← België

Arrest 157451 - - 10/04/2006

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 10 april 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.157.451 Rolnummer: A. 69836/IX-1388 Zaak: Arrest 157451 - - 10/04/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-04-20 Raadplegingen: 58 - laatst gezien 2026-06-30 17:06 Fiche Arrest nr 157.451 van 10 april 2006 - Beslissing : Vernietiging Depersonalisatie Kantmelding Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 157.451 van 10 april 2006 in de zaak A. 69.836/IX-

  1. In zake : XXXX, die woonplaats kiest bij advocaat P. VERLOOY, kantoor houdende te KESSEL-LO, Kapellekensweg 4 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Pensioenen. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat XXXX op 12 juli 1996 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van de beslissing van 14 mei 1996 van de commissie van beroep voor vergoedingspensioenen waarbij uitspraak wordt gedaan over zijn beroep tegen de beslissing van 17 maart 1993 van de commissie voor vergoedingspensioenen; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur R. VANDER ELSTRAETEN; Gelet op de beschikking van 21 september 1998 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories; Gelet op de beschikking van 18 januari 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 6 maart 2006; Gehoord het verslag van staatsraad A. VANDENDRIESSCHE; IX-1388-1/8 Gehoord de opmerkingen van advocaat P. VERLOOY, die verschijnt voor de verzoekende partij, en van eerste attaché van Financiën J. HEEMERYCK, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het andersluidend advies van eerste auditeur-afdelings- hoofd R. VANDER ELSTRAETEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  2. Overwegende dat de gegevens van de zaak kunnen worden samengevat als volgt: 1.
  3. XXXX (/17 juni 1942), adjudant-chef bij de rijkswacht, vraagt op 21 mei 1990 een invaliditeitspensioen aan wegens rugklachten en een kwetsuur aan de linkervoet. De rugklachten zouden te wijten zijn aan de jarenlang belastende dienst bij het leger en de rijkswacht. Bovendien had betrokkene op 13 mei 1990 een dienstongeval: bij het optillen van een zwaar beeld kreeg hij plots hevige rugpijn waardoor hij het voorwerp moest loslaten en het op zijn linkervoet terecht kwam. 1.
  4. Op 17 maart 1993 verwerpt de commissie voor vergoedings- pensioenen de pensioenaanvraag. Het dienstongeval van 13 mei 1990 wordt erkend doch het letsel aan de linkervoet is genezen zonder sekwellen. Wat de rugletsels betreft is de beslissing als volgt gemotiveerd : “Aanzoeker vraagt een pensioen voor discus-hernia, eerste pijnen in 87, te wijten aan belastende diensten tijdens 30-jarige loopbaan bij leger en rijkswacht (doc.Ia). In het etiologisch blad is er regelmatig sprake van lumbago in 1987 en 1989, op 13 december 1989 hernia (Doc. IIIc). De expert geeft 20% maar trekt die terug af daar hij zegt dat de symptomato- logie van discus-hernia geleidelijk is ontstaan zonder dat hiervoor een belangrijk etiologisch moment kon aangewezen worden, dus niet aanrekenbaar. Dienvolgens sluit de Commissie zich hierbij aan en verwerpt de kwaal nummer 1.” 1.
  5. Verzoeker tekent tegen deze beslissing op 11 mei 1993 hoger beroep aan. Hij is van oordeel dat de discushernia zich in de loop der jaren langzaam ontwikkeld heeft ten gevolge van zijn beroepswerkzaamheden maar dat de hernia IX-1388-2/8 zich acuut gemanifesteerd heeft na zijn ongeval van 13 mei 1990 zodat het redelijk is de invaliditeit op 20% te bepalen of minstens de aftrek tot 10% te beperken. 1.
  6. In zijn protocol van 14 juli 1994 concludeert het beroepscollege van de Gerechtelijk-Geneeskundige Dienst (hierna: GGDB) : “De Medische Beroepskamer aanvaardt 5% aanrekenbaar, wat opdracht 1 betreft, gezien het arbeidsongeval op 13.05.1990 (gedokumenteerd in het dossier - document IIb). Tevens houden we rekening met het klinisch onderzoek. In het etiologisch blad is er regelmatig sprake van lumbago in 1987 en 1989; op 13 december 1989 hernia (document IIIc). Wat opdracht 2 betreft, sluiten we ons aan bij het besluit van de expertise in eerste aanleg (collega BIJTTEBIER, 10.01.1991).” Blijkens het origineel verslag, dat in het administratief dossier neergelegd is, heeft de GGDB bij de schatting van de invaliditeit volgende criteria gehanteerd : “- letsel 1 (sekwellen discushernia L4 - L5): - globale schatting: 20% (art 316) - aftrek voor vreemde factoren: - vroegere : 15%

(31a)- gelijktijdige : 0%
(31b)- latere : niets vermeld - aanrekenbaar in % : 5. - letsel 2 : (Indeukingsfractuur grote teen links) - globale schatting : 0% - aanrekenbaar in % : 0”. Blijkens de kopie van het verslag, die door verzoeker wordt voorgelegd, heeft de GGDB de aftrek voor vreemde factoren als volgt opgesplitst : “ - vroegere vreemde factoren : 5%
(31a)- gelijktijdige vreemde factoren : 10%
(31b)”. 1.
  1. Op 17 oktober 1995 zendt de raadsman van verzoeker de com- missie van beroep een aanvullende conclusie en een verslag van Dr. BECHTHOLT toe. In dat verslag zet de geneesheer uiteen dat hij akkoord kan gaan met de vaststelling van de invaliditeit op 20% voor het rugletsel, dat de aftrek van 5% voor vroegere vreemde factoren - vooraf bestaande lumbagiën en het vermoeden van een kleine discushernia op 13 december 1989 - normaal is maar dat de aftrek voor gelijktijdige vreemde factoren “naar analogie met de vroegere vreemde factoren” eveneens op maximaal 5% bepaald mag worden. IX-1388-3/8 1.
  2. In haar beslissing van 14 mei 1996 verklaart de commissie van beroep voor vergoedingspensioenen het beroep ontvankelijk en gegrond. Zij sluit zich aan bij het sub 1.
  3. vermelde advies van de GGDB en bepaalt aldus de invaliditeit voor het eerste letsel op 20% met een vermindering voor vreemde factoren van 15% zodat tot een toerekenbare invaliditeit van 5% wordt besloten, hetgeen onvoldoende is om een pensioen uit te betalen. Het is van deze beslissing dat thans de vernietiging wordt gevorderd. 2.
  4. Overwegende dat verzoeker in het eerste middel de schending aanvoert van de motiveringsverplichting en in het tweede middel de schending van de rechten van verdediging, doordat de bestreden beslissing summier en oppervlakkig gemotiveerd is en geen antwoord bevat op de argumenten aangevoerd in de beroepsakte en in de aanvullende besluiten neergelegd voor de commissie van beroep; dat hij betoogt dat de verwerende partij zich met het bestreden besluit aansluit bij het advies van de GGDB maar niet antwoordt op het geneeskundig verslag van dokter BECHTHOLT dat hij aan de commissie van beroep had voorgelegd; 2.
  5. Overwegende dat de verwerende partij daar op antwoordt wat volgt: verzoeker heeft in zijn beroepsakte en in zijn latere conclusies aangevoerd dat zijn rugproblemen “minstens voor de helft als aanrekenbaar dienen te worden aanvaard”, maar de GGDB was van oordeel dat de rugletsels slechts voor 1/4 aanrekenbaar waren, enerzijds omdat de lumbago uit 1987 en 1989 en de discus- hernia van december 1989 niet aan schadelijke dienstfeiten te wijten waren en anderzijds wegens het dienstongeval van 13 mei 1990; aan de commissie van beroep kan niet verweten worden dat zij in geval van uiteenlopende standpunten de conclusie van de GGDB, het door de wet ingesteld expertise-orgaan, bijvalt en die conclusie is behoorlijk gemotiveerd; 2.
  6. Overwegende dat verzoeker in zijn memorie van wederantwoord uiteenzet dat de commissie van beroep niet regelmatig het bestreden besluit kon steunen op het advies van de GGDB, aangezien het verslag van dokter BECHTHOLT, dat van een latere datum is, aan de GGDB niet bekend was, terwijl het bestreden besluit ook geen afzonderlijk antwoord bevat op de door hem naar IX-1388-4/8 voren gebrachte argumenten; dat hij daar aan toevoegt dat de verwerende partij ook niet uiteenzet waarom de commissie van beroep het medisch verslag van de GGDB verkiest boven het verslag van dokter BECHTHOLT; 2.
  7. Overwegende dat verzoeker in zijn laatste memorie erop wijst dat het “origineel protocol van de beroepskamer van de gerechtelijk-geneeskundige dienst”, dat aan de commissie van beroep werd overgemaakt en waarmee de auditeur-verslaggever bij de redactie van zijn verslag rekening gehouden heeft, “inhoudelijk afwijkt” van het protocol dat aan zijn geneesheer-raadgever werd toegestuurd; dat hij stelt dat in het verslag dat hem werd overgemaakt een onderscheid gemaakt wordt, op het vlak van de aftrek wegens vreemde factoren, tussen vroegere vreemde factoren en gelijktijdige vreemde factoren, dat het verslag van dokter BECHTHOLT daar kritiek op levert, maar dat het bestreden besluit die kritiek onbesproken laat, hetgeen een schending inhoudt van het motiveringsbeginsel en een miskenning van zijn rechten van verdediging; dat hij daar nu aan toevoegt dat de omstandigheid dat de bestreden beslissing steunt op een verslag van de GGDB dat afwijkt van het verslag dat aan hemzelf werd medegedeeld, een bijkomende schending van zijn rechten van verdediging vormt; 2.5.
  8. Overwegende dat de Raad van State in dit geval optreedt als cassatierechter over een beslissing van een administratief rechtscollege; dat hij in het kader van de vraag of het bestreden besluit deugdelijk naar recht verantwoord is, moet nagaan of de commissie van beroep een antwoord gegeven heeft op de argumenten die verzoeker aan die commissie voorgelegd heeft; dat het van belang is daarbij vast te stellen dat verzoeker, hangende zijn zaak voor de commissie van beroep, kennis gekregen heeft van een advies van de GGDB dat verschilt van het advies dat in het administratief dossier neergelegd is en waarop de commissie van beroep haar beslissing gesteund heeft; dat er hem met name is medegedeeld dat de invaliditeit van 20% voor zijn rugklachten verminderd diende te worden met 5% wegens vroegere vreemde factoren en met 10% voor gelijktijdige vreemde factoren, terwijl het origineel van het advies melding maakt van een aftrek van 15% wegens vroegere vreemde factoren; 2.5.2.
  9. Overwegende dat verzoeker met zijn beroep tegen de beslissing van de commissie voor vergoedingspensioenen wenste te verkrijgen dat zijn rugletsel voor de volledige 20% invaliditeit in aanmerking zou worden genomen, meer bepaald IX-1388-5/8 dat er geen aftrek voor vreemde factoren zou gebeuren of minstens dat die aftrek tot 10% herleid zou worden; dat hij zijn stelling voor de commissie van beroep ontwikkeld heeft in functie van het hem bezorgde advies van de GGDB, waarin gesteld was dat er 5% afgetrokken werd voor vroegere vreemde factoren en 10% voor gelijktijdige vreemde factoren; dat met name zijn geneeskundig raadsman aan de commissie van beroep uiteengezet heeft dat er geen reden was om de aftrek voor gelijktijdige vreemde factoren niet evenzeer als de aftrek voor vroegere vreemde factoren op 5% te bepalen; dat zijn advocaat dat standpunt in zijn besluiten overgenomen heeft en erop gewezen heeft dat de aftrek van 10% voor gelijktijdige vreemde factoren “overdreven is, vermits ongetwijfeld de val van het beeld van 30 kg een negatieve invloed heeft gehad op het geheel en de voorafgaand bestaande toestand”; 2.5.2.
  10. Overwegende dat de commissie van beroep noch het verslag van dokter BECHTHOLT, noch het standpunt van verzoeker voor verder advies aan de GGDB overgemaakt heeft; dat het advies van de GGDB dan ook niet geacht kan worden een antwoord te bevatten op die argumentatie; dat de commissaris- verslaggever zijn advies aan de commissie van beroep beperkt heeft tot de vaststelling dat de GGDB 5% weerhoudt voor de discushernia, maar dat dit “onvoldoende is om recht te geven op een pensioen” en dat de commissie van beroep zich uiteindelijk “aansluit bij het advies van de GGDB”; dat, door zich zonder meer aan te sluiten bij het advies van de GGDB en aldus aan te nemen dat de aftrek van 15% volledig aan vroegere vreemde factoren te wijten was, de commissie van beroep de argumentatie van verzoeker, die precies gesteund was op het advies van de GGDB dat hem was medegedeeld, genegeerd heeft; Overwegende dat de verwerende partij ook niet aannemelijk maakt en zelfs niet beweert dat verzoeker totaal zinloos voorhield dat de aftrek voor vreemde factoren in zijn geval opgesplitst kon worden in een aftrek voor vroegere factoren en een voor gelijktijdige factoren en dat zijn bemerkingen terzake derhalve geen antwoord behoefden; dat zij verzoeker ook nooit verwittigd heeft van het feit dat de GGDB de in aanmerking genomen aftrek van 15% gedeeltelijk op andere gronden steunde dan hem was medegedeeld; IX-1388-6/8 2.5.
  11. Overwegende dat verzoeker in zijn beroepsschrift en voor de commissie van beroep een argumentatie ontwikkeld heeft op basis van het hem medegedeelde advies van de GGDB; dat de commissie van beroep die argumentatie in haar besluitvorming moest betrekken; dat uit niets blijkt dat zij dat gedaan heeft, zelfs niet door erop te wijzen dat de argumentatie van verzoeker steunde op een verkeerd advies; dat in die omstandigheden verzoeker terecht aanvoert dat de commissie van beroep geen antwoord geeft op zijn argumenten en inzonderheid op zijn vraag waarom de aftrek voor gelijktijdige vreemde factoren niet tot 5% gereduceerd kan worden; dat in die zin de bestreden beslissing niet deugdelijk volgens de eisen van het recht verantwoord is en het eerste middel gegrond is;
  12. Overwegende dat de verwerende partij in haar laatste memorie vraagt dat, in toepassing van het koninklijk besluit van 7 juli 1997 betreffende de publicatie van de arresten van de Raad van State, de naam van verzoeker niet vermeld zou worden bij de publicatie van het arrest, BESLUIT: Artikel
  13. Vernietigd wordt de beslissing van 14 mei 1996 van de commissie van beroep voor vergoedingspensioenen waarbij uitspraak wordt gedaan over het beroep van XXXX tegen de beslissing van 17 maart 1993 van de commissie voor vergoedingspensioenen. Artikel
  14. Dit arrest zal in de registers van bovenvermelde commissie worden overgeschreven en melding ervan zal worden gemaakt op de kant van de vernietigde beslissing. Artikel
  15. De zaak wordt verwezen naar de anders samengestelde commissie van beroep voor vergoedingspensioenen. IX-1388-7/8 Artikel
  16. Bij de publicatie van dit arrest wordt de identiteit van de verzoekende partij niet opgenomen. Artikel
  17. De kosten van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 99,16 euro, komen ten laste van de verwerende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op tien april 2000 en zes, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. J. DE BRABANDERE, voorzitter van de Raad van State, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, E. BREWAEYS, staatsraad, W. GEURTS, griffier. De griffier, De voorzitter, W. GEURTS. J. DE BRABANDERE. IX-1388-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.157.451 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.