id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 18 april 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.157.626 Rolnummer: A. 69113/V-1466 Zaak: Arrêt / Arrest 157626 - / - 18/04/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-04-26 Raadplegingen: 85 - laatst gezien 2026-06-30 18:51 Versie(s): Versie FR Fiche Arrest nr 157.626 van 18 april 2006 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 157.626 van 18 april 2006 A. 69.113/V-1466 In zake : PETRIDIS Constantijn, die woonplaats kiest bij Mr. Eric CLIJMANS, advocaat, Schemersstraat 30 2000 Antwerpen, tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Wetenschapsbeleid, die woonplaats kiest bij Mr. Eric MARON, advocaat, Bronstraat 68 1060 Brussel. Tussenkomende partijen :
- WASTIAU Boris,
- BOUTTIAUX Anne-Marie, die beide woonplaats kiezen bij Mr. Anne BOUCQUEY, advocaat, Dageraadstraat 18 1000 Brussel. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE RAAD VAN STATE, Ve KAMER, Gezien het op 5 juli 1996 ingediende verzoekschrift, waarbij Constantijn PETRIDIS de vernietiging vordert van het koninklijk besluit van 18 januari 1996 waarbij Anne-Marie BOUTTIAUX en Boris WASTIAU benoemd worden in de graad van attaché bij het Koninklijk Museum voor Midden-Afrika voor een mandaat van twee jaar; Gelet op het arrest nr. 63.818 van 7 januari 1997 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit wordt verworpen; V - 1466 - 1/8 Gezien de op 5 juni 1997 ingediende verzoekschriften waarbij Anne- Marie BOUTTIAUX en Boris WASTIAU vragen om als tussenkomende partijen te mogen optreden; Gelet op de beschikking van 9 juli 1997, die de tussenkomende partijen tot de debatten toelaat; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgesteld door M. ROELANDT, auditeur-generaal; Gelet op de beschikking van 7 september 2001, die de neerlegging ter griffie van het verslag en het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en de laatste memories; Gelet op de beschikking van 18 januari 2006, waarvan aan de partijen kennis is gegeven en waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 23 februari 2006; Gehoord het verslag van G. VAN HAEGENDOREN, staatsraad; Gehoord de opmerkingen van Mr. N. CLIJMANS, advocaat, loco Mr. E. CLIJMANS, advocaat, die voor de verzoekende partij verschijnt, van Mr. J.-F. DE BOCK, advocaat, loco Mr. E. MARON, advocaat, die voor de tegenpartij verschijnt, en van Mr. A. BOUCQUEY, advocaat, die voor de tussenkomende partijen verschijnt; Gehoord het eensluidend advies van M. LEFEVER, eerste auditeur- afdelingshoofd; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; V - 1466 - 2/8 De gegevens van de zaak
- Overwegende dat de gegevens van de zaak kunnen worden samen- gevat als volgt : In het Belgisch Staatsblad van 18 november 1995 wordt de vacature van twaalf betrekkingen van wetenschappelijk personeelslid bij het Koninklijk Museum voor Midden-Afrika (wetenschappelijke instelling van de federale Staat) te Tervuren bekendgemaakt. Voor twee betrekkingen binnen de afdeling “algemene wetenschap- pelijke diensten” preciseert het bericht dat zij zullen worden toegekend respectievelijk aan een kandidaat die kan worden ingeschreven op de Nederlandse taalrol en aan een kandidaat die kan worden ingeschreven op de Franse taalrol. De overige betrekkingen zijn volgens het vacaturebericht alle toegankelijk zowel voor Frans- talige, als voor Nederlandstalige kandidaten die aan de algemene en speciale wervingsvoorwaarden voldoen. Verzoeker behaalde het diploma van licentiaat in de Kunstgeschiedenis en Oudheidkunde (richting Etnische Kunst) in 1991 met de grootste onderscheiding aan de Universiteit Gent en dient op 29 november 1995 zijn kandidatuur in voor de twee betrekkingen die zijn te begeven bij de afdeling etnografie van het Koninklijk Museum voor Midden-Afrika. Tijdens haar vergadering van 8 december 1995 onderzoekt de Commissie voor de werving en bevordering van het Koninklijk Museum de ingediende kandidaturen -eenentwintig in het totaal voor de afdeling etnografie- en beslist, na vergelijking van aanspraken en verdiensten, Anne-Marie BOUTTIAUX en Boris WASTIAU als best gerangschikte kandidaten voor te dragen aan de benoemende overheid. Verzoeker wordt telkens als derde gerangschikte kandidaat voorgedragen. Op 27 december 1995 legt de secretaris-generaal van de federale diensten voor wetenschappelijke, technische en culturele aangelegenheden de ontwerpen van koninklijk besluit voor met het oog op de aanwerving van twaalf wetenschappelijke personeelsleden bij het Koninklijk Museum voor Midden-Afrika. In een begeleidende nota aan de minister vermeldt hij wie door de Commissie als eerste gerang-schikt werd voor de onderscheiden betrekkingen, met telkens hun taalrol. Hij verduidelijkt: "[d]e huidige bezetting der taalkaders laat toe om 9 Franstalige en 3 Nederlandstalige kandidaten te benoemen". V - 1466 - 3/8 Bij koninklijk besluit van 18 januari 1996 worden Anne-Marie BOUTTIAUX en Boris WASTIAU benoemd tot attaché voor een mandaat van twee jaar bij het Koninklijk Museum voor Midden-Afrika. De bestreden benoemingen worden bij uittreksel gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad van 14 mei
- Op 5 juni 1996 wordt aan verzoeker, op zijn aanvraag, het verslag van 8 december 1995 van de Commissie voor de werving en bevordering medegedeeld; De procedure 2.
- Overwegende dat verzoeker een tweede “memorie van wederantwoord” heeft ingediend, waarin hij reageert op de verzoekschriften tot tussenkomst én een derde “memorie van wederantwoord”, waarin hij repliceert op de memories in tussenkomst; dat in de mogelijkheid tot het neerleggen van dergelijke bijkomende procedurestukken niet is voorzien in het algemeen procedurereglement; dat de stukken dienvolgens uit de debatten worden gehouden, behalve, gelet op het fundamentele recht op wederwoord, in zoverre in de derde memorie van wederantwoord wordt ingegaan op de ontvankelijkheidsexceptie die wordt opgeworpen door de tussenkomende partijen; 2.
- Overwegende dat verzoeker in de laatste memorie opmerkt van de in het Frans gestelde stukken van de tussenkomende partijen geen Nederlandse vertaling te hebben gekregen; dat hij daaruit afleidt niet geacht te worden om er kennis van te hebben kunnen nemen zodat bedoelde stukken niet ontvankelijk zijn; Overwegende, wat de taal van de tussenkomsten betreft, dat de tussenkomende partijen, die onderworpen zijn aan de wetgeving op het gebruik der talen in bestuurszaken, hun procedurestukken in het Frans moesten neerleggen, zodat zij daarom geenszins onontvankelijk zijn; Overwegende dat een vertaling van die stukken door de Raad van State niet verplicht is; dat zulks maar overwogen hoeft te worden indien een van de partijen er om verzoekt; dat verzoeker wel protesteert, maar formeel niets vraagt; dat, meer nog, verzoeker in de door hem neergelegde memories ten volle reageert op de aangevoerde en hierna besproken exceptie, zodat hij in zoverre niet geacht kan worden in zijn rechten van verdediging te zijn geschaad; dat het auditoraatsverslag is beperkt tot een onderzoek van bedoelde exceptie; dat de Raad van State over die V - 1466 - 4/8 exceptie dan ook uitspraak mag doen, zonder de procedure verder te vertragen voor een vertaling van de stukken die uitgaan van de tussenkomende partijen; De ontvankelijkheid van het beroep
- Overwegende dat de tussenkomende partijen verzoeker belang ontzeggen bij zijn beroep; dat zij deze exceptie, gesteund op de wetgeving op het gebruik der talen in bestuurszaken, als volgt adstrueren: het taalkader van het wetenschappelijk personeel van het museum is vastgesteld op 14 Nederlandstaligen en 14 Franstaligen; op het ogenblik van de aanwerving waren effectief reeds tien Nederlandstalige plaatsen opgevuld, tegenover slechts vier Franstalige betrekkingen; overeenkomstigs ’s Raads rechtspraak moet dan het taalevenwicht weer worden bereikt door bij voorrang Franstaligen te benoemen; verzoeker beperkt zich ertoe enkel de nietigverklaring te vorderen van twee Franstalige benoemingen; zelfs indien die benoemingen zouden worden vernietigd, is de overheid andermaal verplicht Franstaligen te benoemen; een gebeurlijke vernietiging kan verzoeker dan ook geen voordeel opleveren; hij doet bijgevolg niet blijken van het wettelijk vereiste belang;
- Overwegende dat verzoeker repliceert dat de betrekkingen voor kandidaten van beide taalrollen toegankelijk waren en dat, indien deze formulering in de vacantverklaring in strijd was met de taalkaders, het een “nep-vacantverklaring” betreft; dat hij in de derde memorie van wederantwoord voorts betoogt “dat precies daarom het geheel van de 12 benoemingen in vraag dient gesteld te worden”; dat hij in de laatste memorie argumenteert “[d]at men moeilijk kan verwachten dat iemand die kandidaat is voor een overeenkomstig de wet voor de twee taalrollen openverklaarde plaats vooraf het taalkader van de instelling moet bestuderen om te weten [...] of een plaats die voor de twee taalrollen openverklaard is, gelet op het beoogde taalevenwicht, in de realiteit voorbehouden is voor de ene of de andere taalrol”; dat hij zich gedupeerd voelt door de traagheid van de Raad van State en meent dat een taalevenwicht “anno 2001” -jaar waarin het auditoraatsverslag en verzoekers laatste memorie zijn neergelegd- in geen geval kan worden ingeroepen tegen zijn vraag tot vernietiging van benoemingen die in 1996 hebben plaatsgevonden; dat hij dan nog uitvoerig ingaat op de onwettigheid van de benoemingen die hij bestrijdt; dat hij zich ook afvraagt “in welke mate de gegevens over de taalkaders en het taalevenwicht in het KMMA overeenkomstig het KB van 22 september 1995 nog overeenstemmen met het KB van 8 februari 2000 [...] dat de KB’s betreffende de vorige taalregeling vervangt”; dat verzoeker vervolgens betoogt dat er “redenen bestaan om te twijfelen aan de wettigheid” van de benoeming, in V - 1466 - 5/8 1990, van dienstdoend afdelingshoofd G.V.; dat hij nog meent dat er “gelet op het nagestreefde taalevenwicht ondanks de openverklaring in het BS onmogelijk kan worden volgehouden dat alle plaatsen toegankelijk waren voor de Franse en de Nederlandse taalrol”; dat volgens hem de geselecteerde kandidaten “als een geschenk uit de hemel”, “perfect aan de te bezetten taalrollen” beantwoorden; dat volgens verzoeker zelfs indien de redenering van tussenkomende partijen gevolgd zou worden, dan nog “hic et nunc” bij een wederopenverklaring niet uitgesloten kan worden dat hij opnieuw kan postuleren en benoemd worden, gezien de mogelijke evoluties door pensionering, ontslag of overlijden;
- Overwegende dat bij koninklijk besluit van 22 september 1995 tot vaststelling van de taalkaders van de federale wetenschappelijke instellingen die ressorteren onder de minister tot wiens bevoegdheid de federale diensten voor wetenschappelijke, technische en culturele aangelegenheden behoren, wat betreft de betrekkingen in de derde trap van de hiërarchie, waartoe de graden van attaché en van assistent behoren, telkens veertien betrekkingen op het Nederlandstalig en het Franstalig kader zijn verdeeld; Overwegende dat verwerende partij niet hierin wordt tegengesproken dat ten tijde van de bestreden benoemingen tien Nederlandstalige en vier Franstalige betrekkingen op dit kader bezet waren; Overwegende dat de overheid verplicht is om bij voorrang te benoemen in het taalkader waarvan het aantal effectief ingenomen betrekkingen het verst verwijderd is van het wettelijk vastgestelde aantal betrekkingen; dat verwerende partij na de vacantverklaring van twaalf betrekkingen dan ook wettig handelt door drie Nederlandstaligen en negen Franstaligen te benoemen, ten einde het voorgeschreven taalevenwicht te bereiken; Overwegende dat hiermee niet in tegenspraak is dat tien van de twaalf vacante betrekkingen toegankelijk werden verklaard voor kandidaten van beide taalrollen; dat dit de benoemende overheid immers toeliet een keuze te maken uit Nederlandstaligen en Franstaligen, ook voor de afdeling “etnografie”, doch binnen de perken van de taalkaders en rekening houdende met de effectieven die reeds de betrekkingen voorzien op die taalkaders bezetten; Overwegende dat verzoeker in het inleidend verzoekschrift enkel twee Franstalige benoemingen heeft aangevochten zodat in geval van nietigverklaring V - 1466 - 6/8 hiervan, nu de andere benoemingen definitief zijn geworden, de benoemende overheid genoodzaakt zal zijn opnieuw twee Franstaligen te benoemen; Overwegende dat verzoeker tegen de opgeworpen exceptie vergeefs inbrengt dat de taalkaders bij koninklijk besluit van 8 februari 2000 zijn gewijzigd of nog, dat de eventuele vernietiging heden hem toch nieuwe kansen op benoeming zou bieden ingevolge mogelijke pensionering, ontslag of overlijden van andere perso- neelsleden en de weerslag daarvan op de huidige bezetting van de taalkaders; dat immers het belang waarvan verzoeker krachtens artikel 19 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State moet doen blijken minstens ook voorhanden dient te zijn op het tijdstip van het indienen van het annulatieberoep; dat dit veronderstelt dat verzoeker ten tijde van het bestreden besluit benoemd kon worden; dat derhalve niet kan worden aangenomen dat een nietigverklaring van een benoeming, die op het ogenblik van de benoeming wegens de bezetting van de taalkaders niet aan een ambtenaar van verzoekers taalrol kon worden toegekend, kan worden ingewilligd om de enkele reden dat, na de eventuele vernietiging, de effectieve bezetting van de taalkaders of zelfs de taalkaders zelf zodanig gewijzigd zijn geworden dat verzoeker in de aldus thans opnieuw vacant geworden betrekking benoemd zou kunnen worden; dat ook om diezelfde reden het ingeroepen tijdsverloop bij de rechtsgang voor de Raad van State niets met de gegrondheid of de verwerping van de exceptie van doen heeft; Overwegende dat ook de benoeming, in 1990, van dienstdoend afdelingshoofd G.V. definitief is geworden; dat verzoeker hoe dan ook niet dienstig in zijn laatste memorie de onwettigheid kan aanvoeren van die eerdere benoeming; dat verzoeker om dezelfde reden ook vergeefs “het geheel van de 12 benoemingen” in vraag stelt, nu ook de andere benoemingen definitief zijn geworden en daargelaten nog de vaststelling dat hij geen kandidaat was voor die andere betrekkingen; Overwegende dat verzoeker geen belang heeft bij en niet ontvankelijk is om enkel de nietigverklaring te vorderen van benoemingen in betrekkingen die, bij hun gebeurlijke nietigverklaring, opnieuw bestemd zijn voor een ambtenaar van een andere taalrol dan de zijne; dat de exceptie gegrond is, V - 1466 - 7/8 BESLUIT: Artikel
- Het beroep wordt verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 99,16 euro, komen ten laste van verzoeker. De kosten van de tussenkomst, bepaald op 148,74 euro, komen ten laste van de tussenkomende partijen, elk voor de helft. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting van de Ve kamer, op achttien april tweeduizend en zes, door : de H. L. HELLIN, staatsraad, wnd. kamervoorzitter, Mevr. S. GEHLEN, staatsraad, de HH. G. VAN HAEGENDOREN, staatsraad, W. GEURTS, griffier. De griffier, De wnd. voorzitter, W. GEURTS. L. HELLIN. V - 1466 - 8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.157.626 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div