pensioen openen, terwijl in dit geval de beslissingen van de CGPP en van de arbeidsgeneesheer een verdere tewerkstelling (intellectueel-administratief werk in een andere zone dan de zone Haacht) mogelijk maakten; artikel 117, § 3, vereist niet dat er een beslissing moet genomen zijn die een recht op tijdelijk pensioen opent, maar is precies toepasselijk wanneer het personeelslid niet definitief ongeschikt is; Overwegende dat de verwerende partij in haar laatste memorie nog benadrukt dat naar haar oordeel de in de beslissing van 28 oktober 2003 vervatte gedeeltelijke geschiktverklaring met verwijzing naar de herplaatsing neerkomt op een ongeschiktverklaring voor de functie van politiecommissaris-korpsoverste, aangezien de arbeidsgeneesheer hem geschikt achte voor de uitoefening van intellectueel en administratief werk en dat toch niet de uitsluitende taak van een politiecommissaris- IX-4817-10/14 korpsoverste kan zijn; dat zij ook herhaalt dat de arbeidsgeneesheer de beslissing van de CGPP nader uitgevoerd heeft aan de hand van de plaatselijke werkomstandig- heden, dat artikel 117, § 2, enkel betrekking heeft op beslissingen die rechten op een definitief pensioen doen ontstaan terwijl in dit geval de CGPP verwezen heeft naar de mogelijkheid van herplaatsing van verzoeker of van verminderde prestaties wegens ziekte; dat zij nu ook stelt dat de omzendbrief GPI van 3 juli 2002, waar hij handelt over de oppensioenstelling van een gedeeltelijk geschikt verklaarde ambtenaar, niets aan de wet toevoegt en dat verzoeker niet bewijst dat hij binnen de politiezone Haacht wedertewerkgesteld had kunnen worden; 3.3.
- Overwegende dat artikel 117, § 1, van de wet van 14 februari 1961, vervangen bij wet van 21 mei 1991, bepaalt dat het vroegtijdig pensioen wegens gezondheidsredenen of lichamelijke ongeschiktheid definitief mag toegekend worden indien de bevoegde medische instantie -voor de politie is dit de CGPP- oordeelt dat het personeelslid definitief ongeschikt is om zijn functie of andere functies waarvoor het bij wege van wedertewerkstelling of wederbenuttiging in een ander ambt dat beter met zijn geschiktheid overeenkomt kan worden aangewezen te vervullen; dat artikel 117, § 3, derde lid, van dezelfde wet het geval regelt waarin de ambtenaar door de bevoegde instantie ongeschikt verklaard is om het eigen ambt uit te oefenen maar wel geschikt om in een ander ambt wedertewerkgesteld te worden; dat die bepaling, ingevoerd bij wet van 21 mei 1991, luidt als volgt : “Indien de betrokkene bij het verstrijken van een termijn van twaalf maanden die een aanvang neemt op de datum waarop hem kennis is gegeven van de definitieve beslissing waarbij hij ongeschikt wordt verklaard voor de uitoefening van zijn ambt doch geschikt verklaard blijft voor de uitoefening van een ander ambt bij wijze van wedertewerkstelling, niet wedertewerkgesteld werd, verkrijgt hij ambtshalve een definitief pensioen wegens lichamelijke ongeschiktheid dat ingaat op de eerste dag van de maand die volgt op het verstrijken van de voormelde termijn.” Overwegende dat de bestreden beslissing toepassing maakt van artikel 117, § 3, derde lid, van de wet van 14 februari 1961; dat die bepaling ervan uitgaat dat de medische controle-instantie besloten heeft dat de ambtenaar wel ongeschikt is voor de uitoefening van het ambt waarin hij tewerkgesteld is, maar dat hij geschikt is voor de uitoefening van een andere betrekking waarin hij bij wijze van wedertewerkstelling aangesteld kan worden; 3.3.
- Overwegende dat met de beslissing van 28 oktober 2003 van de CGPP, hiervoor sub 1.11 geciteerd, verzoeker niet “ongeschikt wordt verklaard voor IX-4817-11/14 de uitoefening van zijn ambt” -met name dat van commissaris van politie in de zone Haacht en niet van commissaris-korpschef zoals de verwerende partij in haar procedurestukken stelt-, maar dat de CGPP hem integendeel “gedeeltelijk geschikt (verklaart) om de uitvoering van zijn functies te hernemen”, met dien verstande dat aan de arbeidsgeneesheer de opdracht gegeven is de nodige aanpassingen aan zijn taken voor te stellen met de toevoeging dat “in voorkomend geval (...) de regels met betrekking tot de herplaatsing of verminderde prestaties wegens ziekte (...) (moeten) worden toegepast”; Overwegende dat die beslissing van de CGPP, nu zij verzoeker niet ongeschikt verklaart voor de eigen functie, niet voldoet aan de voorwaarde die artikel 117, § 3, derde lid, van de wet van 14 februari 1961 vooropstelt om een personeelslid op pensioen te stellen; 3.3.3.
- Overwegende dat de verwerende partij wel aanvoert dat de CGPP impliciet gesteld heeft dat verzoeker ongeschikt is om politiecommissaris in de zone Haacht te zijn; 3.3.3.
- Overwegende dat het gedeeltelijk geschikt verklaren van verzoeker voor de eigen functie evident betekent dat hij ook voor een deel ongeschikt is; dat daaruit evenwel niet zonder meer afgeleid mag worden dat de CGPP, in de hypothese dat de wet haar deze mogelijkheid zou bieden, die gedeeltelijke ongeschiktheid van verzoeker ook daadwerkelijk heeft aangemerkt als een ongeschiktheid die aanleiding geeft tot toepassing van artikel 117, § 3, van de wet van 14 februari 1961; dat hoe dan ook niet aangenomen kan worden dat, bij ontstentenis van uitdrukkelijke wetsbepaling, een bestuur in een aangelegenheid die - aangezien de beslissing van het medisch controle-orgaan de eerste stap vormt naar zijn vroegtijdige oppensioenstelling- voor de betrokken ambtenaar uiterst ingrijpende gevolgen heeft, dergelijke impliciete of stilzwijgend genomen beslissing van het controle-orgaan rechtmatig kan aangrijpen om de administratieve procedure van vervroegde oppensioenstelling op gang te brengen; dat een ministeriële omzendbrief -in dit geval de omzendbrief GPI 23 van 3 juli 2002 van de minister van Binnenlandse Zaken, bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 12 juli 2002-, waarin de regeling van artikel 117, § 3, van de wet van 14 februari 1961 in herinnering gebracht wordt bij de verduidelijking van de gevolgen van een gedeeltelijke geschiktverklaring door de CGPP -punt 13.2- de wettelijke bepalingen niet kan verruimen; IX-4817-12/14 3.3.4.
- Overwegende dat de verwerende partij ook aanvoert dat de beslissing van de CGPP samengelezen moet worden met de beslissing van 18 november 2003 van de arbeidsgeneesheer en dat de beslissingen die de CGPP en de arbeidsgeneesheer in dit geval genomen hebben toch rechtsgeldig zijn, aangezien het geen beslissingen zijn in de zin van artikel 117, § 2, van de wet van 14 februari 1961; 3.3.4.
- Overwegende dat de beslissing tot ongeschiktverklaring, bedoeld in artikel 117, § 3, van de wet van 14 februari 1961, slechts rechtsgeldig is wanneer zij voldoet aan het bepaalde in artikel 117, § 2, van de wet; dat daar bepaald is, ten aanzien van het geval van verzoeker, dat de ongeschiktheid moet vastgesteld worden door de CGPP en dat die bepaling niet toelaat dat deze commissie haar bevoegdheid delegeert; dat, wat de beslissing van de arbeidsgeneesheer betreft, overigens vast- gesteld wordt dat de arbeidsgeneesheer, wanneer hij aan het bestuur voorgesteld heeft dat verzoeker geen “veiligheidsfunctie” meer kan vervullen, dat het daarom niet meer haalbaar is hem in de politiezone Haacht tewerk te stellen maar dat hij wel nog in staat is om “intellectueel-administratief werk” te verrichten, geen echte beslissing genomen heeft die de rechtstoestand van verzoeker onmiddellijk heeft bepaald, aangezien de arbeidsgeneesheer in zaken als de onderhavige optreedt als adviserend orgaan van het bestuur in het kader van het onderzoek bij werkhervatting zoals dat geregeld is door het koninklijk besluit van 28 mei 2003 betreffende het gezondheids- toezicht op de werknemers; dat de omstandigheid dat de CGPP in haar beslissing die specifieke bevoegdheid van de arbeidsgeneesheer in herinnering brengt gewis uitermate nuttig is aangezien hij dichtbij de betrokken concrete werksituatie opereert en aldus, beter dan de CGPP, zicht heeft op de concrete werkomstandigheden van de ambtenaar en de organisatorische mogelijkheden van het betrokken bestuur, maar dat zulks zeker niet als een delegatie van enige beslissingsbevoegdheid mag worden gezien; dat de beslissing van 28 november 2003 van de arbeidsgeneesheer dan ook geen besluit is waarbij rechtsgeldig de ongeschiktheid van verzoeker in de zin van artikel 117, § 3, vastgesteld werd; 3.3.
- Overwegende, besluitend, dat de verwerende partij verzoeker, bij ontstentenis van een rechtsgeldige beslissing waarbij verzoeker ongeschikt werd verklaard voor de uitoefening van zijn betrekking van commissaris in de lokale politiezone Haacht maar geschikt voor verdere tewerkstelling in een andere betrekking, niet op vervroegd pensioen wegens lichamelijke ongeschiktheid kon plaatsen; dat het middel gegrond is, IX-4817-13/14 BESLUIT: Artikel
- Vernietigd wordt het besluit van 23 december 2004 van de politieraad van de politiezone Boortmeerbeek/Haacht/Keerbergen waarbij Marc VAN DOUSSELAERE op pensioen wordt gesteld met ingang van 1 december 2004 met 60 % van zijn laatste activiteitswedde. Artikel
- De kosten van de vordering tot schorsing en van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 350 euro, komen ten laste van de verwerende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op tien april 2000 en zes, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. J. DE BRABANDERE, voorzitter van de Raad van State, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, E. BREWAEYS, staatsraad, W. GEURTS, griffier. De griffier, De voorzitter, W. GEURTS. J. DE BRABANDERE. IX-4817-14/14 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.157.447 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.145.137 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.