id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 18 april 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.157.622 Rolnummer: A. 169138/IX-5182 Zaak: Arrest 157622 - Tucht (openbaar ambt) - 18/04/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-04-26 Raadplegingen: 57 - laatst gezien 2026-06-30 17:28 Fiche Arrest nr 157.622 van 18 april 2006 Openbaar ambt - Tucht (openbaar ambt) Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 157.622 van 18 april 2006 in de zaak A. 169.138/IX-
- In zake : Maria VIEIRA DE CARVALHO CANHOTO, die woonplaats kiest bij advocaat D. SOCQUET, kantoor houdende te TERVUREN, Merenstraat 28 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE IXe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Maria VIEIRA DE CARVALHO CANHOTO op 3 januari 2006 heeft ingediend om de schorsing te vorderen van de tenuitvoerlegging van het ministerieel besluit van 8 november 2005 waarbij haar de tuchtstraf van de blaam wordt opgelegd alsmede van het besluit van de voorzitster van het directiecomité van 8 november 2005 dat uitvoering geeft aan die beslissing; Gezien het gelijktijdig ingediende verzoekschrift, waarbij dezelfde verzoekende partij de vernietiging vordert van dezelfde beslissingen; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur M. LEFEVER; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; Gelet op de beschikking van 23 februari 2006 waarbij de terecht- zitting bepaald wordt op 20 maart 2006; Gehoord het verslag van staatsraad L. HELLIN; IX-5182-1/13 Gehoord de opmerkingen van advocaat M. LECOUTERE die, loco advocaat D. SOCQUET verschijnt voor de verzoekende partij, en van attaché C. NYS, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd M. LEFEVER; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Over de gegevens van de zaak. Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
- Verzoekster werkt als verpleegster in het Repatriëringscentrum l27Bis. Zij maakt er deel uit van de medische dienst. 1.
- Op 18 januari 2005 richt de “attaché bewoners” van het voornoemd repatriëringscentrum een dienstnota aan de medische dienst die als volgt luidt : “Gezien de dokters steeds in de namiddag in het centrum aanwezig zijn, gebeurt het regelmatig dat fit-to-fly ‘s worden afgeleverd als het bewoners- secretariaat (...) reeds afwezig is. Om misverstanden en problemen te vermijden, gelieve dan ook bij afwezigheid van het bewonerssecretariaat de fit-to-fly ‘s rechtstreeks in de vertrekkersmapjes te steken in de schuif in de centrale.” Verzoekster en een collega bekritiseren deze maatregel in een nota van 2 februari
- Zij hekelen dat zij een bijkomende taak opgelegd krijgen zonder dat er vooraf met hen over gesproken is. Zij argumenteren dat het om een administra- tieve taak gaat, dat het afleveren van de fit-to-fly*s ook van de medische dienst bepaalde taken vergt en dat zij deze taken vervullen. Zij achten het onredelijk dat zij daarnaast ook nog een deel van het werk van het secretariaat moeten doen. 1.
- Op 1 februari 2005 heeft verzoekster een meningsverschil met de “attaché bewoners” in verband met de fit-to-fly*s. IX-5182-2/13 De “attaché bewoners” maakt op 7 februari 2005 een verslag van die gebeurtenis dat als volgt luidt : “Op dinsdag 1 februari ‘05 stelde ik vast dat er zich in 2 dossiers van bewoners voorzien voor de special flight van woensdag 2 februari ‘05 nog geen fit-to-fly*s bevonden. Ik nam daarop contact op met de medische dienst. U nam op en antwoordde mij dat de fit-to-fly*s nog in uw bezit waren, maar dat u ze mij zou brengen. Dat hebt u inderdaad gedaan, maar u gaf mij ook de fit-to-fly*s bestemd voor de vertrekkersmapjes in de schuif in de centrale. Ik heb u toen gezegd dat ik met deze fit-to-fly*s niks kon doen en heb u gevraagd ze in de voorziene mapjes te steken. U hebt daarop mijn bureau verlaten en de fit-to-fly*s laten liggen. Later op de dag, omstreeks 18u, heb ik u aangesproken over het feit dat ik verwacht dat u de fit-to-fly*s in de vertrekkersmapjes steekt in de schuif in de centrale, zoals gevraagd in de nota van 18 januari
- U hebt mij hierop geantwoord dat u dit weigert te doen, aangezien u het niet eens was met deze nota. U gaf aan bovendien heel hard gewerkt te hebben, moe te zijn en graag naar huis te willen gaan. Hiermee gaf u te kennen te weigeren uitvoering te geven aan instructies van een hiërarchische meerdere, wat wordt beschouwd als dienstweigering. Uw argument van hard gewerkt te hebben, moe te zijn en dus naar huis te willen is hierbij niet dienstig gezien u de permanentie diende te verzekeren. Dit betekent dat u in het centrum diende te blijven zolang de dienst het vereiste. Gezien de fit-to-fly*s niet op hun plaats staken was uw werk nog niet gedaan. Bovendien had u uw dienst pas aangevat om 11 u 22, zodat er geen sprake kan zijn van onredelijke eisen op het vlak van dienstprestaties”. Op 14 februari 2005 reageert verzoekster op die nota als volgt : “Gewoonlijk worden de dossiers (de map ‘begeleidingsfiche’) ofwel aan de medische dienst ofwel aan het sociaal team, door het secretariaat bewoners bezorgd. Het team die hun gedeelte als eerste afhandelt, bezorgt het vervolgens aan het ander team. Niet tegenstaande dat de medische dienst enkel 2 dossiers ontvangen heeft en ze vervolgens aan het sociaal team heeft bezorgd, hebben de verpleeg- kundigen aan de hand van de voorhanden naamlijst van de bewoners voorzien voor de special flight, ook die andere 2 bewoners, welke de dossiers bij u lagen, bij de arts laten oproepen en heeft de arts de fit to fly kunnen invullen. Ik heb inderdaad, na uw telefoon en nadat de arts de laatste fit to fly ingevuld heeft, de fit to fly*s van de bewoners die de volgende dag vertrokken aan u gaan afgeven. U heeft mij toen in uw bureau inderdaad gezegd dat u enkel de fit to fly voor de special flight nodig had, ik heb u geantwoord dat ik alle fit to fly*s had van al de bewoners die de volgende dag moesten vertrekken en heb uw bureau verlaten. Ik had de fit to fly*s enkel in alfabetische volgorde gerangschikt. Moest ik ook de fit to fly*s gaan sorteren volgens vertrekwijze? Van uw vraag om ze in de voorziene mapjes te steken heb ik niets gehoord. Later op de dag, rond 18:00h, toen ik in de gang was, voor het centrum te gaan verlaten en eventjes aan de centrumarts iets over een bewoner meldde, heeft u mij in de gang aangesproken terwijl u enkele fit to fly*s bij u had, dat ik ze in de lade in de centrale zelf moest gaan zetten. Ik heb u geantwoord “ik heb mijn werk gedaan, ik heb hard gewerkt, ik ben moe en ik ga naar huis”. Dan IX-5182-3/13 heeft u mij gezegd dat er in een nota dit aan ons gevraagd was en dat u ook hard gewerkt had. Ik heb u geantwoord ‘we zijn daarmee niet akkoord’ en dat ik over een bewoner met de arts aan het overleggen was. U heeft ons dan verlaten en nog gezegd ‘dan ga ik een nieuwe nota moeten schrijven’ en ik zegde nog in mijn zachte stem en misschien heeft u het niet meer gehoord ‘nota*s dat zijn we ook gewoon’. Ik heb dus duidelijk niet geantwoord en ook nooit gezegd dat ‘ik dit weiger te doen’. Als ik gezegd heb ‘we zijn daarmee niet akkoord’ is omdat er nooit een ‘vraag’ m.b.t. de fit to fly is gesteld. Uw brief nu bevestigt ook dat het nooit de bedoeling was geweest om een vraag tot medewerking maar wel degelijk ‘zonder overleg’ een nieuwe extra verplichte taak op te leggen. Voor de brief van 18/01/05, heeft u nooit nagegaan of deze extra taak haalbaar is voor de verpleegkundigen of in het algemeen voor de werking van de medische dienst. Dat de zin ‘gezien de dokters steeds in de namiddag in het centrum aanwezig zijn’, in die brief, is ook van toepassing of zelfs nog meer van toepassing op mijn werking en dus op mijn taken die ik, eigen aan mijn functie, ‘steeds in de namiddag’ dien uit te voeren. Het afleveren van fit to fly betekent voor mij dat ik enkele taken dien te vervullen zoals : • Het voorbereiden van de medische dossiers. • Het organiseren dat de betrokken bewoners tot de arts komen. • Het nakijken en klaarzetten van medische documenten die aan de bewoner dienen afgegeven te worden. • Het klaarmaken van de medicatie die de bewoner tijdens de vertrekdag en in zijn thuisland nodig heeft. Op het feit dat ‘het bewonerssecretariaat reeds, in de namiddag, afwezig is’, is een factor waar wij geen vat op hebben. Ongeveer een jaar geleden, naar aanleiding van een ‘gesprek’ met mij en een medewerker van het secretariaat, in aanwezigheid van een directielid, over de briefwisseling van bewoners en het briefgeheim, hebben de medewerkers van het bewonerssecretariaat beslist dat ze de fit to fly (toen nog bijlage 4) ‘niet meer gingen doen’. De centrumdirecteur heeft, via de centrumarts, ons ook willen verplichten deze taak te doen, toen kwam de arts wel steeds in de voormiddag en ten laatste tot 14:00h, het bewonerssecretariaat was dan wel aanwezig. Er werd aan de directie, via de arts, toen gemeld dat een fit to fly een onderdeel is van een administratief dossier”. 1.
- Op 3 maart 2005 brengt de centrumdirecteur verslag uit over dit meningsverschil aan de directeur-generaal van de Dienst Vreemdelingenzaken. Zij stelt dat de argumenten van verzoekster niet terzake zijn en een bevestiging zijn van haar problematische werkhouding. Zij is verder van mening dat verzoekster niet enkel weigert instructies uit te voeren maar dat ze een niet-respectvolle houding aanneemt ten overstaan van de hiërarchie. Zij dringt “gelet op deze nota*s en alle nota*s die in het verleden (...) zijn opgestuurd betreffende de problematische werking en houding van (verzoekster)” aan op een passend gevolg. IX-5182-4/13 1.
- Op 14 maart 2005 nodigt de directeur-generaal van de Dienst Vreemdelingenzaken verzoekster uit voor een verhoor in het kader van een eventuele tuchtprocedure naar aanleiding van de feiten die haar ten laste worden gelegd : “het in het gedrang brengen van de werking van het centrum en de medische opvolging door het weigeren opgelegde taken uit te voeren”. Daarop schrijft de centrumarts een verklaring waarin hij stelt dat het werk van de verpleegkundigen zijns inziens ressorteert onder de supervisie van de centrumarts en dat het opleggen van bijkomende taken aan de verpleegkundigen zonder zelfs een kennisgeving aan de centrumartsen geen goede beleidsvorm is. Hij meent dat zij voldoende taken hebben voor een volle dagtaak en dat bijgevolg het opleggen door de centrumdirectie van een extra administratieve taak buiten de medische dienst als negatief wordt ervaren. Hij vraagt dat er daaromtrent overleg zou zijn. 1.
- Verzoekster wordt op 23 maart 2005 gehoord door de directeur- generaal. Op 20 april 2005 stuurt zij haar opmerkingen over het proces-verbaal dat van dit verhoor werd opgemaakt naar de Dienst Vreemdelingen. In haar verweer argumenteert zij in essentie dat het niet gaat om een medische taak maar wel om een administratieve en dat ze hen wordt opgelegd ten nadele van de specifieke medische taken die ze moeten vervullen in een periode van de dag dat ze al onder tijdsdruk staan om die taken rond te krijgen. Verder klaagt ze aan dat er daarover met hen geen enkel overleg werd gepleegd. De vakbondsafgevaardigde die verzoekster bij- staat is van mening dat die nieuwe taak maar kon worden opgelegd aan de verpleegkundigen na overleg in het bijzonder overlegcomité. 1.
- Op 27 april 2005 stelt de directeur-generaal voor om de blaam op te leggen “gezien de argumenten aangehaald door mevrouw Vieira de feiten (...) niet weerleggen”. 1.
- Verzoekster verschijnt op 31 mei 2005 voor het directiecomité dat het definitief tuchtvoorstel moet uitbrengen. Het directiecomité besluit, na verzoekster en haar verdediger te hebben gehoord, unaniem om de blaam definitief voor te stellen. IX-5182-5/13 Dit voorstel steunt op de volgende overwegingen : “De leden van het Directiecomité delibereren over de zaak. Ze stellen vooreerst vast dat mw. Vieira de ten laste gelede feiten niet ontkent. Het is een feit dat ze 2 maal geweigerd heeft taken die haar opgelegd werden uit te voeren. Het argument dat het om een bijkomende taak gaat die moet overlegd of behandeld worden op een BOC houdt geen steek. De instructie van de directie is slechts een hulpmiddel om het dagelijks functioneren van een dienst bij afwezigheid van het secretariaat mogelijk te maken. De leden menen dat het van weinig belang is of de opdracht van de directie diende uitgevoerd te worden vóór of na 18 uur. Wat wel belangrijk is is het feit dat een opdracht van de directie, gegeven om de continuîteit en het goede verloop van de dienst te waarborgen, genegeerd wordt. Een personeelslid heeft niet zomaar te beslissen of het een opdracht van een hiërarchische meerdere uitvoert of niet. In die zin gaat het argument van mw. Vieira dat ze eerst haar prioritaire medische taken moet uitvoeren ook niet op. Het is evenmin een feit dat alle opdrachten so wie so moeten besproken worden op teamvergaderingen. In casu gaat het om een opdracht heel beperkt in de tijd en in omvang (formulie- ren klasseren en ze op een bepaalde plaats deponeren (vertrekkersmapjes) en niet op een andere plaats (bureau directie). De fit-to fly documenten zijn bovendien te beschouwen als medische documenten aangezien ze medische gegevens over een bewoner van een gesloten centrum bevatten zonder dewelke deze bewoner niet kan gerepatrieerd worden. De leden merken verder op dat J. Vieira zich niet verontschuldigd heeft voor haar houding of er spijt over betuigd heeft. Ze heeft zich wel niet onbeleefd opgesteld t.o.v. haar hiërarchische overste. Om al deze redenen menen de leden dat de voorgestelde sanctie van blaam zonder meer te rechtvaardigen is.” 1.
- Dit definitief tuchtvoorstel wordt op 27 juni 2005 aan verzoekster betekend die bij brief van 6 juli 2005 beroep aantekent bij de departementale raad van beroep. 1.
- De departementale raad van beroep behandelt verzoeksters beroep op 13 september 2005 en adviseert om de terechtwijzing op te leggen. Het advies is als volgt gemotiveerd : “Overwegende dat de taak van het klasseren van de fit-to-fly*s zoals bepaald in de instructie van Mevrouw DENDAS van 18 januari 2005 een wezenlijk onderdeel uitmaakt van het takenpakket van Mevrouw VIEIRA en dat er duidelijke instructies waren; Overwegende dat deze instructie evenwel niet diende te worden overlegd met de vakbonden. In de huidige stand van de wetgeving terzake dient de organisatie van de arbeid weliswaar overlegd te worden. Maar bij gebrek aan koninklijk besluit dient de rechtspraak van de Raad van State hierover te worden toegepast waarbij ‘organisatie van de arbeidstijd’ dient geïnterpreteerd te worden als de verdeling van de arbeid in de tijd. De instructie van Mevrouw DENDAS kan niet onder deze noemer worden gebracht en is slechts een hulpmiddel om het dagelijks functioneren van de dienst bij afwezigheid van het secretariaat mogelijk te maken. Vereisen dat deze maatregel voorafgaandelijk IX-5182-6/13 overlegd diende te worden maakt elk normaal functioneren van een dienst onmogelijk. Overwegende dat Mevrouw VIEIRA en haar verdediging de feiten niet ontkend hebben; Overwegende dat, in tegenstelling tot een gelijkaardig dossier waarvan de feiten zich eveneens hebben voorgedaan in het centrum waar Mevrouw VIEIRA tewerkgesteld is, er geen onrespectvolle houding was in hoofde van Mevrouw VIEIRA ten opzichte van de hiërarchie; Overwegende dat de definitief voorgestelde tuchtstraf van de blaam niet in verhouding staat tot de gepleegde feiten; Overwegende dat de werkdruk in het gesloten centrum onmiskenbaar vaststaat en ook toegegeven wordt door de centrumdirectie en dat er geen tuchtrechtelijke voorgaanden zijn; Overwegende dat vier assessoren van de zes zich hebben uitgesproken voor de oplegging van een tuchtstraf; dat voor de bepaling van de strafmaat er dient vastgesteld te worden dat er staking van stemmen was (twee stemmen voor de oplegging van de blaam en twee stemmen voor de oplegging van de terecht- wijzing); Dat in dat geval artikel 84 bis § 5 van het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 bepaalt dat de voorzitter van de Departementale Raad van Beroep de strekking van het advies bepaalt; Dat, in samenspraak met de assessoren, de voorzitster adviseert dat als tuchtstraf de terechtwijzing dient te worden opgelegd.” 1.
- Op 21 oktober 2005 wordt het dossier overgemaakt aan de minister die krachtens artikel 94 van het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 houdende het statuut van het rijkspersoneel bevoegd is om de beslissing te nemen of definitief voor te stellen indien, zoals in casu, het advies van de raad van beroep gunstig is. 1.
- Op 24 oktober 2005 schrijft de voorzitter van het Directiecomité de minister aan in de volgende termen : “Het voorlopig tuchtvoorstel geformuleerd door de hiërarchische overste van betrokkene was de blaam. Ook het Directiecomité oordeelde op 31 mei 2005 met eenparigheid van stemmen dat als tuchtsanctie de blaam diende te worden opgelegd. Aan de basis van beide voorstellen lagen betrachtingen van goed personeelsbeheer geïnspireerd door de voorbeeldfunctie die betrokkene in het centrum te vervullen heeft en de negatieve sfeer die de feiten veroorzaakt hebben. In het tuchtdossier dat werd samengesteld lastens Mevrouw VIEIRA is aangetoond dat zij tot tweemaal toe geweigerd heeft om taken die haar werden opgelegd uit te voeren. Mevrouw VIEIRA noch haar verdediging hebben deze feiten ontkend. Het spreekt voor zich dat een ambtenaar de instructies van zijn hiërarchische meerdere dient uit te voeren zonder daar een eigen interpretatie aan te geven. Aangezien Mevrouw VIEIRA zich op geen enkel moment verontschuldigd heeft of haar spijt betuigd heeft dient er dan ook een krachtig signaal gegeven te worden dat het negeren van instructies vanwege de hiërarchie niet kan geduld worden. De Heer Minister besliste in een gelijkaardig dossier waarbij de betrokken ambtenaar evenwel ook een onrespectvolle houding tegenover de directie aan de dag legde dat de maatregel van de inhouding van IX-5182-7/13 de wedde gedurende acht dagen diende te worden opgelegd. In het dossier VIEIRA is deze onrespectvolle houding niet aanwezig. De tuchtmaatregel van de blaam situeert zich binnen het scala van mogelijke tuchtstraffen onmiddellijk vóór de inhouding van de wedde en is dus een lichtere straf.” 1.
- Bij brief van 8 november 2005 deelt de minister aan verzoekster mee dat hij niet kan instemmen met het advies van de raad van beroep en dat haar de blaam moet worden opgelegd. Deze beslissing is als volgt gemotiveerd : “Overwegende dat de taak van het klasseren van de fit-to-fly*s zoals bepaald in de instructie van Mevrouw DENDAS van 18 januari 2005 een wezenlijk onderdeel uitmaakt van uw takenpakket en dat u tot twee maal toe geweigerd hebt om deze taken uit te voeren; Overwegende dat deze instructie evenwel niet diende te worden overlegd met de vakbonden. In de huidige stand van de wetgeving terzake dient de organisatie van de arbeid weliswaar overlegd te worden. Maar bij gebrek aan koninklijk besluit dient de rechtspraak van de Raad van State hierover te worden toegepast waarbij ‘organisatie van de arbeidstijd’ dient geïnterpreteerd te worden als de verdeling van de arbeid in de tijd. De instructie van Mevrouw DENDAS kan niet onder deze noemer worden gebracht en is slechts een hulpmiddel om het dagelijks functioneren van de dienst bij afwezigheid van het secretariaat mogelijk te maken. Vereisen dat deze maatregel voorafgaandelijk overlegd diende te worden maakt elk normaal functioneren van een dienst onmogelijk. Overwegende dat noch u noch uw verdediging de feiten ontkend hebben; Overwegende dat het middel dat u ter verdediging inroept niet aanvaard kan worden aangezien het van weinig belang is of de opdracht van de directie diende uitgevoerd te worden vóór of na 18 uur. Overwegende dat een ambtenaar steeds de instructies van zijn hiërarchische overste dient uit te voeren zonder daaraan een eigen interpretatie te geven; Dat de fit-to-fly*s bestemd voor de special flights en die niet zoals de instructie voorschrijft in de vertrekkersmapjes gestoken werden, inderdaad belangrijke documenten zijn aangezien deze documenten de medsiche gegevens bevatten over een bewoner van een gesloten centrum zonder dewelke deze bewoner niet kan gerepatrieerd worden; Dat door het negeren van de instructie de continuïteit en de goede werking van de dienst in gevaar werden gebracht; Overwegende echter dat u zich op geen enkel moment verontschuldigd hebt voor uw houding noch dat u spijt betuigd hebt over hetgeen u gedaan hebt; Dat in dat geval het opleggen van een tuchtstraf op zijn plaats is; Dat gegeven de omstandigheden de door de Departementale Raad van Beroep geadviseerde tuchtmaatregel van de terechtwijzing de gepleegde feiten niet voldoende bestraft; Dat u, bij wijze van verzachtende omstandigheid, weliswaar geen onrespect- volle houding aannam tegenover uw directie; Dat, dit laatste element in acht genomen , en de logica volgend van mijn eerdere beslissingen, u daarom de maatregel van de blaam dient te worden opgelegd.” 1.
- Op 8 november 2005 neemt de voorzitster van het Directiecomité een formele beslissing waarbij verzoekster de tuchtstraf van blaam wordt opgelegd; IX-5182-8/13
- Over de gegrondheid van de vordering. Overwegende dat luidens artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging kan worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de bestreden beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de akte of het reglement een moeilijk te herstellen en ernstig nadeel kan berokkenen; 2.
- Overwegende dat verzoekster met betrekking tot de tweede voorwaarde aanvoert dat zij geslaagd is in de selectie voor overgang naar het niveau A (graad adjunct-adviseur - algemene kwalificatie) en de tweede plaats in de rangschikking behaalde; dat het, blijkens het selectiereglement, de laatste selectie was die aldus werd ingericht; dat zij ingevolge de bestreden beslissingen, althans voor de komende negen maanden, geen aanspraak kan maken op een zulke bevordering omwille van de opgelegde tuchtstraf aangezien het statuut erin voorziet dat een ambtenaar aan wie een tuchtstraf wordt opgelegd niet in aanmerking komt voor bevordering; dat zulks volgens verzoekster voor haar betekent dat indien er in de loop van de volgende maand binnen de federale overheid twee vacatures zouden komen voor een functie van niveau A- adjunct-adviseur, zij die unieke kans op benoeming zal moeten laten voorbijgaan; dat er gebeurlijk nog wel gelijkaardige functies worden opengesteld maar dat het voor haar niet meer mogelijk zal zijn om daarvoor te kandideren omdat zij zich mogelijk niet meer zal kunnen beroepen op haar gunstig examenresultaat aangezien het examenreglement vermeldt dat “de ambtenaar die tijdens de selectieprocedure één van de voorwaarden niet langer vervult, (...) het voordeel (verliest) van zijn eventueel slagen voor de selectie”; dat de ontzegging van de mogelijkheid om bevorderd te worden binnen een periode van negen maanden dan wel het verlies van het voordeel van haar slagen in de vergelij- kende selectie, niet kan worden weggenomen door een later tussenkomend annulatiearrest omdat de kans niet denkbeeldig is dat verzoekster gedurende een zeer aanzienlijke periode de ervaring van een nieuwe, hogere, functie heeft moeten ontberen; dat zij voorts van oordeel is dat er in het repatriëringscentrum blijkbaar een afrekening, minstens een machtsstrijd, aan de gang is tussen de diensten van het secretariaat en de medische diensten; dat gegeven het feit dat er thans klaarblijkelijk diverse tuchtprocedures worden of werden opgestart tegen het medisch personeel en zulks in het geheel niet om feiten die de goede werking van de dienst in het gevaar zouden kunnen brengen, het niet denkbeeldig is dat er naar de toekomst nog wel IX-5182-9/13 onderrichtingen kunnen worden gevonden die niet strikt zouden worden nageleefd; dat de overheid aldus bij het bepalen van de strafmaat rekening zou kunnen houden met de eerder reeds opgelegde tuchtstraf en dienvolgens een zwaardere tuchtstraf zou kunnen opleggen; dat ten slotte de tuchtstraf ook een moreel nadeel veroorzaakt; 2.
- Overwegende dat de verwerende partij daarop antwoordt dat het slechts om een lichte tuchtstraf gaat die op zich genomen geen moeilijk te herstellen en ernstig nadeel meebrengt; dat zij vervolgens verzoeksters argumentatie bestrijdt dat het haar niet langer mogelijk zou zijn om de bevordering tot adjunct-adviseur te verkrijgen; dat immers artikel é van het koninklijk besluit van 5 september 2002 houdende hervorming van de loopbaan van sommige personeelsleden van de rijksbesturen, waarnaar in het selectiereglement wordt verwezen, slechts betrekking heeft op het voordeel van het behalen van de brevetten die de deelname aan een vergelijkende selectie voor overgang naar niveau A mogelijk maken; dat het enkel van belang is voor die kandidaten die op 31 december 2005 niet in het bezit zijn van de vijf brevetten die nodig zijn voor deelname aan de vergelijkende selectie voor overgang naar niveau A; dat verzoekster evenwel in het bezit is van die vijf brevetten; dat voorts gelet op artikel 80 van het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 houdende het statuut van het rijkspersoneel het recht van verzoekster om aanspraak te maken op haar slagen voor de vergelijkende selectie slechts gedurende negen maanden is opgeschort omdat de tuchtstraf van blaam wordt uitgewist na negen maanden; dat zij nadien opnieuw alle voordelen van haar slagen zal kunnen genieten; dat de kandidaten die ten minste 60% van de punten behaalden voor de vergelijkende selectie bovendien onbeperkt het voordeel van hun resultaat behouden ingevolge artikel 11 van het koninklijk besluit van 22 december 2000 betreffende de selectie en de loopbaan van het rijkspersoneel; dat volgens vaste rechtspraak van de Raad van State de eventuele negatieve gevolgen van een aangevochten tuchtstraf in een latere benoemingsprocedure slechts een hypothetisch nadeel zijn aangezien verzoekster de onwettigheid van de tuchtstraf nog kan aanvoeren als middel om de vernietiging en/of de schorsing van die benoeming te verkrijgen; dat ook het causaal verband tussen de opgelegde tuchtstraf en de eventueel te missen bevordering niet rechtstreeks genoeg is, aangezien het voortvloeit uit een nog te nemen beslissing, met name de bevorde- ringsbeslissing; dat evenmin uit het slagen in de vergelijkende selectie een recht op bevordering voor verzoekster voortvloeit; dat de bewering van verzoekster dat er bij een eventuele latere tuchtstraf rekening zou kunnen gehouden worden met de nu bestreden tuchtstraf en er dan een zwaardere tuchtstraf zou worden opgelegd, louter hypothetisch is; dat wat het moreel nadeel betreft dergelijk nadeel in principe kan IX-5182-10/13 worden goedgemaakt door de morele genoegdoening verbonden aan een gebeurlijke annulatie van de bestreden beslissing; 2.
- Overwegende dat verzoekster in essentie aanvoert dat zij minstens negen maanden en misschien wel definitief het voordeel van haar slagen in de verge- lijkende selectie verliest; dat zij evenwel ten onrechte stelt dat het statuut erin voorziet dat het personeelslid dat een tuchtstraf heeft opgelopen niet in aanmerking komt voor bevordering; dat immers uit artikel 99 van het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 houdende het statuut van het rijkspersoneel, blijkt dat de normale administratieve stand waarin een personeelslid zich bevindt de stand dienstactiviteit is en dat het alleen anders kan zijn indien dat uitdrukkelijk zo is bepaald; dat noch het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 houdende het statuut van het rijkspersoneel noch het koninklijk besluit van 7 augustus 1939 betreffende de evaluatie en de loopbaan van het rijkspersoneel, een bepaling bevat die tot gevolg heeft dat het opleggen van eender welke tuchtstraf op zich het verlies van de stand dienstactiviteit met zich meebrengt; dat een tuchtstraf - en zeker niet de lichte tuchtstraf van blaam - niet tot gevolg heeft dat de betrokkene niet langer in dienstactiviteit zou zijn; dat krachtens artikel 101 van het voornoemde koninklijk besluit van 2 oktober 1937 de rijksambtenaar in actieve dienst steeds zijn rechten op bevordering kan laten gelden; dat hem alleen zijn recht op bevordering wordt ontzegd wanneer dit uitdrukkelijk door de minister is beslist; dat dergelijke beslissing slechts kan worden genomen in welbepaalde gevallen, zoals de tuchtvervolging wegens een ernstig vergrijp waarbij de ambtenaar op heterdaad is betrapt of waarbij er voldoende aanwijzingen van schuld zijn; dat zulks voortvloeit uit artikel 3 van het koninklijk besluit van 1 juni 1964 betreffende de schorsing van rijksambtenaren in het belang van de dienst, dat luidt als volgt : “In afwijking van artikel 101 van het koninklijk besluit van 2 oktober 1937, kan de Minister de ambtenaar het recht ontzeggen om zijn aanspraken op bevordering en op de bevordering in zijn weddenschaal te doen gelden en zijn wedde verminderen, in de volgende gevallen : l/ wanneer de ambtenaar strafrechtelijk vervolgd wordt; 2/ wanneer de ambtenaar tuchtrechtelijk vervolgd wordt wegens een ernstig vergrijp waarbij hij op heterdaad is betrapt of waarvoor er afdoende aan- wijzingen zijn”; dat in deze geenszins blijkt dat de minister heeft beslist om verzoeksters rechten op bevordering te ontnemen; dat hij zulks trouwens niet rechtsgeldig had kunnen doen, aangezien de tuchtvervolging geen betrekking had op een ernstig vergrijp; dat dit alleen reeds blijkt uit het feit dat er slechts een lichte tuchtstraf werd opgelegd; dat verzoekster bijgevolg, zowel tijdens de negen maanden waarin haar straf nog niet is IX-5182-11/13 uitgewist als daarna, haar rechten op bevordering behoudt; dat zij aldus ook blijft voldoen aan alle voorwaarden om in aanmerking te kunnen komen voor een benoeming in niveau A op grond van haar slagen in de vergelijkende selectie omdat zij in een administratieve stand blijft waarin zij haar aanspraken op bevordering kan doen gelden; dat in zoverre verzoekster aanvoert dat zij gedurende een zekere tijd de facto promotiekansen zou mislopen, zij evenwel de mogelijkheid heeft om de bevorderingen die haar zouden geweigerd worden omdat zij een blaam heeft opgelopen, te bestrijden en de onwettigheid van de tuchtstraf daarbij ter sprake te brengen; dat haar bewering dat het risico bestaat dat men nog nieuwe tucht- procedures tegen haar zou starten en dan rekening zal kunnen houden, bij het bepalen van de strafmaat, met de eerder reeds opgelegde tuchtstraf en dienvolgens een zwaardere tuchtstraf zal kunnen opleggen, als volledig hypothetisch wordt afgewezen; dat in zoverre verzoekster een moreel nadeel aanvoert dat uit de tuchtstraf op zich zou voortvloeien, wordt opgemerkt dat het morele nadeel dat wordt veroorzaakt door een lichte tuchtstraf, zoals de blaam, in beginsel niet geacht kan worden een moreel nadeel te berokkenen dat zo ernstig is dat het een schorsing zou kunnen rechtvaardigen; dat verzoekster daarover ook geen bijzonderheden verstrekt; 2.
- Overwegende dat aldus niet is voldaan aan een van de voor- waarden van artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State; dat die vaststelling volstaat om verzoeksters vordering af te wijzen, BESLUIT: Artikel
- De vordering tot schorsing wordt verworpen. Artikel
- De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. IX-5182-12/13 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op achttien april 2000 en zes, door : de HH. L. HELLIN, staatsraad, wnd. kamervoorzitter, W. GEURTS, griffier. De griffier, De voorzitter, W. GEURTS. L. HELLIN. IX-5182-13/13 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.157.622 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.202.179 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.