← België

Arrest 157633 - - 18/04/2006

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 18 april 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.157.633 Rolnummer: A. 169485/XII-4624 Zaak: Arrest 157633 - - 18/04/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-04-27 Raadplegingen: 73 - laatst gezien 2026-07-04 04:23 Fiche Arrest nr 157.633 van 18 april 2006 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 157.633 van 18 april 2006 in de zaak A. 169.485/XII-

  1. In zake : Wim VANHEEDE, die woonplaats kiest bij advocaat D. Dumont, kantoor houdende te Oostende, Elisabethlaan 25, bus 1 tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Wim Vanheede op 16 januari 2006 heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van de beslissing van 9 november 2005 van de minister van Binnenlandse Zaken waarbij de hernieuwing van zijn vergunning om het beroep van privé-detective uit te oefenen wordt geweigerd; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgesteld door eerste auditeur-afdelingshoofd W. Van Noten; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; Gelet op de beschikking van 14 maart 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 28 maart 2006; Gehoord het verslag van staatsraad J. Lust; Gehoord de opmerkingen van advocaat N. De Clercq, die loco advocaat D. Dumont verschijnt voor verzoeker, en van attaché P. Cornette, die verschijnt voor de verwerende partij; XII-4624-1/6 Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd W. Van Noten; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat de minister van Binnenlandse Zaken bij besluit van 22 augustus 2000 aan verzoeker de vergunning verleent om het beroep van privé- detective als bijberoep uit te oefenen; dat verzoeker met een brief van 10 december 2004 vraagt zijn vergunning te vernieuwen; dat, om advies gevraagd, de procureur des Konings te Brugge meedeelt dat hij “een voorbehoud maakt wegens een reeks feiten van exhibitionisme”; dat in bijlage afschriften van processen-verbaal worden gevoegd; dat de politie van Tielt melding van maakt van nog andere processen-verbaal; dat met een brief van 5 augustus 2005 verzoeker er van ingelicht wordt dat de minister overweegt om zijn vergunning als privé-detective niet te vernieuwen; dat verwezen wordt naar een dossier van feiten van exhibitionisme, en naar dossiers aangaande feiten van belaging en vandalisme; dat verzoeker geen gebruik maakt van de mogelijkheid om zijn standpunt kenbaar te maken; dat op 9 november 2005 de minister van Binnenlandse Zaken de vernieuwing van de vergunning weigert; dat de beslissing stilstaat bij de verschillende dossiers waarnaar in de brief van 5 augustus 2005 verwezen wordt, om dan te overwegen : “Overwegende dat het geheel van de voornoemde feiten getuigt van een laakbare deontologie in hoofde van de betrokkene; Overwegende dat hier in acht dient te worden genomen dat de lastens de heer Wim Vanheede opgestelde processen-verbaal betrekking hebben op feiten van exhibitionisme en belaging; Overwegende dat het hier dus duidelijk gaat om misdrijven waartoe een privé- detective krachtens de bewoordingen van artikel 3, § 1, 1/ van de wet van 19 juli 1991 niet mag veroordeeld zijn; Overwegende dat, niettegenstaande het feit dat de heer Wim Vanheede niet effectief werd veroordeeld uit hoofde van voornoemde misdrijven, deze feiten als zwaarwichtig dienen te worden beschouwd daar zij uitdrukkelijk werden voorzien in de bepalingen van artikel 3, § 1, 1/ van de wet van 19 juli 1991; Overwegende dat een privé-detective in de uitoefening van zijn activiteiten immers een voorbeeldfunctie heeft; Overwegende dat de door de heer Wim Vanheede gepleegde feiten, ook al hebben zij zich voorgedaan in zijn privé-leven en niet in de uitoefening van zijn functie als privé-detective, wijzen op een ingesteldheid die niet beoogd wordt door de wetgever ten aanzien van personen die werkzaam zijn in de private opsporing”; Overwegende dat krachtens artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging kan worden XII-4624-2/6 besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de nietigverklaring van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; Overwegende, met betrekking tot de eerste voorwaarde, dat verzoeker vier middelen aanvoert; dat een eerste middel is afgeleid uit de schending van het redelijkheidsbeginsel, doordat feiten die zonder gevolg geklasseerd zijn en waarvoor verzoeker -in één geval- zelfs is vrijgesproken, niettemin als een ernstige tekortkoming aan de beroepsdeontologie worden beoordeeld; Overwegende dat, zoals de Raad van State de bestreden beslissing in de huidige stand van de procedure leest en begrijpt, de ministeriële weigering uitsluitend is gesteund op feiten van exhibitionisme en belaging, die wezenlijk gestaafd worden door dossier BG37.L5.13114-03, respectievelijk dossier BG53.77.3263-01; dat beide dossiers “om opportuniteitsredenen” door het parket geseponeerd werden, het eerste gelet op de “wanverhouding gevolgen van strafvordering”, het tweede vanwege “toestand geregulariseerd”; dat het dossier van vandalisme, waarin de politierechter de betichting tegen verzoeker niet bewezen verklaarde, op het eerste gezicht niet mee een motief voor de weigering van de gevraagde vergunning is geweest; Overwegende dat artikel 3, § 4, van de wet van 19 juli 1991 tot regeling van het beroep van privé-detective voorschrijft dat de minister van Binnenlandse Zaken over een appreciatiebevoegdheid beschikt betreffende de door de detective gepleegde feiten die, zelfs als ze niet het voorwerp hebben uitgemaakt van een strafrechtelijke veroordeling, een ernstige tekortkoming van de beroepsdeontologie uitmaken en daarom raken aan het vertrouwen in de betrokkene; dat, naar de verwerende partij in de nota op het eerste gezicht geloofwaardig toelicht, “er een belangrijk onderscheid moet gemaakt worden tussen de manier waarop feiten moeten bekeken worden op deontologisch vlak en op strafrechtelijk vlak” en “dat dezelfde feiten een andere orde van belangrijkheid vertonen naargelang ze op strafrechtelijk vlak of op deontologisch vlak bekeken worden”; Overwegende dat verzoeker in het middel niet aannemelijk maakt dat de minister de redelijkheidsgrenzen van zijn beoordelingsbevoegdheid te buiten is gegaan door in de concrete omstandigheden van de zaak -waaronder de afwezigheid van enig verweer van verzoeker in reactie op de brief van 5 augustus 2005- te hebben XII-4624-3/6 gemeend dat de feiten waarvan de beide voormelde dossiers inzake exhibitionisme en belaging doen blijken, een vernieuwing van zijn vergunning in de weg staan, ook al gaven ze geen aanleiding tot een strafrechtelijke veroordeling; dat het middel niet ernstig is; Overwegende dat verzoeker in een tweede middel de schending van de materiële motiveringsplicht doet gelden; dat hij betoogt dat de minister ten onrechte en zonder enige vorm van proces heeft geoordeeld dat de feiten die in de dossiers aan bod komen, met de werkelijkheid overeenstemmen; Overwegende dat het niet volstaat, teneinde de ondeugdelijkheid van de motieven van de bestreden beslissing aan te tonen, louter en alleen te poneren dat de feiten die in aanmerking zijn genomen niet met de realiteit stroken; dat verzoeker met een brief van 5 augustus 2005 uitdrukkelijk is uitgenodigd geworden zich ten aanzien van de betreffende feiten te verweren; dat hij verkozen heeft dat niet te doen; dat ook voor de Raad van State verzoeker er niet toe komt aan te geven waarom de feiten niet voor waar mogen worden gehouden, behoudens dan wat de feiten betreft waarvoor hij door de politierechtbank is vrijgesproken; dat laatstgenoemde feiten evenwel niet mee tot de werkelijke grondslag van de bestreden beslissing lijken te behoren; dat het middel niet ernstig is; Overwegende dat volgens een derde middel de verwerende partij het rechtszekerheidsbeginsel heeft geschonden, door te verwijzen naar drie dossiers die al dateren van vóór zijn eerste vergunning van 22 augustus 2000; dat hij uiteenzet dat aangezien ze niet in aanmerking zijn genomen bij de goedkeuring van zijn eerste aanvraag, ze ook niet meer aangebracht konden worden met betrekking tot de verlenging van de vergunning; Overwegende dat verzoeker zich lijkt te vergissen wanneer hij meent dat de bestreden beslissing tevens steun zoekt in dossiers -aangaande exhibitionisme- van vóór zijn eerste vergunning als privé-detective; dat, inzake feiten van exhibitionisme, de aangevochten beslissing alleen gebaseerd is op het dossier BG37.L5.13114-03, waarbij gevoegd zijn de dossiers BG37.L5.13331-03 en BG37.L.13341-03; dat daaraan geen afbreuk doet de verwijzing in dit verband naar dossiers uit 1993, 1994, 1996 en 2001, die er alleen toe strekt te illustreren dat ook al in het verleden “gelijkaardige vaststellingen werden gedaan waarbij vrouwelijke personen het slachtoffer werden” en dat de feiten een “recurrent karakter” hebben; dat het middel niet ernstig is; XII-4624-4/6 Overwegende dat in een vierde middel, afgeleid uit de schending van het zorgvuldigheidsbeginsel, verzoeker herhaalt dat de motivering verwijst naar een dossier waarin hij is vrijgesproken en stelt dat de weigering onvoldoende stevig gestaafd is; Overwegende dat het middel op het eerste gezicht samenvalt met het eerste en het tweede middel; dat het net als die middelen niet ernstig is; Overwegende dat verzoeker geen ernstige middelen aanvoert; dat aldus niet voldaan is aan tenminste een van de grondvoorwaarden voor een schorsing; dat deze vaststelling volstaat om de vordering tot schorsing te verwerpen, BESLUIT: Artikel
  2. De vordering tot schorsing wordt verworpen. Artikel
  3. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. XII-4624-5/6 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op achttien april 2006, door : de HH. J. LUST, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, F. BONTINCK, griffier. De griffier, De voorzitter, F. BONTINCK. J. LUST. XII-4624-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.157.633 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.162.501 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.