← België

Arrest 157448 - - 10/04/2006

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 10 april 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.157.448 Rolnummer: A. 161453/IX-4844 Zaak: Arrest 157448 - - 10/04/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-04-20 Raadplegingen: 61 - laatst gezien 2026-06-30 17:05 Fiche Arrest nr 157.448 van 10 april 2006 - Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 157.448 van 10 april 2006 in de zaak A. 161.453/IX-

  1. In zake : Wim SONNEVILLE, die woonplaats kiest bij advocaat P. CRISPYN, kantoor houdende te MARIAKERKE, Mazestraat 16 tegen : De Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken, die woonplaats kiest bij de Federale Politie DGP/DPS, gevestigd te BRUSSEL, Fritz Toussaintstraat
  2. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Wim SONNEVILLE op 4 april 2005 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van de beslissing van 8 februari 2005 van de directeur-generaal Personeel van de federale politie waarbij hem op 14 februari 2005 de hoedanigheid van aspirant-inspecteur van politie wordt ontnomen; Gelet op het arrest nr. 146.733 van 27 juni 2005 waarbij de schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit wordt bevolen; Gezien het verzoek tot voortzetting van de rechtspleging ingediend op 25 juli 2005 door de verwerende partij; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door adjunct-auditeur St. DE TAEYE; IX-4844-1/10 Gelet op de beschikking van 30 november 2005 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories; Gelet op de beschikking van 26 januari 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 6 maart 2006; Gehoord het verslag van staatsraad A. VANDENDRIESSCHE; Gehoord de opmerkingen van advocaat P. CRISPYN, die verschijnt voor de verzoekende partij, en van adviseur E. VAN ROSSEM, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur St. DE TAEYE; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  3. Overwegende dat verzoeker op 6 oktober 2003 de opleiding van aspirant-inspecteur van politie aangevangen heeft aan de Oost-Vlaamse politie- academie (OPAC); dat hij op het einde van zijn opleiding, in de eerste zittijd, de volgende punten behaalde: voor zijn dagelijks werk/studie 2459 punten op 4000 (61%), voor zijn dagelijks werk module A/fysieke en mentale training 238/400 (60%) en voor zijn dagelijks werk module B/geweldbeheersing 299/400 (75%); voor zijn “professioneel functioneren” -de eindevaluatie van de opleider en van de mentor- globaal 525/800 (66%) en voor zijn eindexamen globaal 537,8/1000 (54%), opgesplitst in 166,3/300 voor het schriftelijk examen, 188/400 voor het mondeling examen en 183,5/300 voor de praktische proef die bestond uit een “functioneel parcours” en een “rollenspel”; dat hij op basis van die uitslag naar de tweede zittijd verwezen is voor drie vakken (PV, portfolio en rollenspel geweldbeheersing); dat de examenjury op 16 november 2004 vastgesteld heeft wat volgt : “Op 16 november 2004 is de examenjury samengekomen om zich te beraden over de resultaten van de eindexamens na de 2de aanmelding van de aspiranten uit de 86e promotie AINP (opleiding gestart in oktober 2003). De examenjury heeft geval per geval beraadslaagd over de dossiers van de aspiranten (...) en heeft beslist als volgt : IX-4844-2/10 Sonneville Wim (44-61576-61) Betrokkene mislukte voor de eerste zittijd met een zwakke totaalscore van 538 punten op 1000, en met 4 tekorten. De tweede zittijd leverde een zeer bescheiden verbetering op, behalve voor de portfolio, waar de aspirant nu nog minder punten behaalde. Beslissing : De jury stelt voor de aspirant definitief af te wijzen. Motivering : De aspirant is niet geslaagd voor het eindexamen. De examencommissie stelt vast dat het zwakke resultaat in grote mate zijn oorzaak vindt in een onvol- doende inspanning. De aspirant komt gemakzuchtig over, en overschat zichzelf. Dit tracht hij te verdoezelen door een neerbuigende houding t.a.v. de examen- commissie. De jury is van oordeel dat deze aspirant niet aan het profiel van de inspecteur van politie voldoet.” Overwegende dat verzoeker op 17 december 2004 tegen de beslissing van de examencommissie bij de directeur van OPAC een verweerschrift ingediend heeft; dat de directeur-generaal Personeel van de Federale Politie op 8 februari 2005 dan, na kennisgenomen te hebben van de uitslag van verzoeker, van het verweerschrift en van het antwoord van “de school” daarop, besloten heeft “met toepassing van artikel IV.II.44.4/ van het (koninklijk besluit van 30 maart 2001 tot regeling van de rechtspositie van het personeel van de politiediensten) (RPPol) en van artikel 53 van (het koninklijk besluit van 20 november 2001 betreffende de basisopleiding van de personeelsleden van het operationeel kader) (aan verzoeker) de hoedanigheid van aspirant-inspecteur op datum van 14 februari 2005 te ontne- men”; dat deze beslissing, die het voorwerp vormt van de onderhavige vordering, luidt als volgt : “ONDERWERP Ontneming van de hoedanigheid van aspirant inspecteur SONNEVILLE Wim na het mislukken voor het eindexamen. Referenties :
  4. KB van 30 maart 2001 tot regeling van de rechtspositie van het personeel van de politiediensten. 2 Art. 53 van KB van 20 november 2001 betreffende de basisopleiding van de personeelsleden van het operationeel kader.
  5. Brief OPAC dd. 16.11.
  6. Verzoek tot gehoord te worden SONNEVILLE Wim dd. 26.11.2004
  7. Verweerschrift SONNEVILLE Wim dd. 21.12.2004
  8. Bijkomend advies op verweerschrift van OPAC dd. 14.01.2005 Dossierbeheerder: Adviseur Peter TIMBAL Tel (...) Deze nota richt zich tot : Aspirant inspecteur SONNEVILLE Wim (44-61576-61)
  9. AINP SONNEVILLE Wim begon op 06-10-2003 aan de opleiding voor aspirant-inspecteur aan OPAC.
  10. Betrokkene behaalde op het eindexamen in eerste zit 538/1000 en in 2de zit 545,8/1000 daar waar een minimum van 600/1000 vereist was. Hoewel hij in eerste zit niet slaagde voor 6 vakken diende betrokkene er slechts 4 opnieuw af te leggen namelijk ‘examen PV’, ‘portfolio’ en ‘rollenspel en geweldbeheersing 1 en 2’. Voor portfolio werd zijn tekort door de tweede zit enkel maar groter. IX-4844-3/10
  11. In zijn schrijven vermeld in ref 3 stelt de examenjury voor aan DGP om een beslissing van definitieve mislukking te nemen aangezien de zwakke score in grote mate haar oorzaak vindt in onvoldoende inspanning. Men beschrijft AINP SONNEVILLE als een persoon die zichzelf overschat die gemakzuchtig is en dit tracht te verdoezelen door een neerbuigende houding t.a.v. de examencommissie.
  12. In zijn verweerschrift vermeld in ref 5 verklaart betrokkene zich niet akkoord met de genomen beslissing; hij stelt dat de motivatie noch in rechte, noch in feite is opgesteld. Hij is niet akkoord met de gebruikte terminologie door de examenjury en zegt dat deze niet in verband kan worden gebracht met zijn behaalde punten. Verder stelt hij dat: - de opmerking over zijn gemakzuchtig gedrag volledig contradictorisch is met zijn eerlijkheid, integriteit en goede ingesteldheid; - hij zich beledigd voelt; - er geen materiële elementen kunnen aangevoerd worden die de visie van de examenjury staven; - de negatieve evaluatie van de opleider VANHENDEN G. haaks staat op deze van de mentor van de stageplaats van betrokkene; - zijn eindtotaal 60 % is en hij aldus geslaagd dient te zijn;
  13. In haar bijkomend advies naar aanleiding van het verweerschrift repliceert de school dat: - betrokkene zijn score op het eindexamen eerste zittijd 54 % was; - hij in zijn argumentatie met betrekking tot de functie van de opleider, zijn gemakzuchtige houding enkel maar bevestigt; - hij het belang van het onderdeel “portfolio” onvoldoende inschat; - betrokkene de oorzaak van zijn mislukking bij anderen legt.
  14. Na lezing van het dossier, het verweerschrift, de punten van 2de zit van betrokkene en de repliek van het OPAC en overwegende dat - betrokkene in beide zittijden geen 60 % behaalde op zijn eindexamen zoals vereist in punt 2 van het artikel vermeld in ref 2; - er verder geen argumenten in het verweerschrift staan welke de visie van de jury in vraag kunnen stellen; sluit ik mij aan bij de mening van de school en wordt AINP SONNEVILLE Wim, met toepassing van artikel IV.II.44.4/ van het KB in Ref 1 vermeld en van artikel 53 van KB in Ref 2 vermeld, de hoe- danigheid van aspirant inspecteur op datum van 14 februari 2005 ontno- men”; 2.
  15. Overwegende dat verzoeker in het eerste middel de schending aanvoert van de formele motiveringsverplichting en van het “redelijkheidsbeginsel in relatie tot het gelijkheidsbeginsel”; dat hij betoogt dat het bestreden besluit steunt op de vaststelling dat verzoeker geen 60% van de punten behaalde op zijn eindexamen zoals vereist door artikel 53 van het koninklijk besluit van 20 november 2001, dat het verweerschrift van verzoeker geen argumenten bevat die de visie van de examenjury in vraag kunnen stellen; dat hij daar tegenover stelt dat artikel IV.II.44 RPPol voorschrijft dat de directeur-generaal personeel beslist over het overdoen van de basisopleiding of over de definitieve afwijzing “overeenkomstig de nadere regels vervat in het algemeen studiereglement” en dat het algemeen studiereglement, het IX-4844-4/10 ministerieel besluit van 24 oktober 2002, in artikel 7 bepaalt dat de examenjury een gemotiveerd advies verstrekt over het overdoen van de opleiding dan wel de definitieve afwijzing; dat hij dan concreet betoogt dat in zijn geval noch het bestreden besluit noch het advies van de examenjury deugdelijk verantwoorden waarom hij geen herkansing kon krijgen, nu die stukken hem niet in staat stellen er zich nuttig tegen te verzetten en de legaliteitscontrole van de rechter beletten; dat zulks naar zijn oordeel het geval is met het advies van de examenjury, aangezien “een beperkte zoektocht” naar de reden van zijn niet-slagen in het eindexamen, te weten “zijn beweerdelijk onvoldoende inspanning” geen motivatie vormt voor het weigeren van een herkansing en aangezien de vaststelling dat hij zich neerbuigend zou gedragen hebben tegenover de examencommissie - vaststelling die hij overigens formeel betwist - evenals de vaststelling dat hij niet voldoet aan het profiel van inspecteur, door geen enkel concreet gegeven wordt gestaafd; dat hij zich in dat verband ook afvraagt hoe de examenjury ertoe kan komen te stellen dat de examencommissie vastgesteld heeft dat zijn slecht resultaat het gevolg is van onvoldoende inspanning en erop wijst dat de examencommissie hem op 16 november 2004 medegedeeld heeft dat zijn dossier naar de examenjury verwezen werd omdat hij “onvoldoende vooruitgang” gemaakt heeft in de tweede zittijd, waardoor het in het geheel niet duidelijk is op grond waarvan de examenjury heeft kunnen aannemen dat hij gemakzuchtig zou zijn of dat hij zich tegen de commissie neerbuigend opgesteld zou hebben; dat hij ten slotte de verwijzing naar gemakzucht en onvoldoende inspanning relateert aan de eindevaluatie van 20 september 2004 van zijn opleider, waarin deze zich wel zorgen maakt over de “gemakzuchtige houding” van verzoeker, maar die opinie als basis voor het bestreden besluit verwerpt omdat die opleider hem uiteindelijk toch een score van 60 op 100 heeft gegeven en omdat die bedenkingen niet te verzoenen zijn met de eindvaluatie, door de mentor, van zijn opleidingsstage, waarin het beeld van “een zelfgenoegzame luiaard met neerbuigende attitudes” volledig wordt tegengesproken; dat hij ook in het bestreden besluit de noodzakelijke motieven voor zijn onmiddellijke definitieve afwijzing niet aantreft, in die zin dat de bestaande reglementering niet voorschrijft dat het behalen van onvoldoende punten op het eindexamen de stopzetting van de opleiding verplicht stelt, terwijl de opgesomde feiten de uitsluiting niet deugdelijk onderbouwen; dat hij daar nog aan toevoegt dat uit het bestreden besluit blijkt dat, na zijn verweerschrift, er door OPAC nog een “bijkomend advies” gegeven is maar dat dit advies hem volledig onbekend is zodat, los van de vaststelling dat de desbetreffende overwegingen inhoudelijk niet deugdelijk zijn, er geen motivering in kan gevonden worden voor het bestreden besluit; IX-4844-5/10 2.
  16. Overwegende dat de verwerende partij in de memorie van antwoord haar argumentatie uit de nota met opmerkingen herhaalt; dat zij uiteenzet wat volgt: uit het bestreden besluit en het administratief dossier blijkt duidelijk dat er een beslissing genomen is over de “definitieve mislukking, aangezien de zwakke score in grote mate haar oorzaak vindt in onvoldoende inspanning”; uit het dossier blijkt dat aan verzoeker herhaalde waarschuwingen werden gegeven maar dat die waarschuwingen niet tot resultaat hebben geleid, dat hem verschillende keren in februari en maart 2004 gewezen werd op zijn gemakzucht, die tot uiting kwam in zijn resultaten, evenal op de noodzaak om daarin verandering te brengen, dat zijn opleider in september 2004 zijn luiheid aan de kaak gesteld heeft en dat dezelfde opleider in zijn verslag van 20 september 2004 over het professioneel functioneren van verzoeker duidelijk zijn mening over verzoeker heeft neergeschreven; rekening houdend met al die gegevens kon de examenjury er terecht van uitgaan “dat verzoeker, aangezien hij tot voor de bestreden beslissing geen inspanningen heeft geleverd, hij dit ook niet zou doen bij het overdoen van de basisopleiding”; 2.
  17. Overwegende dat verzoeker in zijn memorie van wederantwoord benadrukt dat het advies van de examenjury moet slaan op de mislukking enerzijds en op het eventueel overdoen van de opleiding anderzijds en dat het als zodanig uit twee onderscheiden delen moet bestaan, wat hier niet het geval is aangezien de motivering om de opleiding niet over te doen gezocht moet worden in de motivering van zijn mislukking; dat hij ook herhaalt dat het bestuur zowel de positieve als de negatieve elementen bij het beoordelen van zijn kunnen moet betrekken zodat de verwijzing naar zijn “onvoldoende inspanning” geen steun vindt in het dossier en dat hij opnieuw betwist dat hij een neerbuigende houding tegenover de examencommissie tentoongespreid zou hebben; 2.4.
  18. Overwegende dat de besluitvorming met betrekking tot de definitieve afwijzing van de politieambtenaar die de basisopleiding van het basiskader volgt, geregeld wordt door de volgende bepalingen : - artikel IV.II.44 RPPol : “De minister of de directeur-generaal door hem aangewezen beslist over : (...) 3/ het overdoen van de basisopleiding of een deel ervan, overeenkomstig de nadere regels vervat in het algemeen studiereglement; 4/ de definitieve afwijzing, tijdens of op het einde van de basisopleiding, overeenkomstig de nadere regels vervat in het algemeen studiereglement”; IX-4844-6/10 - artikel 56 van het koninklijk besluit van 20 november 2001 betreffende de basisopleidingen van de personeelsleden van het operationeel kader van de politiediensten en houdende diverse overgangsbepalingen : “In voorkomend geval verstrekt de jury op het einde van de basisopleiding een gemotiveerd advies met betrekking tot de in artikel IV.II. 44, 3/ en 4/ bedoelde mogelijkheden, op basis van : 1/ het verslag van het professioneel functioneren op het ogenblik van het afleggen van het eindexamen; 2/ het verslag over het dagelijks werk op het ogenblik van het afleggen van het eindexamen en van het puntencijfer voor het eindexamen; 3/ het in artikel 52, vierde lid, bedoelde algemeen beoordelingscijfer”; - artikel 57 van hetzelfde besluit : “Wanneer nodig vraagt de jury een bijkomend advies aan het pedagogisch omkaderingspersoneel van de betrokken politieschool”; - artikel 7 van het ministerieel besluit van 24 oktober 2002 houdende het algemeen studiereglement betreffende de basisopleidingen van het personeel van het operationeel kader van de politiediensten : “De jury verstrekt haar gemotiveerd advies met betrekking tot de in artikel IV.II. 44, 3/ en 4/, RPPol bedoelde mogelijkheden aan de directeur-generaal en bezorgt een kopie van dit advies aan de betrokkene. Het in het eerste lid bedoelde advies omvat een individuele nota met de motivering van het mislukken en een advies over het eventueel overdoen van het geheel of een deel van de basisopleiding”; 2.4.
  19. Overwegende dat buiten betwisting staat dat verzoeker niet geslaagd is in de opleiding omdat hij, in strijd met artikel 53 van het koninklijk besluit van 20 november 2001, op het einde van zijn opleiding geen 60% behaalde voor het puntencijfer van het eindexamen; Overwegende dat het algemeen studiereglement, vastgesteld bij het ministerieel besluit van 24 oktober 2002, geen opsomming bevat van de gevallen waarin de minister of zijn aangestelde de aspiranten die door de jury niet geslaagd zijn bevonden definitief afwijst, dan wel toelaat de basisopleiding of een deel ervan over te doen; dat de betrokken overheid derhalve op dat vlak een zeer ruime discretionaire bevoegdheid bezit; dat zij voor het treffen van haar beslissing wel een aanknopingspunt zal vinden in het door artikel 7 van het ministerieel besluit van 24 oktober 2002 voorgeschreven advies, dat specifiek betrekking moet hebben op het eventueel overdoen van het geheel of van een deel van de basisopleiding; IX-4844-7/10 2.4.3.
  20. Overwegende dat in het kader van de vraag naar de schending van de formele motiveringswet, nagegaan moet worden of het bestreden besluit op afdoende wijze uiteenzet waarom de verwerende partij aan verzoeker de mogelijk- heid ontzegt om de opleiding geheel of gedeeltelijk over te doen; 2.4.3.
  21. Overwegende dat het bestreden besluit verwijst naar de beslissing van 16 november 2004 van de examenjury, waarin deze adviseert verzoeker definitief af te wijzen omdat zijn zwak resultaat in grote mate veroorzaakt is door een “onvol- doende inspanning”, omdat verzoeker “gemakzuchtig” overkomt en zichzelf overschat en omdat hij “dit tracht te verdoezelen door een neerbuigende houding t.a.v. de examencommissie”, zodat hij niet beantwoordt aan het profiel van een inspecteur van politie; dat het bestreden besluit ook verwijst naar een “bijkomend advies (...) van de school”, maar dat dergelijk advies, dat buiten het reglementair kader valt, evident de eventuele leemten van het advies van de examenjury niet kan goedmaken; Overwegende dat de examenjury in haar besluit van 16 november 2004 niet formeel uiteengezet heeft waarom zij van oordeel was dat verzoeker de opleiding niet kon overdoen; dat de formulering van haar advies er evenwel geen twijfel over laat bestaan dat zij een definitieve afwijzing voorstelt, wat impliceert dat, voor haar, het overdoen van de opleiding niet in overweging genomen kan worden; dat verzoeker, bij de kennisneming van dat advies, er niet heeft kunnen aan twijfelen dat de examenjury hem geen tweede kans gunde; dat in die omstandigheden, aan- genomen wordt dat het advies voldoet aan artikel 7 van het ministerieel besluit van 24 oktober 2002; 2.4.3.
  22. Overwegende aldus dat het middel, in zoverre het steunt op de schending van de formele motiveringswet, niet gegrond is; 2.4.4.
  23. Overwegende dat verzoeker ook van oordeel is dat noch het bestreden besluit, noch het advies van de examenjury deugdelijk verantwoorden waarom hij geen herkansing kon krijgen; 2.4.4.
  24. Overwegende dat de Raad van State met verzoeker vaststelt dat de examencommissie -het college dat het eindexamen van de aspiranten afneemt- wel vastgesteld heeft dat verzoeker tijdens de tweede zittijd voor de drie vakken die hij opnieuw moest afleggen “onvoldoende vooruitgang” gemaakt heeft, maar dat die commissie niet verwijst naar de neerbuigende houding die zij bij verzoeker zou IX-4844-8/10 ondervonden hebben, terwijl de examenjury -een anders samengesteld college- evident die vaststelling in de plaats van de examencommissie niet kan maken; dat dit motief dan ook de conclusie van de examenjury niet deugdelijk kan onderbouwen; 2.4.4.
  25. Overwegende dat de andere motieven waarop de examenjury haar advies steunt betrekking hebben op de houding waarvan verzoeker tijdens de opleiding blijk gegeven heeft; dat de houding van verzoeker die in het advies van de examenjury beschreven wordt -en die blijkens de uiteenzetting in de memorie van antwoord in wezen teruggaat naar de bevindingen en de beoordelingen die de klasbegeleider/opleider in de loop van de opleiding over verzoeker heeft gemaakt en de raadgevingen die hij hem heeft gegeven- gewis een reden kan zijn om een aspirant definitief af te wijzen, maar dat zulks niet mag gepaard gaan met het negeren van de gegevens van het dossier die in het voordeel van de betrokkene pleiten en die eventueel een hervatting van de opleiding zouden kunnen verantwoorden; 2.4.4.
  26. Overwegende dat in dit geval vastgesteld wordt dat de verslagen die in de loop van de opleiding over de voortgang van verzoeker zijn opgesteld, niet eenduidig zijn; dat aldus verzoeker er terecht op wijst dat de evaluatie opgesteld door de mentor na zijn opleidingsstage een geheel ander beeld van hem geeft dan hetgeen uit de evaluaties van de opleider naar voren komt; dat verzoeker er even terecht op wijst dat zelfs het evaluatieverslag van de klasbegeleider-opleider niet geheel negatief is, in die zin dat hij voor zijn professioneel functioneren toch een score behaalt van 63 punten op 100 -enkel de rubrieken 13 en 20 krijgen een beoordeling die beneden het gewone ligt- en dat de evaluator zelf nog verhoopt dat hij tijdens de stage “zijn storende gemakzuchtige houding” zal laten varen, hetgeen verzoeker blijkbaar ook bewaarheid heeft, gelet op de evaluatie die hij van de mentor heeft gekregen; Overwegende aldus dat het dossier gegevens bevat die een minder negatief beeld van verzoeker opleveren; dat niet blijkt waarom de examenjury, ondanks die positieve gegevens, het toch onmogelijk achtte verzoeker een tweede kans te geven; dat zelfs niet blijkt dat de examenjury die gegevens in haar besluitvor- ming betrokken heeft; dat in die zin de conclusie van de examenjury en van de directeur-generaal Personeel niet deugdelijk verantwoord wordt zodat het middel gegrond is, BESLUIT: Artikel
  27. IX-4844-9/10 Vernietigd wordt de beslissing van 8 februari 2005 van de directeur-generaal Personeel van de federale politie waarbij Wim SONNEVILLE op 14 februari 2005 de hoedanigheid van aspirant-inspecteur van politie wordt ontnomen. Artikel
  28. De kosten van de vordering tot schorsing en van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 350 euro, komen ten laste van de verwerende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op tien april 2000 en zes, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. J. DE BRABANDERE, voorzitter van de Raad van State, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, E. BREWAEYS, staatsraad, W. GEURTS, griffier. De griffier, De voorzitter, W. GEURTS. J. DE BRABANDERE. IX-4844-10/10 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.157.448 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.146.733 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.