id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 18 april 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.157.624 Rolnummer: A. 167702/IX-5123 Zaak: Arrest 157624 - - 18/04/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-04-25 Raadplegingen: 59 - laatst gezien 2026-06-30 17:29 Fiche Arrest nr 157.624 van 18 april 2006 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 157.624 van 18 april 2006 in de zaak A. 167.702/IX-
- In zake : Richard KORITTNIG, die woonplaats kiest bij advocaat M. BIJNENS, kantoor houdende te GENK, Europalaan 50, bus 2 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Volksgezondheid, die woonplaats kiest bij advocaat J.-F. DE BOCK, kantoor houdende te BRUSSEL, Tasson-Snelstraat
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE IXe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Richard KORITTNIG op 10 november 2005 heeft ingediend om de schorsing te vorderen van de tenuitvoer- legging van het koninklijk besluit van 2 september 2005 ter waarborging van het welzijn van dieren die tot het vermaak van het publiek worden gebruikt in circussen of rondreizende tentoonstellingen; Gezien het op 14 november 2005 ingediende verzoekschrift, waarbij dezelfde verzoekende partij de vernietiging vordert van dezelfde beslissing; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur W. WEYMEERSCH; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; Gelet op de beschikking van 16 februari 2006 waarbij de terecht- zitting bepaald wordt op 13 maart 2006; Gehoord het verslag van staatsraad A. VANDENDRIESSCHE; IX-5123-1/10 Gehoord de opmerkingen van advocaat K. HERMANS die, loco advocaat M. BIJNENS verschijnt voor de verzoekende partij, en van advocaat T. WILS die, loco advocaat J.-F. DE BOCK verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur W. WEYMEERSCH; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Overwegende dat de gegevens van de zaak kunnen worden samengevat als volgt: 1.
- Artikel 3bis van de wet van 14 augustus 1986 betreffende de bescherming en het welzijn der dieren, ingevoegd bij de wet van 4 mei 1995, bepaalt : “§
- Het is verboden dieren te houden die niet behoren tot de soorten of categorieën vermeld op een door de Koning vastgestelde lijst. Deze lijst doet geen afbreuk aan de wetgeving betreffende de bescherming van bedreigde diersoorten. §
- In afwijking van § 1 mogen dieren van andere soorten of categorieën dan die aangewezen door de Koning worden gehouden : (...) 7/ in circussen of in rondreizende tentoonstellingen. §
- Onverminderd de afwijkingen voorzien in § 2, kan de Koning het houden van door hem aangewezen dieren van andere soorten of categorieën verbieden aan sommige van de in § 2 opgesomde natuurlijke personen of rechtspersonen.”. Artikel 6, § 2, van dezelfde wet, eveneens ingevoegd bij de wet van 4 mei 1995, bepaalt het volgende : “De Koning kan maatregelen voorschrijven tot het waarborgen van het welzijn van dieren die tot vermaak van het publiek worden gebruikt in circussen, rondreizende tentoonstellingen, op kermissen, wedstrijden en bij andere gelegenheden. Hij kan bovendien bekwaamheidsvoorwaarden opleggen voor de personen die de bedoelde dieren houden en verzorgen.” 1.
- In uitvoering van artikel 3bis en artikel 6, § 2, van de wet van 14 augustus 1986 wordt op 20 juli 2004 een koninklijk besluit genomen houdende een verbod op het houden van sommige diersoorten in circussen en rondreizende tentoonstellingen. IX-5123-2/10 De tenuitvoerlegging van dit koninklijk besluit werd bij arrest nr. 134.194 van 3 augustus 2004 door de Raad van State in zijn tenuitvoerlegging geschorst. Het is vervolgens met ingang van 17 mei 2005 opgeheven bij het koninklijk besluit van 19 april 2005 (BS 17 mei 2005). 1.
- Op 2 september 2005 wordt dan het thans bestreden koninklijk besluit genomen. Het wordt gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad van 12 september 2005 en treedt overeenkomstig artikel 37 in werking “op de eerste dag van de derde maand na die waarin het is bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad”, dit is op 1 december
- 1.
- Verzoeker baat een circus uit onder de benaming Circus Barones en maakt gebruik van grote roofdieren, met name vijf Bengaalse tijgers. Volgens het verzoekschrift wordt de uitbating van het circus belemmerd door een aantal beperkingen die het nieuwe besluit verzoeker oplegt.
- Overwegende dat de verwerende partij buiten de voorgeschreven termijn haar nota met opmerkingen aan de Raad van State overgemaakt heeft; dat met die nota geen rekening gehouden wordt;
- Overwegende dat overeenkomstig artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot de schorsing van de tenuitvoerlegging kan worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; 4.
- Overwegende dat verzoeker in het eerste middel de schending aanvoert van artikel 6, § 2, van de wet van 14 augustus 1986 betreffende de bescherming en het welzijn der dieren (hierna: de dierenwelzijnswet) en van de artikelen 105 en 108 van de Grondwet, doordat artikel 5, § 1, van het bestreden besluit bepaalt dat circussen die dieren gebruiken welke niet opgenomen zijn op lijst A bij het besluit slechts 32 standplaatsen per jaar mogen innemen en doordat artikel 6, § 2, van de dierenwelzijnswet de Koning toelaat maatregelen te treffen om het welzijn van de dieren te bevorderen, terwijl artikel 5, § 1, nu het blijkens een persmededeling van 28 juli 2005 van de minister van Volksgezondheid verantwoord wordt door het feit dat grote roofdieren en olifanten een gevaar kunnen vormen voor IX-5123-3/10 het personeel van het circus, voor de toeschouwers en voor de omwonenden, niet het welzijn van de dieren maar de veiligheid aangaat; dat hij daar aan toevoegt dat de verwerende partij niet aantoont dat de maatregel het welzijn der dieren bevordert, aangezien de beperking van de standplaatsen tot 32 precies overeenstemt met het aantal standplaatsen dat één bepaald circus, dat deelgenomen heeft aan het overleg, actueel aandoet; 4.2.
- Overwegende dat verzoeker tot staving van zijn standpunt verwijst naar een persmededeling van de minister van Volksgezondheid; dat hij evenwel een zeer beperkt citaat uit die persmededeling haalt; dat immers punt 1 van die mededeling een algemene uitleg bevat betreffende “de omstandigheden waarin de dieren gehouden worden” en waaraan toegevoegd wordt -“des te meer”- dat de aandacht voor wilde en exotische dieren een bijzonder belang vertoont, omdat zij een gevaar kunnen vormen voor de veiligheid; dat, gelezen in die context het argument van verzoeker reeds grotendeels zijn draagkracht verliest; Overwegende dat verzoeker op geen andere wijze het bewijs levert dat de bestreden maatregel niet gericht zou zijn op het welzijn van de dieren; dat de omstandigheid dat de maatregel eveneens gunstige gevolgen zal hebben op de veiligheid, de onregelmatigheid ervan niet aantoont; dat verzoeker niet ontkent en dat het, naar redelijkheid beschouwd, ook voor de hand ligt dat het verminderen van de verplaatsing van de dieren bijdraagt tot een rustigere levenssfeer en aldus hun welzijn bevordert; 4.2.
- Overwegende dat verzoeker verwijst naar de betrokkenheid die een bepaald circus gehad heeft bij de beperking van het aantal standplaatsen tot 32; dat niet wordt ingezien op welke wijze die mogelijke betrokkenheid het bewijs kan bevatten dat de maatregel als een veiligheidsvoorschrift zou zijn opgevat en niet als een maatregel in het belang van het welzijn van de dieren; dat, in de mate verzoeker daarmee naar het begaan van machtsafwending verwijst, zijn uiteenzetting samenvalt met het derde middel; 4.2.
- Overwegende dat het eerste middel niet ernstig is; 5.
- Overwegende dat verzoeker in het tweede middel de schending aanvoert van de zorgvuldigheidsplicht en de hoorplicht, doordat de verwerende partij de situatie van de circussen niet zorgvuldig onderzocht heeft en hen ook niet in de IX-5123-4/10 gelegenheid gesteld heeft hun standpunt over de voorgenomen maatregel uiteen te zetten; dat hij betoogt dat de verwerende partij een studie had moeten uitvoeren over het aantal bedrijven dat onder de bestreden regeling zou vallen, dat daaruit gebleken zou zijn dat slechts een klein aantal circussen betrokken is, terwijl de verwerende partij ook slechts met één bepaald circus dat met roofdieren werkt -Bouglione- onderhandeld heeft, zodat de bestreden regeling op de maat van dat welbepaald circus geschreven is terwijl zij de andere circussen broodrooft en zulks hoewel hij gevraagd had om bij de voorbereiding van het bestreden besluit betrokken te worden; 5.
- Overwegende dat verzoeker niet betwist dat de verwerende partij de wettelijk voorgeschreven consultaties regelmatig gehouden heeft; dat hij ook niet duidelijk maakt waarom de eventuele vaststelling dat de regeling slechts een klein aantal circussen aangaat eraan in de weg moet staan dat maatregelen voor het dierenwelzijn getroffen worden; dat hij voor het overige ook niet aantoont dat enige rechtsnorm hem het recht verleent om, naar aanleiding van de uitwerking van een reglementair besluit, als individuele circusuitbater door de overheid gehoord te worden over een reglement dat gevolgen heeft voor zijn onderneming; dat het middel niet ernstig is; 6.
- Overwegende dat verzoeker zich met het derde middel opnieuw specifiek richt tegen artikel 5, § 1, van het bestreden besluit; dat daarin de schending aangevoerd wordt van artikel 6, § 2, van de wet betreffende het dierenwelzijn en van het grondwettelijk gelijkheidsbeginsel, doordat het criterium van onderscheid waarop de vaststelling van het aantal standplaatsen bepaald is -het al dan niet werken met dieren van de lijst A-, niet aanvaardbaar is en het in ieder geval een maatregel inhoudt die niet evenredig is met de doelstelling; dat hij in de toelichting bij het middel opnieuw verwijst naar de veiligheidsaspecten die het bestuur met de desbetreffende bepaling beoogt en voorts betoogt dat niet aangetoond is dat grote roofdieren en olifanten een groter gevaar zouden vormen dan de dieren die opgenomen zijn op lijst A, aangezien ook daarmee ongevallen gebeuren, en dat zeker niet aangetoond wordt dat het aantal ongevallen zal verminderen door het beperken van de standplaatsen; dat hij ten slotte van oordeel is dat, in acht genomen het feit dat de circussen die met dieren van de lijst A werken krachtens artikel 5, § 2, van het bestreden besluit in feite jaarlijks 121 standplaatsen mogen innemen, het beperken van de standplaatsen voor circussen met wilde dieren tot 32 niet in verhouding is met het beoogde doel; IX-5123-5/10 6.2.
- Overwegende dat, in de mate dat verzoeker aanvoert dat de verwerende partij geen deugdelijke rechtsgrond heeft om aspecten van de veiligheid van het gebruik van wilde dieren te regelen, het middel samenvalt met het eerste middel; dat de argumentatie van verzoeker niet volstaat om te besluiten dat de beperking van het aantal standplaatsen het welzijn van de dieren niet zou bevorderen; 6.2.
- Overwegende dat de beperking van het aantal standplaatsen geldt voor circussen en rondreizende tentoonstellingen die dieren gebruiken welke niet op lijst A zijn vermeld; dat aldus aan de circussen die dieren van de lijst B gebruiken een bijkomende voorwaarde wordt opgelegd; dat het middel de vraag oproept of de verwerende partij, in het kader van de bevoegdheid die de dierenwelzijnswet haar verleent, in het criterium van het werken met wilde dieren dan wel met huisdieren wel een pertinent criterium heeft kunnen vinden om het aantal standplaatsen voor circussen met wilde dieren te beperken; dat dat criterium van onderscheid enkel valabel kan zijn wanneer blijkt dat wilde dieren een betere bescherming verdienen dan huisdieren; Overwegende dat, om wettig te zijn, de beperking van de standplaatsen ingegeven moet zijn door de behartiging van het welzijn van de dieren; dat, voor zover de Raad van State op basis van de overgelegde stukken waarop hij in deze zaak acht kan slaan en de debatten ter terechtzitting kan uitmaken, de verwerende partij zulks lijkt benaderd te hebben vanuit het tegengaan van de ongemakken en de verwarring die bij de dieren kan ontstaan als gevolg van de verplaatsingen die het circus maakt; dat op het eerste gezicht uit het administratief dossier van de zaak niet opgemaakt kan worden dat de dieren vermeld op de lijst B te dien aanzien gevoeliger zijn dan de dieren vermeld op de lijst A; dat, daartegen- over, ook vastgesteld moet worden dat verzoeker zich niet verzet tegen de opname van de verschillende diersoorten op de lijst A -“huisdieren” genoemd- dan wel de lijst B -die een aantal soorten bevat die gewoonlijk in het wild leven; dat in de huidige stand van de rechtspleging daaruit opgemaakt wordt dat verzoeker aanvaardt dat er, bekeken vanuit het dierenwelzijn, intrinsieke verschillen bestaan tussen de dieren van de lijst A en de lijst B die toelaten een bepaald aantal soorten in het algemeen als “huisdier” aan te merken en andere als “wilde dieren”; dat zulks ook redelijk lijkt, wanneer vastgesteld wordt dat lijst A betrekking heeft op dieren die in een lange evolutie gedomesticeerd zijn, terwijl de dieren van lijst B van nature uit een geheel andere geaardheid bezitten; dat, met dat onderscheidingcriterium voor ogen, het aan verzoeker toekomt te bewijzen dat de dieren van lijst A en die van lijst B op het vlak IX-5123-6/10 van de stressbestendigheid dan weer niet van elkaar verschillen en daarvoor dan ook geen gedifferentieerde behandeling mogen genieten; dat verzoeker dat bewijs niet levert; 6.2.
- Overwegende dat de verwerende partij, binnen de uitoefening van haar discretionaire bevoegdheid, enerzijds de toegelaten standplaatsen voor circussen met wilde dieren op 32 vastgesteld heeft en dat zij anderzijds in artikel 5, § 2, van het bestreden besluit in het algemeen vastgesteld heeft dat de minimale verblijfsduur van dieren op dezelfde plaats tenminste drie opeenvolgende dagen moet bedragen; dat de omstandigheid dat de laatstvermelde regeling aan circussen die geen dieren van lijst B gebruiken een grotere mobiliteit toelaat, op zich niet betekent dat de beperking van het aantal standplaatsen tot 32 kennelijk onredelijk is; 6.
- Overwegende dat het middel niet ernstig is; 7.
- Overwegende dat verzoeker in het vierde middel machtsafwending aanvoert doordat de bepaling waarbij het aantal standplaatsen op 32 wordt bepaald, vastgesteld is op de maat van het circus Bouglione dat betrokken geworden is bij de onderhandelingen over het bestreden besluit en dat thans reeds precies 32 stand- plaatsen per jaar aandoet; 7.
- Overwegende dat uit de omstandigheid dat het circus Bouglione actueel 32 standplaatsen per jaar heeft en dat dit circus bij de besluitvorming betrokken is nog niet volgt dat de verwerende partij het bestreden besluit getroffen heeft met de enkele bedoeling dat circus te bevoordeligen, wat nochtans noodzakelijk is om het middel van machtsafwending te kunnen aannemen; dat uit de bespreking van de voorgaande middelen volgt dat niet aangetoond is dat de verwerende partij geen deugdelijke redenen had om, met het dierenwelzijn voor ogen, een nieuwe reglementering uit te werken aangaande het omgaan met dieren door circussen; dat het middel niet ernstig is; 8.
- Overwegende dat verzoeker in een vijfde middel de schending aanvoert van het decreet d’Allarde, van het beginsel van de vrijheid van handel, van artikel 30 E.G.-verdrag en van artikel 23 van de Grondwet, doordat het bestreden besluit neerkomt op een verbod om te werken met wilde dieren in circussen en rondreizende tentoonstellingen terwijl dergelijk verbod enkel ingevoerd kan worden door of krachtens een wet en die beperking evenredig moet zijn aan het beoogde IX-5123-7/10 doel; dat hij verduidelijkt dat de bestreden regeling “beperkend en streng (is)”, zo wat betreft het aantal standplaatsen als wat de huisvestingsnormen voor grote roofdieren en olifanten betreft; 8.
- Overwegende dat de vrijheid van handel getemperd wordt door regelingen die met het oog op de behartiging van het algemeen belang worden uitgevaardigd en waarvoor een deugdelijke wettelijke grondslag bestaat; dat het bestreden besluit steunt op de dierenwelzijnswet; dat de Raad van State de rechtmatigheidsbezwaren die verzoeker te dien aanzien naar voren brengt, niet ernstig bevindt; dat het middel niet ernstig is; 9.
- Overwegende dat verzoeker in het zesde middel de schending aanvoert van het redelijkheids- en het evenredigheidsbeginsel, in die zin dat de opgelegde huisvestingsnormen voor dieren die in circussen en rondreizende tentoonstellingen verblijven en die in werking treden op 1 januari 2012 zeer streng geredigeerd zijn, dat zij overeenstemmen met de regelgeving voor de dierentuinen en dat die strenge regeling niet in verhouding staat tot het beoogde doel; 9.
- Overwegende dat niet aangetoond wordt dat de bestreden bepalingen geen verband vertonen met de verbetering van het dierenwelzijn; dat de huisvestingsnormen voor zoogdieren, vogels en reptielen waarover hoofdstuk VI van het bestreden besluit handelt een aantal vereisten stelt aan de verblijfsvoorwaarden van die dieren; dat niet wordt ingezien waarom die vereisten, ook wanneer zij vergelijkbaar zijn met de normen die gelden voor dierentuinen, geen betrekking zouden kunnen hebben op het dierenwelzijn; dat, voor zover verzoeker een argument vindt in het feit dat hoofdstuk VI slechts in werking treedt op 1 januari 2012, opgemerkt wordt dat het voorzien in dergelijke overgangsperiode precies getuigt van de redelijke opstelling van de verwerende partij en van de eerbiediging van de belangen van betrokken sector; dat het middel niet ernstig is; 10.
- Overwegende dat verzoeker in het zevende middel de schending van het gelijkheidsbeginsel aanvoert in de zin dat het door artikel 6 van het bestreden besluit ingevoerde verbod van fysiek contact tussen -in essentie wilde- dieren en het publiek en het door artikel 3 ingestelde gebod om enkel in gevangenschap geboren dieren te gebruiken niet geldt voor dieren die verblijven in dierentuinen terwijl artikel 6 van de dierenwelzijnswet vereist dat het onderscheid tussen circussen en dierentuinen steunt op het welzijn van de dieren, hetgeen te dezen niet aangetoond IX-5123-8/10 is; dat hij van oordeel is dat niet aangetoond is waarom het welzijn van dieren in dierentuinen niet gestoord wordt door aanrakingen en waarom het welzijn van de dieren toelaat dat dieren die niet in gevangenschap geboren zijn wel in dierentuinen maar niet in circussen mogen verblijven; 10.
- Overwegende dat verzoeker niet aantoont op welke gronden aangenomen moet worden dat dieren die verblijven in dierentuinen zich in dezelfde situatie bevinden als dieren die in circussen gebruikt worden, terwijl het om inrichtingen gaan die merkelijk van elkaar verschillen en die op het eerste gezicht dan ook het voorwerp kunnen vormen van een gediversifieerde regelgeving, ook op het vlak van het dierenwelzijn; dat verzoeker ook geen moeite doet om de volgens hem bestaande verschilpunten tussen de onderscheiden regelingen te verduidelijken; dat in die zin het middel onvoldoende geadstrueerd is; dat het niet aan de Raad van State is het middel in zijn plaats te onderbouwen; dat het middel niet ernstig is;
- Overwegende dat geen van de door verzoeker aangevoerde middelen ernstig is; dat de vordering om die reden verworpen wordt, BESLUIT: Artikel
- De vordering tot schorsing wordt verworpen. Artikel
- De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. IX-5123-9/10 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op achttien april 2000 en zes, door : de HH. A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, wnd. kamervoorzitter, W. GEURTS, griffier. De griffier, De voorzitter, W. GEURTS. A. VANDENDRIESSCHE. IX-5123-10/10 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.157.624 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.164.389 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.