← België

Arrest 157621 - - 18/04/2006

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 18 april 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.157.621 Rolnummer: A. 63613/IX-103 Zaak: Arrest 157621 - - 18/04/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-04-27 Raadplegingen: 53 - laatst gezien 2026-06-30 17:27 Fiche Arrest nr 157.621 van 18 april 2006 - Beslissing : Vernietiging Verwerping overige Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 157.621 van 18 april 2006 in de zaak A. 63.613/IX-

  1. In zake : Petrus JANSEN, die woonplaats kiest bij advocaat P. VERLOOY, kantoor houdende te LEUVEN, Vaartstraat 68 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Pensioenen. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Petrus JANSEN op 9 mei 1995 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van de beslissing van 6 februari 1995 van de commissie van beroep voor vergoedingspensioenen waarbij zijn hoger beroep tegen twee beslissingen van 10 maart 1993 van de commissie voor vergoedings- pensioenen ongegrond wordt verklaard; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur R. VANDER ELSTRAETEN; Gelet op de beschikking van 18 juli 1997 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memorie van de verwerende partij; Gelet op de beschikking van 23 februari 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 27 maart 2006; IX-103-1/7 Gehoord het verslag van staatsraad A. VANDENDRIESSCHE; Gehoord de opmerkingen van eerste attaché van financiën J. HEEMERYCK, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd R. VANDER ELSTRAETEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  2. Overwegende dat de gegevens van de zaak kunnen worden samengevat als volgt : 1.
  3. Petrus JANSEN (/24/11/28), gepensioneerd rijkswachter, vraagt op 28 maart 1990 om toekenning van een invaliditeitspensioen wegens aantasting van de longfunctie en rugletsels. Deze aandoeningen zouden ontstaan zijn door “het moeten uitvoeren van de dienst hetzij dag of nacht en in alle weersomstandigheden” en hij verwijst daarvoor naar “het ethiologisch blad gevoegd bij (zijn) dossier”. 1.
  4. In het protocol van 17 december 1991 raamt de Gerechtelijk Geneeskundige Dienst (hierna : GGD) de longaandoening op 50 pct min 50 pct GVF (gelijktijdige vreemde factoren) of 0 pct aanrekenbaar en de rugklachten op 23 pct min 23 pct GVF of 0 pct aanrekenbaar. 1.
  5. In haar “beslissing A” van 10 maart 1993 wijst de commissie voor vergoedingspensioenen de pensioenaanvraag wegens rugklachten af om volgende redenen : “Betrokkene vertoont duidelijk tekens van lumbaal degeneratief lijden met een radiculair letsel L5 rechts. Dit impliceert een verminderde rugbelastbaarheid en geeft aanleiding tot tijdelijke periodes van ruglast bij bepaalde handelingen, ook op het werk. Aktueel is de degeneratie zover gevorderd dat ze continu last geeft. Er werd echter op geen enkele wijze aangetoond dat deze aandoening ook door het werk ontstond. Bijgevolg geeft de G.G.D. 23 % invaliditeit, maar ze gaat onmiddellijk over tot een aftrek van 23 % voor gelijktijdige vreemde factoren.” In haar “beslissing B” van dezelfde datum wordt de aanvraag voor het longlijden op volgende gronden verworpen : IX-103-2/7 “Betrokkene beweert het longletsel opgelopen te hebben toen hij in februari 1953 in Oostende bij overstromingen dienst had. Betrokkene brengt echter geen enkel bewijs naar voren noch van de verplichte dienstopdracht, noch van getuigen. De G.G.D. geeft 50 % voor het longletsel maar gaat onmiddellijk over tot een aftrek van 50 % voor gelijktijdige vreemde factoren.” 1.
  6. Verzoeker tekent tegen beide beslissingen hoger beroep aan op 12 mei
  7. Wat de beslissing aangaande zijn rugletsel betreft voert hij aan dat uit het ethiologisch blad blijkt dat hij “reeds op 29 februari 1952 last had van lumbago naar aanleiding van een voetbalwedstrijd in dienstverband” waaruit het verband tussen het letsel en de dienst blijkt. Wat de beslissing aangaande zijn longklachten betreft verwijst hij eveneens naar zijn ethiologisch blad waaruit zou blijken dat er “reeds op 2 juni 1955 sprake is van een bronchitis opgedaan tijdens een ordedienst op 25 en 26 mei 1955 te Tienen”, hetgeen zijn “recidiverende bronchitisaanvallen” verklaart. 1.
  8. Op 21 september 1993 maakt de commissaris-verslaggever het dossier aan de GGD over met de vraag aan de medische beroepskamer “een nieuw onderzoek in te stellen i.v.m. de rugkwaal”. 1.
  9. De medische beroepskamer van de GGD sluit zich in haar protocol van 22 september 1994 aan bij de expertise van de GGD in eerste aanleg. Het invaliditeitspercentage voor de rugkwaal wordt wel verhoogd tot 25 pct. 1.
  10. Op 6 februari 1995 verklaart de commissie van beroep voor vergoedingspensioenen het beroep van verzoeker ontvankelijk maar ongegrond. Deze beslissing wordt in het bijzonder verslag als volgt met redenen omkleed : “- wat beroep betreft tegen de beslissing A (de rugklachten) dat er geen enkel document in het dossier aantoont dat er zich iets bijzonders heeft voorgedaan tijdens de loopbaan van betrokkene. Bovendien weerhoudt de G.G.D.B. geen aanrekenbare invaliditeit. - wat beslissing B betreft (de longklachten). Betrokkene schrijft de kwaal toe aan het feit dat hij in februari 1953 dienst had bij de overstromingen in Oostende. Er is geen enkel bewijs van de dienstopdracht, er zijn geen getuigenverklaringen en er zijn geen bewijzen van onmiddellijke medische verzorging”. Van deze beslissing wordt thans de vernietiging gevorderd; IX-103-3/7 2.
  11. Overwegende dat verzoeker in het eerste middel de schending aanvoert van de motiveringsverplichting doordat de summiere en oppervlakkige bewoordingen waarin het bestreden besluit gesteld is, meer bepaald de overweging “dat er geen bewijs is geleverd van enige dienst in Oostende in 1953”, geen antwoord bevatten op de argumenten die in de beroepsakte naar voren werden gebracht en meer bepaald op het argument dat “in het ethiologisch blad van verzoeker reeds op 2 juni 1955 sprake is van een bronchitis opgedaan tijdens een ordedienst op 25 en 26 mei 1955 te Tienen” en dat “het verband van de recidiverende bronchitisaanvallen met de dienstopdracht door het ethiologisch blad duidelijk is aangetoond”; 2.
  12. Overwegende dat de verwerende partij in haar memorie van antwoord uiteenzet dat de commissie van beroep niet moet antwoorden op een verwijzing naar een vermelding die geen enkele inlichting over een dienstfeit bevat, dat verzoeker aanvankelijk enkel verwees “naar het ethiologisch blad in zijn geheel, zonder nadere precisering” en dat hij pas in zijn beroepsakte de aandacht heeft gevestigd op een bepaald feit, dat bij de vermelding van de vermoedelijke oorzaak van de bronchitis van 2 juni 1955 gesteld is : “L‘intéressé ne peut dire la cause” en dat de verwijzing door geen bewijsstuk gestaafd wordt; dat zij in haar laatste memorie herhaalt dat verzoeker geen bewijs overlegt dat zijn actuele longaandoening haar oorsprong vindt in feiten uit 1955 of dat hij sindsdien voor dergelijke kwaal verzorgd is geworden en daaraan toevoegt dat de commissie van beroep niet moet antwoorden op een verwijzing die geenszins voldoet aan de wettelijke vereiste inzake het oorsprongbewijs van de kwaal; 2.
  13. Overwegende dat verzoeker in zijn memorie van wederantwoord stelt dat bij de ongeschiktheid van 2 juni 1955 vermeld is “kwaal opgedaan tijdens ordedienst 25 en 26 mei te Tienen - get. wm ROELS-VERSTRAETEN” en dat de commissie van beroep daarop had moeten antwoorden, al was het maar dat zij van oordeel was dat de verwijzing geen enkele inlichting over dienstfeiten bevatte; 2.
  14. Overwegende dat, daargelaten de vraag of de commissie van beroep inhoudelijk wel rekening diende te houden met een argument dat verzoeker niet aan de commissie voor vergoedingspensioenen had voorgelegd, in ieder geval vastgesteld moet worden dat de commissie van beroep de toerekenbaarheid aan de dienst van de longkwaal van verzoeker enkel getoetst heeft aan de feiten gebeurd te Oostende in februari 1953; dat de commissie van beroep aldus volledig voorbijgegaan is aan het beroepsschrift waarin verzoeker erop wees dat op 2 juni 1955 bij hem een IX-103-4/7 bronchitis vastgesteld is, opgedaan tijdens een ordedienst te Tienen op 25 en 26 mei 1955, terwijl het ethiologisch blad, dat in het dossier berustte bij die kwaal toch vermeldde: “L’ intéressé ne peut dire la cause. Koude opgedaan tijdens ordedienst 25 op 26 mei te Tienen, get(uige) : wachtmeester Roels - Verstraeten”; dat in het bestreden besluit niet uiteengezet wordt waarom de commissie van beroep dat argument negeert, noch waarom daarmee het bewijs niet geleverd wordt van het verband tussen de longkwaal en de dienst; dat het bestreden besluit te dien aanzien niet naar behoren gemotiveerd is; 2.
  15. Overwegende dat de gegrondheid van het eerste middel de bestreden beslissing vitieert in de mate dat de commissie van beroep er uitspraak mee doet over de longkwaal van verzoeker; 3.
  16. Overwegende dat verzoeker in het tweede middel de schending van zijn rechten van verdediging aanvoert, doordat de commissie van beroep niet ingegaan is op zijn vraag om het dossier opnieuw aan de medische beroepskamer van de GGD over te zenden om hem te onderzoeken “in verband met het chronisch obstructief longlijden”, terwijl hem daarmee de mogelijkheid ontnomen werd om te bewijzen dat zijn longkwaal “opgedaan werd in en door de dienst”; 3.
  17. Overwegende dat de verwerende partij in haar memorie van antwoord stelt dat de commissie van beroep er niet toe verplicht is het dossier aan de medische beroepscommissie van de GGD voor te leggen wanneer naar haar oordeel onvoldoende bewijzen van dienstfeiten die aan de oorsprong van de kwaal liggen, aanwezig zijn en dat alleen de commissie van beroep de overgelegde bewijsstukken kan interpreteren; 3.
  18. Overwegende dat uit geen gegeven van het dossier blijkt dat verzoeker aan de commissie van beroep gevraagd zou hebben om zijn dossier, wat zijn longaandoening betreft, nader door de medische beroepscommissie te laten onderzoeken; dat in die omstandigheden verzoeker niet duidelijk maakt op welke wijze de commissie van beroep, die discretionair beslist over de noodzaak en de opportuniteit om het advies van medische experten in te winnen, zijn rechten van verdediging miskend zou hebben; dat het middel niet gegrond is; IX-103-5/7 4.
  19. Overwegende dat verzoeker in het derde middel de schending aanvoert van artikel 9, § 1, tweede lid, van de samengeordende wetten op de vergoedingspensioenen en van het voorwoord bij de Officiële Belgische Schaal ter bepaling van de graad van invaliditeit, doordat de GGD, wiens conclusies aan de beslissing van de commissie van beroep ten grondslag liggen, geen wetenschappelijke argumenten aanhaalt om de vermindering die op de vastgestelde invaliditeit wordt toegepast, te verantwoorden en daarvoor ook niet verwijst naar een of andere rubriek van de Belgische Schaal van de graad van invaliditeit; 4.
  20. Overwegende dat de verwerende partij daarop antwoordt dat de commissie van beroep zich aangesloten heeft bij de argumentatie van de GGD, naar wiens oordeel niet aangetoond is dat de aandoening door het werk ontstaan is en dat dezelfde commissie de aftrek voor gelijktijdig vreemde factoren terdege motiveert met de overweging dat zij in het dossier geen bewijzen vindt die een medische aanrekenbaarheid aantonen; 4.
  21. Overwegende dat de commissie van beroep voor vergoedings- pensioenen, in navolging van de medische beroepscommissie van de GGD wat de rugklachten betreft en van het medisch onderzoek in eerste aanleg wat de long- problemen betreft, de bij verzoeker vastgestelde invaliditeit -25% voor de rugklach- ten en 50% voor longletsel- verworpen heeft omdat het verband met de dienst -de longkwaal- en de dienstuitoefening -de rugklachten- niet aangetoond was; dat dit motief de vaststelling van de aanrekenbare invaliditeit -met name de aftrek van de volledige invaliditeit wegens vreemde factoren- terdege verantwoordt; dat het middel niet gegrond is, BESLUIT: Artikel
  22. Vernietigd wordt het besluit van 6 februari 1995 van de commissie van beroep voor vergoedingspensioenen in de mate het beroep van Petrus JANSEN tegen de beslissing van de commissie voor vergoedingspensioenen waarbij zijn aanvraag voor een invaliditeit wegens aantasting van zijn longfunctie wordt verworpen, wordt bekrachtigd. IX-103-6/7 Artikel
  23. Het beroep wordt voor het overige verworpen. Artikel
  24. De kosten van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 99,16 euro, komen ten laste van de verwerende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op achttien april 2000 en zes, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. J. DE BRABANDERE, voorzitter van de Raad van State, A. VANDENDRIESSCHE staatsraad, D. MOONS, staatsraad, W. GEURTS, griffier. De griffier, De voorzitter, W. GEURTS. J. DE BRABANDERE. IX-103-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.157.621 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.