← België

Arrest 157623 - - 18/04/2006

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 18 april 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.157.623 Rolnummer: A. 168705/IX-5175 Zaak: Arrest 157623 - - 18/04/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-04-25 Raadplegingen: 57 - laatst gezien 2026-06-30 17:28 Fiche Arrest nr 157.623 van 18 april 2006 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 157.623 van 18 april 2006 in de zaak A. 168.705/IX-

  1. In zake : Clement SOMERS, die woonplaats kiest bij advocaat S. STERKENDRIES, kantoor houdende te LEEFDAAL, Neerijsesteenweg 6/2 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Justitie, die woonplaats kiest bij advocaat M. COTTYN, kantoor houdende te AALST, Leopoldlaan 32 A, bus 1-
  2. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE IXe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Clement SOMERS op 19 december 2005 heeft ingediend om de schorsing te vorderen van de tenuitvoerlegging van de op 20 oktober 2005 door de directeur van de centrale gevangenis te Leuven genomen tuchtbeslissing waarbij hem zeven dagen individueel regime en ontslag als diender op de sectie wordt opgelegd; Gezien het gelijktijdig ingediende verzoekschrift, waarbij dezelfde verzoekende partij de vernietiging vordert van dezelfde beslissing; Gelet op de beschikking van 5 januari 2006 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend voor wat de schorsingsprocedure betreft; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd W. VAN NOTEN; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; IX-5175-1/5 Gelet op de beschikking van 23 februari 2006 waarbij de terecht- zitting bepaald wordt op 20 maart 2006; Gehoord het verslag van staatsraad L. HELLIN; Gehoord de opmerkingen van advocaat S. STERKENDRIES, die verschijnt voor de verzoekende partij, en van advocaat W. VAN LAETHEM die, loco advocaat W. COTTYN verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd W. VAN NOTEN; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  3. Over de gegevens van de zaak. Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
  4. Verzoeker is gedetineerde in de centrale gevangenis te Leuven. 1.
  5. Op 16 oktober 2005 wordt door een penitentiair beambte een rapport aan de directeur opgemaakt waarin aan verzoeker volgende tuchtrechtelijke inbreuk ten laste wordt gelegd : “Op 16 oktober 2005 om 17u30 zijn volgende feiten vastgesteld in het fatikenkot dat beheerd wordt door Somers op 18-19 : Tijdens de controle van het fatikenkot op de 18-19e sectie hebben we 3 flessen drank gevonden. Deze werden verborgen onder een stapel papieren in een plastieken kar.” 1.
  6. Op 17 oktober 2005 wordt verzoeker ervan in kennis gesteld dat tegen hem een tuchtprocedure wordt opgestart, dat hij op 18 oktober 2005 zal gehoord worden en dat hij zich door een advocaat kan laten bijstaan. 1.
  7. Op 18 oktober 2005 wordt hij door de directeur gehoord. Verzoeker verklaart dat het slot van het “fatikenkot” (lokaal van de diender) al een IX-5175-2/5 paar dagen stuk was, zodat mogelijk iemand anders binnen is geweest, en dat de aangetroffen flessen drank niet van hem zijn. 1.
  8. Op 20 oktober 2005 wordt de thans bestreden beslissing genomen. Deze is als volgt gemotiveerd : “- De fatik is verantwoordelijk voor het fatikenlokaal. Net zoals dit is bij de eigen cel, kan hij vragen aan de chef om het lokaal te sluiten wanneer hij zich ervan verwijdert. De gevonden flessen drank worden bijgevolg beschouwd als zijn bezit. - Het bezit van alcoholische drank is verboden binnen de penitentiaire context. - Bovendien zorgt het aanmaken of bezit van drank voor veel overlast in de inrichting. Het gebruiken en het verhandelen van dergelijk middel vormt een risico voor de fysieke integriteit van gedetineerden en personeel (onvoorspelbaar gedrag, manipulatie, handel, vragen tot binnensmokkelen van illegale substanties via bezoek...). Dit maakt een tijdelijke verwijdering uit het opendeurregime noodzakelijk. - Diender op sectie is een vertrouwensjob; door het vinden van verboden producten is dit vertrouwen beschaamd en kan deze job niet verder uitgevoerd worden.” Dit is de bestreden beslissing;
  9. Over de gegrondheid van de vordering. Overwegende dat luidens artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging kan worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de bestreden beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de akte of het reglement een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; 2.
  10. Overwegende dat verzoeker met betrekking tot de tweede voorwaarde aanvoert dat hij door zijn ontslag “van alle inkomsten wordt beroofd, waardoor hij nu absoluut geen inkomen heeft”; dat hem zijn enige activiteit wordt ontnomen, hetgeen alles behalve goed is voor zijn gezondheid; dat elke dag dat hij niet kan werken zijn “financiële situatie en gezondheid” verslechtert; 2.
  11. Overwegende dat de verwerende partij daarop antwoordt dat een financieel nadeel in de regel niet als moeilijk te herstellen wordt beschouwd; dat verzoeker nog steeds gevangenisarbeid mag verrichten, maar geen recht heeft om als IX-5175-3/5 diender te werken; dat hij ingeschreven staat op een lijst van werkwilligen en dus binnen afzienbare tijd opnieuw aan het werk zal kunnen gaan; dat hij geen gegevens verstrekt over zijn huidige financiële toestand en evenmin over zijn gezondheid en zich beperkt tot vaagheden en algemeenheden; 2.
  12. Overwegende dat artikel 17, § 3, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State bepaalt dat de vordering tot schorsing een uiteenzetting van de middelen en de feiten dient te bevatten die volgens de indiener ervan het bevelen van de schorsing rechtvaardigen; dat artikel 8, tweede lid, 5/, van het koninklijk besluit van 5 december 1991 tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State bepaalt dat de vordering tot schorsing “een uiteenzetting van de feiten die kunnen aantonen dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de aangevochten akte of het aangevochten reglement de eiser een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen” dient te bevatten; dat uit deze bepalingen volgt dat een verzoekende partij in haar verzoekschrift duidelijk en concreet dient aan te geven waarin precies het moeilijk te herstellen ernstig nadeel is gelegen dat zij ingevolge de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing ondergaat of dreigt te ondergaan, en dat met niet in het verzoekschrift tot schorsing opgenomen feiten en verklaringen hieromtrent geen rekening kan worden gehouden; dat in deze verzoekers uiteen- zetting geenszins aan het vereiste van een duidelijke en concrete omschrijving van het moeilijk te herstellen en ernstig nadeel voldoet; dat immers een financieel verlies in de regel steeds herstelbaar is en verzoeker, die melding maakt van zijn verlies aan inkomsten, evenwel geen concrete inlichtingen verstrekt over zijn financiële situatie en de eventuele moeilijkheden die dat inkomensverlies voor hem meebrengt; dat hij evenmin bijzonderheden verstrekt over de gezondheidsschade die hij door niet te werken zou oplopen; dat het hem trouwens niet verboden wordt te werken; dat hij alleen de vertrouwenspositie van diender verliest en niet aantoont dat hem binnen een niet al te lange periode geen ander werk zal worden aangeboden; dat ten slotte wordt vastgesteld dat verzoeker tot op de laatste nuttige dag heeft gewacht om zijn verzoekschrift in te dienen zodat het door hem ingeroepen nadeel niet zo ernstig blijkt als hij wil laten voorkomen; Overwegende dat aldus niet voldaan is aan een van de voorwaarden van artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State; dat deze vaststelling volstaat om de vordering tot schorsing te verwerpen, IX-5175-4/5 BESLUIT: Artikel
  13. De vordering tot schorsing wordt verworpen. Artikel
  14. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op achttien april 2000 en zes, door : de HH. L. HELLIN, staatsraad, wnd. kamervoorzitter, W. GEURTS, griffier. De griffier, De voorzitter, W. GEURTS. L. HELLIN. IX-5175-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.157.623 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.165.773 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.