id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 13 april 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.157.541 Rolnummer: A. 168189/XII-4588 Zaak: Arrest 157541 - Personeel van het onderwijs - Aanwerving en loopbaan - 13/04/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-05-03 Raadplegingen: 61 - laatst gezien 2026-06-30 17:12 Fiche Arrest nr 157.541 van 13 april 2006 Openbaar ambt - Personeel van het onderwijs - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 157.541 van 13 april 2006 in de zaak A. 168.189/XII-
- In zake : Alphonse WIJNANTS, die woonplaats kiest bij het Vrij Syndicaat voor het Openbaar Ambt, kantoor houdende te 1050 Brussel, Lang Levenstraat 27-29 tegen : het GEMEENSCHAPSONDERWIJS, vertegenwoordigd door de Scholengroep 16, dat woonplaats kiest bij advocaat G. Van den Eynde, kantoor houdende te Geel, Diestseweg
- ---------------------------------------------------------------------------------------------------- --- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Alphonse Wijnants op 26 november 2005 heeft ingediend om de schorsing te vorderen van de tenuitvoerlegging van de beslissing van 26 september 2005 van de raad van bestuur van de scholengroep 16 waarbij zijn waarnemende aanstelling als directeur van het koninklijk technisch atheneum KTA1 te Hasselt wordt beëindigd; Gezien het gelijktijdig ingediende verzoekschrift, waarbij dezelfde verzoeker de nietigverklaring vordert van dezelfde beslissing; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur D. Mareen; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; Gelet op de beschikking van 14 februari 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 7 maart 2006; XII-4588-1\7 Gehoord het verslag van staatsraad G. van Haegendoren; Gehoord de opmerkingen van verzoeker, en van advocaat S. Cauwenberghs, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur D. Mareen; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Voorgaanden
- Overwegende dat de feiten dienstig voor de beoordeling van de vordering tot schorsing de volgende zijn : Verzoeker fungeert sedert 1 juli 2002 als waarnemend directeur van het KTA1 te Hasselt. Na een klacht van verzoeker omwille van vermeende misbruiken bij werken voor derden, eensdeels, en een klacht van een vakorganisatie omwille van repressief personeelsbeleid en een vermeend frauduleus beleid tegen verzoeker, beslist de verwerende partij een onderzoekscel te belasten met het onderzoek van deze klachten. Het onderzoeksverslag over verzoekers beleid toont zich kritisch, en hij wordt uitgenodigd voor een hoorzitting in het kader van de artikelen 52 en 53 -verwijdering uit het ambt- van het decreet van 27 maart 1991 rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs (hierna: rechtspositiedecreet). Na de hoorzitting stelt de raad van bestuur vast, in een 75 bladzijden tellend document dat ook een omstandig feitenrelaas bevat, dat verzoeker “geen inhoudelijk verweer wenste te formuleren”, antwoordt de raad van bestuur op de vormelijke bezwaren, overweegt hij onder meer “dat uit [het] onderzoeksrapport blijkt dat [verzoeker] niet over de nodige capaciteiten -in het bijzonder wat betreft het personeelsbeleid- beschikt om het ambt van directeur van het KTA 1 Hasselt op volwaardige wijze in te vullen” en beslist hij finaal “de waarnemende aanstelling van de heer Wijnants als directeur van het KTA 1 Hasselt XII-4588-2\7 te beëindigen en de heer Wijnants met ingang van 1 oktober 2005 te verwijderen uit het directieambt van het KTA 1 Hasselt”; Aanwijzing van de verwerende partij
- Overwegende dat verwerende partij ter terechtzitting verklaart, een in de nota geformuleerde opmerking over de aanwijzing van de verwerende partij door verzoeker, niet langer te handhaven; De schorsingsvoorwaarden
- Overwegende dat krachtens artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging kan worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen;
- Overwegende, wat de tweede voorwaarde betreft, dat verzoeker betoogt dat de maatregel op materieel gebied hem verhindert een analoge betrekking te vinden, dat de verwijdering uit zijn ambt “moreel uiterst hard” aan komt omdat hij wordt gekwalificeerd als onbekwaam en inefficiënt zodat zijn reputatie op het spel is gezet, dat de schandvlek zoveel groter is gelet op het welbepaalde ambt waaruit hij wordt verwijderd “zijnde een functie waarmee een grote verantwoordelijkheid gepaard gaat”, dat nochtans het Gemeenschapsonderwijs hem bekwaam acht gezien hij is geslaagd in de voorgeschreven bekwaamheidsproef, dat hij daarenboven zich opnieuw kandidaat heeft gesteld voor de vacant gekomen functie en door de bevoegde selectiecommissie “als eerste en dus meest bekwame werd gerangschikt op 15 november 2005”, dat de zaak persbelangstelling genoot, dat een deel van de lokale bevolking die niet het onderscheid kent tussen tucht- en ordemaatregel welhaast onvermijdelijk tot de conclusie moet zijn gekomen dat hij zich heeft misdragen, dat de omvang van het morele nadeel voorts mede functie is van de graad van immoraliteit waarvan de aangeklaagde onwettigheid getuigt en dat “éénder welke schending” van het beginsel vervat in de rechtsspreuk nemo auditur..., van het recht van verdediging en van de hoorplicht, van het onpartijdigheidsbeginsel of van het beginsel vervat in de rechtsspreuk nemo iudex... noodzakelijkerwijze grof is; XII-4588-3\7 XII-4588-4\7
- Overwegende dat verzoeker niet zoals hij het voorstelt, is verwijderd uit “zijn ambt”; dat hij, wat zijn ambt betreft, immers vastbenoemd leraar is en het blijft; dat hij door de bestreden beslissing niet zijn vaste benoeming in zijn ambt verliest; Overwegende dat verzoeker, die over de nodige bekwaamheids- bewijzen beschikt, evenmin wordt verhinderd een analoge betrekking als directeur te vinden; dat de bestreden beslissing hem niet de mogelijkheid ontneemt om toegelaten te worden tot de proeftijd in het ambt van directeur, noch om in een dergelijke betrekking een waarnemende aanstelling te verkrijgen; dat verzoeker overigens opmerkt door de selectiecommissie andermaal als eerste te zijn voorgedra- gen voor dezelfde aanstelling, hetgeen reeds een begin van morele genoegdoening betekent; Overwegende dat een waarnemende aanstelling uit zijn aard tijdelijk is, zodat wie zulk een betrekking bekleedt steeds rekening ermee moet houden dat er aan de waarnemende aanstelling een einde komt, bij voorbeeld door de terugkeer van de benoemde of, na vacantverklaring, door een nieuwe benoeming; dat wie een waarnemende aanstelling aanvaardt, het verlies van die precaire aanstelling dan ook niet zonder meer als een ernstig nadeel kan doen gelden; dat verzoeker geen uitzonderlijke omstandigheden doet gelden om het voor deze welbepaalde betrekking te dezen anders te zien; dat immers verzoeker eerder recent was aangesteld in de functie en niet beweert, laat staan concreet aantoont, dat de bestreden beslissing een reëel uitzicht op een vaste benoeming in een ambt waarin hij is vergroeid, in de weg staat; dat het ook geen oneer is, om opnieuw effectief het ambt te moeten uitoefenen waarin men is benoemd; Overwegende dat verzoeker wel een relatie ziet tussen de ernst van het nadeel en de hem aangewreven tekortkomingen; dat vooreerst dient opgemerkt dat de bestreden maatregel een ordemaatregel is, en dus geen stelling neemt over een deontologisch falen van verzoeker; dat de Raad voorts vaststelt dat verzoeker het niet nodig vond om voor de raad van bestuur enig inhoudelijk verweer te voeren over de bedoelde tekortkomingen; dat hij nu wel in het vijfde middel van zijn vordering aanvoert, niet te zijn gehoord en niet de mogelijkheid te hebben gekregen om op nuttige wijze inhoudelijk verweer te voeren; dat evenwel de Raad prima facie vaststelt dat verzoeker wel degelijk is gehoord op 7 september 2005 en, meer nog, dat hij in de brief waarbij hij is uitgenodigd voor de hoorzitting een samenvatting kon XII-4588-5\7 lezen van wat uit het onderzoeksverslag zou blijken in verband met zijn beleid en hij vervolgens op 26 augustus 2005 stukken heeft ontvangen, waaronder de twee onderzoeksrapporten; dat het vijfde middel dienvolgens niet ernstig is; dat het onverklaarde stilzitten van verzoeker in de procedure voor de raad van bestuur om ook maar enige poging te ondernemen inhoudelijk te weerleggen wat hem wordt aangewreven, hem niet geloofwaardig maakt in zijn stelling dat precies diezelfde verwijten hem thans een ernstig moreel nadeel toebrengen; Overwegende dat verzoeker de Raad ook nog tracht te overtuigen om de beweerde ernst van de aangevoerde middelen mee in rekening te brengen bij het beoordelen van de ernst of het moeilijk herstelbare van het morele nadeel; dat in principe evenwel de ernst van de middelen en het ernstig en moeilijk herstelbaar karakter van het aangevoerde nadeel twee afzonderlijk te beoordelen voorwaarden zijn; dat weliswaar het bestaan van een ernstig middel in enkele uitzonderlijke gevallen als een -dan nog: bijkomende- bron van moeilijk te herstellen ernstig nadeel is aanvaard; dat evenwel verzoeker zich vergist alsof “éénder welke schending” van een algemeen beginsel haast noodzakelijk tot die conclusie moet leiden; dat die conclusie alleen gerechtvaardigd is wanneer het verzoekschrift zo duidelijk is geconstrueerd dat de organen van de Raad van State, en in de eerste plaats het bevoegde lid van het auditoraat, reeds bij het summier onderzoek waartoe zij in het kader van de vordering tot schorsing verplicht zijn, de overtuiging opdoen dat de beslissing dermate onwettig lijkt dat het niet verantwoord is de verzoeker al te lang een schijnbaar grove onwettigheid te laten ondergaan in afwachting van een definitieve uitspraak genomen na afloop van een procedure die woord en wederwoord nog alle rechten geeft; dat in dit geval vastgesteld wordt dat hiervoor het vijfde middel niet ernstig is bevonden en, wat de overige vijf aangevoerde middelen betreft, in het auditoraatsverslag die overtuiging niet verwoord is; dat ook de Raad van State die vaststelling niet maakt; Overwegende, kortom, dat niet moet worden onderzocht of het door verzoeker beschreven nadeel al dan niet moeilijk herstelbaar is; dat het hoe dan ook niet ernstig is;
- Overwegende dat niet voldaan is aan ten minste één van de voorwaarden gesteld in artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State die cumulatief vervuld moeten zijn wil een vordering tot schorsing worden toegewezen, XII-4588-6\7 BESLUIT: Artikel
- De vordering tot schorsing wordt verworpen. Artikel
- De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op dertien april 2006, door : de HH. G. VAN HAEGENDOREN, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, F. BONTINCK, griffier. De griffier, De voorzitter, F. BONTINCK. G. VAN HAEGENDOREN. XII-4588-7\7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.157.541 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2012:ARR.218.916 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.