id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 11 april 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.157.466 Rolnummer: A. 171863/XIV-25224 Zaak: Arrest 157466 - - 11/04/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-04-12 Raadplegingen: 64 - laatst gezien 2026-06-30 17:09 Fiche Arrest nr 157.466 van 11 april 2006 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 157.466 van 11 april 2006 in de zaak A. 171.863/XIV-25.224 In zake :
- XXX,
- XXX die woonplaats kiezen bij advocaat A. NAVASARTIAN, kantoor houdende te 1050 BRUSSEL, franklin Rooseveltlaan 156 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken. -------------------------------------------------------------------------------------------------------------- --- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX en XXX, van Armeense nationaliteit, op 7 april 2006 hebben ingediend om bij uiterst dringende noodzakelijkheid de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van de bevelen om het grondgebied te verlaten met beslissing tot terugleiding naar de grens en beslissing tot vrijheidsberoving te dien einde van de minister van Binnenlandse Zaken van 3 april 2006; Gelet op de beschikking van 10 april 2006 waarbij aan de verzoekende partijen het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, inzonderheid op de artikelen 17 en 18; Gezien de nota van de verwerende partij; Gelet op de beschikking van 10 april 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 11 april 2006 om 11.00 uur; Gehoord het verslag van staatsraad C. ADAMS; Gehoord de opmerkingen van advocaat A. HAEGEMAN, die loco advocaat A. NAVASARTIAN verschijnt voor de verzoekende partijen en van advocaat S. DE VRIEZE, die loco advocaat C. DECORDIER verschijnt voor de minister van Binnenlandse Zaken; XIV-25.224-1/5 Gehoord het advies van auditeur M. VAN LIMBERGEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Overwegende dat de verzoekende partijen zich op 27 april 2005 vluchteling hebben verklaard; dat de asielprocedure is afgesloten met een bevestigende beslissing van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 13 februari 2006 tot weigering van verblijf met bevel om het grondgebied te verlaten; dat de verzoekende partijen tegen die beslissing schorsings- en annulatieberoep bij de Raad van State hebben aangetekend, waar de zaak is gekend onder het nummer A/170.637/XIV- 24.870; Overwegende dat de minister van Binnenlandse Zaken op 3 april 2006 een bevel om het grondgebied te verlaten met beslissing tot terugleiding naar de grens en beslissing tot vrijheidsberoving te dien einde heeft gegeven met als motivering: “artikel 7, eerste lid, 1/: verblijft in het Rijk zonder houder te zijn van de vereiste documenten: de betrokkene is niet in het bezit (van) een geldig paspoort voorzien van een geldig visum”; dat dit de thans bestreden beslissing is; 2.
- Overwegende dat krachtens artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineer- de wetten op de Raad van State slechts tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging kan worden besloten onder de drievoudige voorwaarde dat er uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is, dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten akte of verordening kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden akte of verordening een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; 2.2.
- Overwegende, wat de tweede voorwaarde betreft, dat de verzoekende partijen in een enig middel de schending opwerpen van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen en van het redelijkheids- en het gelijkheidsbeginsel als algemene beginselen van behoorlijk bestuur; dat de verzoekende partijen vooreerst aanvoeren dat de verplaatsing van een asielzoeker naar een gesloten centrum en de vrijheidsberoving een uitzonderlijk karakter moeten hebben, dat de overweging dat de verzoekende partijen in een gesloten centrum moeten verblijven tot voor hen een doorlaatbewijs kan worden verkregen nietszeggend is, dat nergens wordt gemotiveerd waarom het verblijf in een gesloten centrum noodzakelijk is voor het verkrijgen van een doorlaatbewijs en dat aldus het redelijkheids- en het zorgvuldigheidsbeginsel zijn geschonden; dat de verzoekende partijen verder aanvoeren dat hun asielaanvraag weliswaar door de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en XIV-25.224-2/5 de staatlozen is verworpen doch dat een beroep bij de Raad van State hangende is en dat zij nog een beroep bij het Europees Hof voor de Rechten van de Mens kunnen indienen, dat de verwijdering van de verzoekende partijen een ernstige belemmering van een daadwerkelijke rechtstoegang betekent, dat de afdeling wetgeving van de Raad van State in haar advies bij het voorontwerp tot hervorming van de Vreemdelingenwet heeft gesteld dat een beroep bij de Raad van State schorsende werking zou moeten hebben en dat de verwerende partij derhalve niet gerechtigd is om een asielzoeker te “deporteren” naar zijn land van herkomst zolang geen definitieve beslissing omtrent de asielaanvraag is genomen; dat de verzoekende partijen tenslotte aanvoeren dat het gelijkheidsbeginsel is geschonden omdat de vrijheidsberoving van asielzoekers op verschillende wijze gebeurt naargelang de plaats waar men verblijft, zonder aan enige reglementering te zijn onderworpen, dat de verzoekende partijen zich in dezelfde situatie bevinden als duizenden andere asielzoekers en honderden andere landgenoten en dat de vraag rijst op grond van welk criterium de enen wel en de anderen niet in een gesloten centrum worden geplaatst; 2.2.
- Overwegende dat de verzoekende partijen zich vooreerst tegen een voorgehouden gebrek aan motivering van hun vrijheidsberoving richten; dat de beoordeling van de vrijheidsberoving prima facie echter niet behoort tot de rechtsmacht van de Raad van State, doch tot deze van de gewone rechtbanken; dat het middel in die mate niet ernstig is; Overwegende dat de verzoekende partijen vervolgens verwijzen naar hun recht op een effectieve rechtstoegang, meer bepaald voor wat betreft de procedure bij de Raad van State tegen de verwerping van hun asielaanvragen; dat de verzoekende partijen dit beroep reeds hebben ingediend zodat zij de rechtsgang effectief hebben kunnen uitoefenen; dat de verzoekende partijen niet uiteenzetten waarom zij zich voor een effectief verder verloop van de procedure, die in essentie schriftelijk is en waarin enkel de wettigheid van de bevestigende beslissing van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen wordt onderzocht, niet zouden kunnen laten vertegenwoordi- gen door hun raadsman; dat het door de verzoekende partijen bedoeld advies van de afdeling wetgeving van de Raad van State prima facie niet dienend is omdat het betrekking heeft op een voorgenomen hervorming van de asielprocedure en niet op de huidige wettelijke regeling; dat de verzoekende partijen over het hoofd zien dat zij niet als “asielzoeker” aan een bevel om het grondgebied te verlaten worden onderworpen, maar wel na de afwijzing van hun asielaanvraag in laatste aanleg omdat zij niet over de vereiste verblijfsdocumenten beschikken; dat het middel in die mate niet ernstig is; Overwegende dat de verzoekende partijen met de algemene verwijzing naar “duizenden andere asielzoekers en honderden landgenoten” prima facie niet aannemelijk maken dat het gelijkheidsbeginsel is geschonden; dat het enkele feit dat andere vreemdelingen, die mogelijkerwijze evenmin over geldige verblijfsdocumenten zouden XIV-25.224-3/5 beschikken en aldus evenmin op wettige wijze op het grondgebied van het Rijk zouden verblijven, (nog) niet aan een overbrenging naar een gesloten centrum zouden zijn onderworpen, prima facie geen schending van het gelijkheidsbeginsel uitmaakt; dat een schending van het gelijkheidsbeginsel immers niet kan worden gesteund op een eigen overtreding van de wet, in casu door het niet beschikken over een geldige verblijfstitel; dat het middel ook in die mate niet ernstig is;
- Overwegende dat niet is voldaan aan de tweede van de door artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State opgelegde voorwaarden; dat deze vaststelling volstaat om het verzoek tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijk- heid af te wijzen, BESLUIT: Artikel
- De vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 350 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op elf april tweeduizend en zes, door : de HH. C. ADAMS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, M. MILOJKOWIC, griffier. XIV-25.224-4/5 De griffier, De voorzitter, M. MILOJKOWIC. C. ADAMS. XIV-25.224-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.157.466 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.