← België

Arrêt / Arrest 157627 - / - 18/04/2006

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 18 april 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.157.627 Rolnummer: A. 105533/XII-3153 Zaak: Arrêt / Arrest 157627 - / - 18/04/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-04-26 Raadplegingen: 81 - laatst gezien 2026-06-30 18:53 Versie(s): Versie FR Fiche Arrest nr 157.627 van 18 april 2006 - Beslissing : Verwerping heropening debatten Verwijzing naar alg.rol Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 157.627 van 18 april 2006 A. 105.533/V-1625 In zake : GODDERIS Wilfried, Stokerijstraat 15 1930 Nossegem, tegen : de Brusselse Hoofdstedelijke Dienst voor brandweer en dringende medische hulp, die woonplaats kiest bij Mr. Christophe RONSE en Mr. William TIMMERMANS, advocaten, Tour & Taxis Havenlaan 86C, bus 414 1000 Brussel. Tussenkomende partij : DELVAUX Eric, die woonplaats kiest bij Mr. Jérôme SOHIER, advocaat, Emile De Motlaan 19 1000 Brussel. ---------------------------------------------------------------------------------------------------- --- DE RAAD VAN STATE, Ve KAMER, Gezien het op 5 juni 2001 ingediende verzoekschrift, waarbij Wilfried GODDERIS de vernietiging vordert van de besluiten van 30 november 2001 en van 14 augustus 2001 van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering, houdende 72 bevorderingen tot sectiechef bij de Brusselse Hoofdstedelijke Dienst voor brandweer en dringende medische hulp; Gezien het op 31 augustus 2001 ingediende verzoekschrift waarbij Eric DELVAUX vraagt om als tussenkomende partij te mogen optreden; Gelet op de beschikking van 17 januari 2002, die de tussenkomende partij tot de debatten toelaat; V - 1625 - 1/7 Gezien de memorie van wederantwoord en de toelichtende memorie; Gezien de memorie van de tussenkomende partij; Gezien het verslag opgesteld door eerste auditeur M. LEFEVER; Gelet op de beschikking van 20 oktober 2003, die de neerlegging ter griffie van het verslag en het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en de laatste memories; Gelet op de beschikking van 18 januari 2006, waarvan aan de partijen kennis is gegeven en waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 23 februari 2006; Gehoord het verslag van staatsraad G. VAN HAEGENDOREN; Gehoord de opmerkingen van verzoeker, van advocaat Chr. RONSE, die voor de verwerende partij verschijnt, en van advocaat N. BENAISSA die, loco advocaat J. SOHIER verschijnt voor de tussenkomende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd M. LEFEVER; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; De gegevens van de zaak

  1. Overwegende dat bij dagorder nr. é9 van 15 juni 2000 de vacature van 72 betrekkingen van sectiechef ter kennis wordt gebracht van het personeel; dat de dagorder nader specificeert: “50F en 22N” en voorts onder meer vermeldt dat de kandidaten moeten voldoen aan de voorwaarden van artikel 26 van het administratief statuut van het personeel van de Dienst, wat inhoudt dat zij onder meer moeten voldoen aan het profiel vastgesteld door de directieraad; Overwegende dat verzoeker op 11 juli 2000 zijn kandidatuur indient; V - 1625 - 2/7 Overwegende dat de directieraad op 23 januari 2001 de kandidaturen van de Nederlandstalige en de Franstalige kandidaten onderzoekt en een rangschikking opstelt van respectievelijk 23 Nederlandstaligen en 53 Franstaligen; dat de directieraad in de loop van de maand februari de bezwaarschriften onderzoekt die werden ingediend door verschillende kandidaten en twee nieuwe rangschikkingen opstelt; Overwegende dat de Brusselse Hoofdstedelijke Regering bij verschil- lende besluiten van 30 november 2001 en van 14 augustus 2001, 49 Franstaligen, waaronder tussenkomende partij, en 23 Nederlandstaligen tot de graad van sectiechef bevordert; De procedure
  2. Overwegende dat de verwerende partij binnen de voorgeschreven termijn geen memorie van antwoord heeft ingediend, noch een administratief dossier heeft neergelegd; dat zij naderhand wel, op uitdrukkelijk verzoek van het bevoegde lid van het auditoraat, de stukken heeft overgelegd van de benoemingsprocedure die heeft geleid tot de bestreden benoemingen; dat evenwel de begeleidende brief, waarin zij opmerkingen formuleert bij het beroep, als een niet in het procedurereglement gekend stuk uit de debatten moet worden geweerd; De ontvankelijkheid van het beroep 3.
  3. Overwegende dat de tussenkomende partij opwerpt dat verzoeker er geen belang bij heeft de vernietiging van de benoemingen van Franstalige collega’s te vorderen omdat hij geen roeping heeft voor betrekkingen die toekomen aan de Franse taalrol; 3.
  4. Overwegende dat verzoeker in de laatste memorie repliceert dat zijn belang betrekking heeft op het geheel van de benoemingen welke voortvloeien uit de dienstnota van 15 juni 2000; dat hij vooreerst argumenteert dat in de loop van de procedure de kandidaten geëvalueerd werden onafhankelijk van hun taalrol “en het is enkel op het einde van de procedure dat de betrokken agenten ingevoegd werden in de franstalige of nederlandstalige taalrol”; dat hij voorts oppert dat het bij annulatie van de betwiste benoemingen onmogelijk is reeds de taalverdeling te berekenen, die immers afhankelijk is van de evolutie van de effectieven in de loop van de jaren door ontslag, opruststellingen, overlijden, en zo meer; dat verzoeker ten slotte V - 1625 - 3/7 argumenteert dat in zijn specifiek geval een en ander ook afhangt van de evolutie van de annulatieberoepen tegen het besluit van 10 december 1998 waarbij de taalkaders zijn vastgesteld; 3.
  5. Overwegende dat verzoeker zich vergist in de bewering dat de kandidaten onafhankelijk van hun taalrol werden geëvalueerd; dat reeds de dienstorder van 15 juni 2000 de verdeling van de betrekkingen over de taalkaders heeft gespecificeerd en ook de directieraad steeds de dossiers gescheiden naar taalrol heeft onderzocht en gerangschikt, zodat het verweer van verzoeker in zoverre feitelijke grondslag mist; Overwegende dat verzoeker tegen de opgeworpen exceptie eveneens vergeefs inbrengt dat de eventuele vernietiging van de Franstalige benoemingen hem toch nieuwe kansen op benoeming zou bieden ingevolge mogelijke pensionering, ontslag of overlijden van andere personeelsleden en de weerslag daarvan op de huidige bezetting van de taalkaders; dat immers het belang waarvan verzoeker krachtens artikel 19 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State moet doen blijken minstens ook voorhanden dient te zijn op het tijdstip van het indienen van het annulatieberoep; dat dit veronderstelt dat verzoeker ten tijde van het bestreden besluit benoemd kon worden; dat derhalve niet kan worden aangenomen dat een nietigverklaring van een benoeming, die op het ogenblik van de benoeming wegens de bezetting van de taalkaders niet aan een ambtenaar van verzoekers taalrol kon worden toegekend, kan worden ingewilligd om de enkele reden dat, na de eventuele vernietiging, de effectieve bezetting van de taalkaders zodanig gewijzigd is dat verzoeker in de aldus thans opnieuw vacant geworden betrekkingen benoemd zou kunnen worden; Overwegende dat de twee annulatieberoepen tegen de taalkaders zelf van de Dienst, waar verzoeker op alludeert, geleid hebben tot, in de ene zaak, een afstand van het beroep, vastgesteld bij arrest nr. 100.159 van 24 oktober 2001 en, in de andere zaak, een verwerping van het beroep bij arrest nr. 149.862 van 6 oktober 2005; dat die beroepen dienvolgens verzoekers zaak niet kunnen beïnvloeden; 3.
  6. Overwegende dat verzoeker wél, voor het eerst in de laatste memorie, zélf de onwettigheid aanvoert van de bedoelde taalkaders; dat hij uiteenzet dat de regering van het Brusselse Hoofdstedelijk Gewest zich voor de vaststelling van de taalkaders baseerde op een verdeelsleutel van 70,52% F / 29,48% N en dat deze verdeling “in strijd [is] met artikel 43, § 3 welke oplegt dat de verdeling van de V - 1625 - 4/7 taalkaders moet gebeuren rekening houdende, op alle trappen van de hiërarchie, met de belangrijkheid welke respectievelijk voor elke dienst de franse taal en de nederlandse taal vertegenwoordigt en niet in functie van een verdelingssleutel welke niet nagekeken werd”; Overwegende dat de wetgeving op het gebruik der talen in bestuurs- zaken de openbare orde raakt, zodat een rechtsmiddel dat gesteund is op de schending ervan ook in een laatste memorie nog aangevoerd mag worden; dat de vraag rijst of verzoeker dit ook naar behoren doet; dat verzoeker weliswaar artikel 43, § 3, van de gecoördineerde wetten op het gebruik der talen in bestuurszaken als geschonden bepaling vermeldt; dat evenwel de uiteenzetting van een “rechtsmiddel” niet enkel vereist dat de rechtsregel wordt aangeduid die zou zijn geschonden maar ook de wijze waarop die rechtsregel door de bestreden rechtshandeling werd geschonden; dat verzoeker een procentuele verdeling van de betrekkingen over de taalkaders weergeeft en deze met de aangevoerde wetsbepaling in strijd verklaart, omdat volgens hem “een verdelingssleutel [...] niet nagekeken werd”; dat verzoeker in zijn laatste memorie met geen minimum aan concrete gegevens poogt die loutere bewering aannemelijk te maken; dat een dergelijke losse bewering, zonder de minste nadere ontwikkeling, niet volstaat om de wijze waarop de aangevoerde wetsbepaling geschonden is te omschrijven; dat de Raad van State dit niet in de plaats van een verzoekende partij vermag te ondernemen en het ook niet spontaan blijkt; dat verzoeker aldus geen middel aanbrengt waar de Raad zich over moet uitspreken; 3.
  7. Overwegende dat niet is gebleken dat de taalkaders onwettig zijn totstandgekomen; dat dit noopt tot de vaststelling dat verzoeker, die behoort tot de Nederlandse taalrol en alleen in aanmerking kan komen voor een benoeming op het Nederlandstalig kader, geen roeping heeft voor een van de betrekkingen die op het Franstalig kader vacant waren; dat hij geen belang heeft bij en niet ontvankelijk is om enkel de nietigverklaring te vorderen van benoemingen in betrekkingen die, bij hun gebeurlijke nietigverklaring, opnieuw bestemd zijn voor een ambtenaar van een andere taalrol dan de zijne; dat de exceptie gegrond is; dat het beroep niet ontvankelijk is voor zover het gericht is tegen de benoemingsbesluiten van 30 november 2001 en van 14 augustus 2001 waarbij Franstalige collega’s zijn benoemd;
  8. Overwegende dat uit de vaststelling sub 3.
  9. volgt dat de tussenkomende partij, die tot de Franse taalrol behoort, niet langer in het geding is; dat zodoende niet meer is voldaan aan artikel 61, 4/, van de gecoördineerde wetten op de Raad van V - 1625 - 5/7 State, hetwelk bepaalt dat naar de tweetalige kamer worden verwezen, de zaken bedoeld in artikel 60, wanneer de titularis wiens rechtstoestand geregeld wordt, op regelmatige wijze in de zaak tussenkomt, waardoor de toepassing in zijnen hoofde van de in de artikelen 54 tot 59 vermelde criteria het verplicht gebruik van een andere taal dan die waarin de zaak met toepassing van artikel 60 zou behandeld moeten worden tot gevolg heeft; dat wegens het niet meer in het geding zijn van de voornoemde tussenkomende partij, overeenkomstig de artikelen 54 en 60 van dezelfde gecoördineerde wetten de taal van de procedure nog uitsluitend het Nederlands is; dat derhalve de beroepen verder door een Nederlandstalige kamer dienen te worden behandeld, BESLUIT: Artikel
  10. Het beroep wordt verworpen voor zover het strekt tot de nietigverklaring van de besluiten van 14 augustus 2001 en van 30 november 2001 van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering, waarbij 49 Franstaligen worden bevorderd tot de graad van sectiechef bij de Brusselse Hoofdstedelijke Dienst voor brandweer en dringende medische hulp. Artikel
  11. De debatten in de aldus beperkte zaak worden heropend. Artikel
  12. De zaak wordt verwezen naar de algemene rol om te worden toegewezen aan een Nederlandstalige kamer. Artikel
  13. De kosten van het beroep tot nietigverklaring worden in beraad gehouden. De kosten van de tussenkomst, bepaald op 123,95 euro, komen ten laste van de tussenkomende partij. V - 1625 - 6/7 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting van de e V kamer, op achttien april tweeduizend en zes, door : de H. L. HELLIN, staatsraad, wnd. kamervoorzitter, Mevr. S. GEHLEN, staatsraad, de HH. G. VAN HAEGENDOREN, staatsraad, W. GEURTS, griffier. De griffier, De wnd. voorzitter, W. GEURTS. L. HELLIN. V - 1625 - 7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.157.627 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.161.080 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.