← België

Arrest 157640 - - 19/04/2006

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 19 april 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.157.640 Rolnummer: A. 115977/XIV-8286 Zaak: Arrest 157640 - - 19/04/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-04-28 Raadplegingen: 58 - laatst gezien 2026-07-02 13:22 Fiche Arrest nr 157.640 van 19 april 2006 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 157.640 van 19 april 2006 in de zaak A. 115.977/XIV-

  1. In zake : XXX, die woonplaats kiest bij advocaat J.P. VIDICK, kantoor houdende te 1090 BRUSSEL, Augustijnernonnenstraat 67 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door : de minister van Binnenlandse Zaken. -------------------------------------------------------------------------------------------------------------- --- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Nigeriaanse nationaliteit, op 7 januari 2002 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 16 november 2001 houdende onontvankelijk verklaring van een aanvraag om machtiging tot voorlopig verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten, aan de verzoekende partij ter kennis gebracht op 10 december 2001; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de beschikking van 14 oktober 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 22 december 2004; Gehoord het verslag van staatsraad C. ADAMS; XIV-8286-1/7 Gehoord de opmerkingen van advocaat A. HAEGEMAN, die loco advocaat J.P. VIDICK verschijnt voor de verzoekende partij en van advocaat E. MATTERNE, die verschijnt voor de minister van Binnenlandse Zaken; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  2. Overwegende dat de verzoekende partij aan de Belgische grens wordt aangetroffen op 4 oktober 1998 en zich vluchteling verklaart op 5 oktober 1998; dat op 5 oktober 1998 de minister van Binnenlandse Zaken beslist tot weigering van verblijf, met bevel tot terugdrijving; dat op 26 oktober 1998 de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen beslist dat verder onderzoek noodzakelijk is; dat op 22 maart 2000 de commissaris-generaal overgaat tot weigering van erkenning van de hoedanigheid van vluchteling; dat op 4 januari 2001 de Vaste Beroepscommissie voor de Vluchtelingen eveneens overgaat tot weigering van erkenning van de hoedanigheid van vluchteling; dat de Raad van State met zijn arrest nr. 107.934 van 18 juni 2002 het beroep tot nietigverklaring van de voormelde beslissing van de Vaste Beroepscommissie voor de Vluchtelingen verwerpt; Overwegende dat op 22 februari 2001 de verzoekende partij met toepassing van artikel 9, derde lid van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet) een aanvraag om machtiging tot voorlopig verblijf indient bij de burgemeester van Antwerpen; dat op 16 november 2001 de minister van Binnenlandse Zaken deze aanvraag onontvankelijk verklaart en op 10 december 2001 een bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten geeft; dat dit de thans bestreden beslissingen zijn; dat de beslissing tot onontvankelijk verklaring van de aanvraag om machtiging tot verblijf is als volgt gemotiveerd: “In toepassing van art. 9 alinea 3, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, deel ik U mede dat dit verzoek onontvankelijk is. Redenen Er werden geen uitzonderlijke omstandigheden aangehaald waarom de betrokkene de aanvraag om machtiging tot verblijf niet kan indienen via de gewone procedure namelijk via de diplomatieke of consulaire post bevoegd voor de verblijfplaats of de plaats van oponthoud on het buitenland. De problemen in zijn land hebben reeds het voorwerp uitgemaakt van een diepgaand onderzoek in het kader van de asielaanvraag. Deze aanvraag werd afgewezen, hoger genoemde problemen kunnen derhalve niet meer worden aanvaard als buitengewone omstandigheden om de aanvraag in toepassing van art. 9 van de wet in België in te dienen. De huidige situatie in Nigeria is momenteel niet van die aard dat ze een terugkeer verhindert. De door betrokkene aangegeven motieven hebben betrekking op een algemene situatie. Er worden geen nieuwe XIV-8286-2/7 elementen aangegeven waaruit zou kunnen blijken dat betrokkene in de onmogelijkheid verkeert om de aanvraag conform de reguliere procedure in te dienen. Dat betrokkene meer dan twee jaar in België verblijft, dat hij vaste banden heeft opgebouwd, alsook een uitgebreide vrienden- en kennissenkring, dat hij gekend is als een minzame en kalme man waarmee nooit enig probleem is, dat betrokkene Nederlands leert en vrij goed Engels spreekt, dat hij alle banden en relaties met Nigeria heeft verloren - en dat hij een beroepsopleiding heeft gevolgd en werk heeft gevonden, is op zich niet uitzonderlijk. Deze integratie-elementen kunnen het voorwerp uitmaken van een onderzoek op het moment dat de aanvraag conform artikel 9 van de wet van 15.12.1980 ingediend wordt. Tevens dient opgemerkt te worden dat een procedure, ingesteld bij de Raad van State, tot nietigverklaring van de beslissing van de Vaste Beroepscommissie, niet opschortend van aard is. Betrokkene wist dat zijn verblijf slechts voorlopig werd toegestaan in het kader van zijn asielaanvraag en dat hij bij een negatieve beslissing het land zou dienen te verlaten. Bijgevolg verzoek ik u door afgifte van het formulier B overeenkomstig het model van bijlage 13 van het K.B. van 8 oktober 1981 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (B.S. van 27 oktober 1981), gewijzigd door het K.B. van 22 november 1996 (B.S. van 6 december 1996) aan de betrokkene kennis te geven van de beslissing van de gemachtigde van de minister van Binnenlandse Zaken waarbij hem bevel wordt gegeven om het grondgebied te verlaten binnen de 30 (dertig) dagen na de kennisgeving. Reden van de maatregel: Betrokkene werd niet erkend als vluchteling (K.B. van 8 oktober 1981 - art.77). Het bevel om het grondgebied te verlaten, moet worden opgesteld in drie exemplaren: het origineel wordt afgegeven aan de vreemdeling, een exemplaar wordt mij toegestuurd en het derde wordt door uw diensten bewaard. Elk exemplaar dient door de vreemdeling ondertekend te worden. Het attest van immatriculatie en/of de documenten die werden afgegeven op het ogenblik dat belanghebbende zich vluchteling verklaarde dienen te worden ingetrokken. Gelieve betrokkene mee te delen dat de onderhavige beslissing vatbaar is voor een beroep tot nietigverklaring en een verzoek tot schorsing bij de Raad van State, overeenkomstig de artikelen 14 en 17 van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12.01.
  3. Dit beroep en dit verzoek dienen ingediend te worden binnen de dertig dagen na kennisgeving van de beslissing. Het verzoek tot schorsing dient ingediend bij afzonderlijke akte en ten laatste me het annulatieverzoek. Het beroep tot annulatie en het verzoek tot schorsing dienen gedateerd, getekend door de verzoeker of een advocaat, bij aangetekend schrijven aan de heer Eerste Voorzitter van de Raad van State, Wetenschapstraat 33, 1040 Brussel, overgemaakt te worden. Het indienen van een beroep tot nietigverklaring, noch van een beroep tot schorsing heeft de schorsing van de onderhavige beslissing tot gevolg. Tevens dient hem een afschrift van deze brief overhandigd te worden nadat hij voor kennisname heeft getekend. Een afschrift dient aan mijn diensten te worden teruggestuurd. Gelieve te gepasten tijde ter plaatse na te gaan of betrokkene nog in Uw gemeente verblijft en mij onmiddellijk schriftelijk in kennis te stellen van het resultaat van uw bevindingen.”; 2.
  4. Overwegende dat de verzoekende partij in een enig middel de schending van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, van artikel 3 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele Vrijheden (E.V.R.M.), machtsmisbruik en machtsoverschrijding opwerpt; dat de verzoekende partij de feitelijke gegevens van haar asielaanvraag herhaalt en betoogt dat de minister van Binnenlandse Zaken niet zonder zijn macht te overschrijden kon oordelen dat die gegevens uitgesloten worden bij de beoordeling van haar aanvraag op basis van artikel 9, derde lid, van de Vreemdelingenwet, dat de verwijdering van een vreemdeling naar zijn land van herkomst een schending kan uitmaken van artikel 3 van het E.V.R.M. indien er gegronde redenen zijn om te geloven dat de betrokkene er zou worden gefolterd of het voorwerp zou zijn van onmenselijke of vernederende bestraffing, dat een eventuele terugkeer naar Nigeria de verzoekende partij zou blootstellen aan zulke behandeling, dat de minister van Binnenlandse Zaken de integratiegraad van de verzoekende partij in België onvoldoende heeft geacht om als buitengewone omstandigheden te gelden, dat zij nochtans bewezen heeft zich volkomen XIV-8286-3/7 te hebben geïntegreerd in België, dat zij een document heeft voorgelegd waaruit bleek dat er een tewerkstellingsbelofte was, dat zij naderhand op 2 maart 2001 een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde duur heeft ondertekend, dat dit haar ervan heeft weerhouden op kosten van de gemeenschap te leven, dat de minister van Binnenlandse Zaken dienaangaande een sociaaleconomisch onderzoek had moeten doen, dat de beslissing van de Vaste Beroepscommissie voor de Vluchtelingen dateert van 24 januari 2001, dat zij desondanks steeds legaal in België mocht verblijven tot aan de betekening van de bestreden beslissingen op 10 december 2001, dat zij thans niet meer zou kunnen werken omdat haar verblijf dreigt te worden onderbroken, dat zij sinds meer dan 3 jaar wettig verbleef in België, dat krachtens het gebruik de in dergelijke omstandigheden ingediende aanvragen tot machtiging om voorlopig verblijf ontvankelijk worden verklaard, en dat de redelijke termijn overschreden is, nu de minister van Binnenlandse Zaken lange tijd de schijn heeft gewekt dat het verblijf van de verzoekende partij “geregulariseerd” ging worden; 2.2.
  5. Overwegende dat de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen vereist dat de rechtsonderhorige in de hem aanbelangende beslissing kan lezen op welke gronden die beslissing is gesteund, zodat hij met kennis van zaken kan oordelen of het zinvol is gebruik te maken van de rechtsmiddelen waarover hij in rechte beschikt; dat die gronden op eenvoudige wijze in de bestreden beslissing kunnen worden gelezen, namelijk het ontbreken van buitengewone omstandigheden waarom de verzoekende partij de aanvraag niet kon indienen via diplomatieke of consulaire post in het buitenland en haar problemen over haar land van herkomst reeds het voorwerp uitmaakte van een negatief afgesloten asielprocedure; dat daarmee aan de voornaamste vereiste van de formele motiveringsplicht is voldaan en dat het middel in die mate ongegrond is; Overwegende, in de mate dat de verzoekende partij de schending van de materiële motiveringsplicht aanvoert, dat het bij de beoordeling van de materiële motiveringsplicht niet tot de bevoegdheid van de Raad van State behoort zijn beoordeling in de plaats te stellen van die van de administratieve overheid; dat de Raad van State in de uitoefening van zijn wettelijk toezicht enkel bevoegd is na te gaan of deze overheid bij het nemen van de bestreden beslissing is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan niet in onredelijkheid tot haar besluit is kunnen komen; 2.2.
  6. Overwegende dat de tweede bestreden beslissing, het bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten, als volgt is gemotiveerd: XIV-8286-4/7 “(...) Verblijft langer in het Rijk dan de overeenkomstig artikel 6 bepaalde termijn of slaagt er niet in het bewijs te leverend at hij deze termijn niet overschreden heeft. (wet van 15 december 1980 - art. 7, 1, 2/). Werd niet erkend als vluchteling (K.B. van 8 oktober 1981 - art. 77). (...).”; Overwegende dat het koninklijk besluit van 8 oktober 1981betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen in artikel 77, lid 1, bepaalt dat “de vreemdeling die niet als vluchteling erkend is, het grondgebied (moet) verlaten”; dat het tweede lid van voornoemde artikel luidt als volgt:“de Minister of zijn gemachtigde geeft hem (de vreemdeling) daartoe het bevel. Aan de vreemdeling wordt kennis gegeven van de beslissing door afgifte van het document overeenkomstig het model blijlage 13 (...)”; dat de beslissing van de Vaste Beroepscommissie voor de Vluchtelingen houdende weigering tot erkenning van de hoedanigheid van vluchteling met het ‘s Raads arrest nr. van 107.934 van 18 juni 2002 in kracht van gewijsde is getreden en dus geacht moet worden overeenstemmen met de wet; dat de minister van Binnenlandse Zaken derhalve niet anders kon dan het kwestieuze bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten te nemen; dat de verzoekende partij niet aannemelijk maakt dat de minister van Binnenlandse Zaken de tweede bestreden beslissing ongeveer elf maanden na de beslissing van de Vaste Beroepscommissie niet meer zou kunnen nemen; 2.2.
  7. Overwegende, wat betreft de eerste bestreden beslissing, dat artikel 9, § 2, van de Vreemdelingenwet als algemene regel stelt dat een machtiging om langer dan drie maanden in het Rijk te verblijven door een vreemdeling moet worden aangevraagd bij de Belgische diplomatieke of consulaire post die bevoegd is voor zijn verblijfplaats of zijn plaats van oponthoud in het buitenland; dat artikel 9, § 3, van de voornoemde wet poneert dat in buitengewone omstandigheden het hem wel toegestaan wordt die aanvraag te richten tot de burgemeester van zijn verblijfplaats in België; dat de buitengewone omstandigheid een ontvankelijkheidsvoorwaarde is bij afwezigheid waarvan de aanvraag niet verder ten gronde kan worden onderzocht; dat die buitengewone omstandigheden enkel betrekking hebben op de mogelijkheid om al dan niet de aanvraag om machtiging tot verblijf in het land van herkomst in te dienen, doch dat zij niet mogen worden verward met de redenen ten gronde om die machtiging al dan niet toe te kennen; Overwegende dat de verzoekende partij haar in het kader van de afgewezen asielaanvraag aangevoerde argumenten betreffende de algemene toestand in Nigeria herhaalt, doch dat die argumenten te dezen niet dienend zijn; dat zij niet zijn aanvaard om de asielaanvraag gegrond verklaart en dat de verzoekende partij niet aannemelijk maakt dat zij een aanvraag om machtiging tot verblijf via het land van herkomst onmogelijk zouden maken dan wel ernstig zouden bemoeilijken; XIV-8286-5/7 Overwegende dat de argumenten van de verzoekende partij betreffende haar integratie, onder meer door het afsluiten van een arbeidsovereenkomst, betrekking hebben op de gronden om eventueel de gevraagde machtiging tot verblijf toe te kennen, doch geen buitengewone omstandigheden vormen waardoor de aanvraag niet via de normale diplomatie weg in het land van herkomst zou kunnen worden ingediend; dat de verzoekende partij er zelf voor heeft gekozen om op 2 maart 2001 een arbeidsovereenkomst in België af te sluiten, dit wil zeggen nadat haar asielaanvraag in laatste aanleg was verworpen; dat de verzoekende partij in ieder geval ten tijde van het indienen van haar aanvraag op grond van artikel 9, derde lid, van de Vreemdelingenwet nog niet gebonden was door een arbeidsovereenkomst, zodat zij haar tewerkstelling op dat ogenblik ook niet als een buitengewone omstandigheid kon aanvoeren om haar aanvraag niet via artikel 9, tweede lid van de Vreemdelingenwet in te dienen; Overwegende dat de verzoekende partij aldus niet aannemelijk maakt dat de eerste bestreden beslissing op grond van onjuiste feiten, op kennelijk onredelijke wijze of in strijd met artikel 9, derde lid, van de Vreemdelingenwet is genomen; dat het eerste middel in die mate ongegrond is; 2.2.
  8. Overwegende, met betrekking tot de voorgehouden schending van artikel 3 van het E.V.R.M., dat de verzoekende partij moet aantonen dat er ernstige en zwaarwichtige gronden aanwezig zijn om aan te nemen dat in het land waarnaar ze mag worden teruggeleid, zij een ernstig en reëel risico loopt te worden blootgesteld aan foltering of mensonterende behandeling; dat de bescherming via artikel 3 van het E.V.R.M. slechts in uitzonderlijke gevallen toepassing zal vinden; dat degene die aanvoert dat hij een dergelijk risico loopt zijn beweringen moet staven met een begin van bewijs; dat de eenvoudige vrees voor een onmenselijke behandeling op zich niet volstaat om een inbreuk uit te maken op artikel 3 van het E.V.R.M.; dat de verzoekende partij slechts verwijst naar de algemene toestand in Nigeria die zij reeds in het kader van haar asielaanvraag aan bod heeft laten komen; dat, in de mate dat de verzoekende partij verwijst naar haar asielrelaas, dient te worden verwezen naar hetgeen daaromtrent hierboven is gesteld; dat de verzoekende partij derhalve geen schending van artikel 3 van het E.V.R.M. aannemelijk maakt;
  9. Overwegende dat de verzoekende partij geen gegrond middel tot nietigverklaring heeft aangevoerd; dat er derhalve grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, XIV-8286-6/7 BESLUIT: Artikel
  10. De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
  11. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op negentien april tweeduizend en zes, door : de HH. C. ADAMS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, M. MILOJKOWIC, griffier. De griffier, De voorzitter, M. MILOJKOWIC. C. ADAMS. XIV-8286-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.157.640 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.