id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 19 april 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.157.641 Rolnummer: A. 131162/XIV-13226 Zaak: Arrest 157641 - - 19/04/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-04-28 Raadplegingen: 59 - laatst gezien 2026-06-30 17:34 Fiche Arrest nr 157.641 van 19 april 2006 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 157.641 van 19 april 2006 in de zaak A. 131.162/XIV-13.
- In zake : XXX, die woonplaats kiest bij advocaat A. BAHRAMI, kantoor houdende te 1210 BRUSSEL, Koningsstraat 229 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door : de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. -------------------------------------------------------------------------------------------------------------- --- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Iraanse nationaliteit, op 18 december 2002 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 19 november 2002 tot bevestiging van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 5 juni 2001 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de beschikking van 13 januari 2003 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de beschikking van 4 november 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 18 januari 2006; Gehoord het verslag van staatsraad C. ADAMS; XIV-13.226-1/6 Gehoord de opmerkingen van advocaat P. MEULEMANS, die loco advocaat A. BAHRAMI verschijnt voor de verzoekende partij en van adjunct-adviseur B. DIERCKX, die verschijnt voor de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. Gehoord het eensluidend advies van adjunct-auditeur M. VAN LIMBERGEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Overwegende dat de verzoekende partij België binnenkomt op 21 augustus 2000 en zich vluchteling verklaart op 22 augustus 2000; dat op 5 juni 2001 de minister van Binnenlandse Zaken beslist tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; dat op 19 november 2002 de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze beslissing bevestigt; dat dit de thans bestreden beslissing is: “U, een Iraans staatsburger afkomstig uit Teheran, verklaarde in het kader van uw asielaanvraag het volgende: u nam deel aan de studentenprotesten van 20 tot 23/4/1378 (Perzische kalender, komt overeen met 11 tot 14 juli 1999 volgens de Gregoriaanse kalender) naar aanleiding van de sluiting van een progressieve krant. Op de laatste dag werd u gearresteerd en geslagen. Doordat de studenten de ordediensten aanvielen kon u ontkomen. Omdat u gewond was wilde u niet naar huis gaan, doch verbleef u bij een vriend, Reza Ebrahim, in het noorden van Iran. Zes tot zeven dagen later vernam u, via uw zus, dat enkele agenten uw woonplaats hadden doorzocht en verboden boeken hadden meegenomen. Gezien u uw rijbewijs later niet meer terugvond, denkt u dat ze uw adres wisten doordat ze uw rijbewijs afnamen toen ze u, na uw arrestatie, fouilleerden. Bij deze huiszoeking gaven ze een convocatie af. Een drietal dagen later verhuisde u naar Bandar Abbas. Daar verbleef u een zevental maanden in één van de woningen van uw broer. Gedurende deze periode werkte u samen met een vriend op een scheepswerf. Nadat u zes tot zeven maanden in Bandar Abbas verbleef, vernam u dat er een klacht tegen u was ingediend: uw zeer religieuze buren in Teheran merkten, toen ze hun dochter Razieh uithuwelijkten, dat zij geen maagd meer was en ze dus betrekkingen met u had gehad. Toen later vrienden en familie van de buurman u kwamen zoeken in Bandar Abbas, besloot u te vluchten. Het feit dat uw familie een slechte naam had in Iran, dat u enkele slechte ervaringen met de autoriteiten in het verleden naar aanleiding van de consumptie van alcohol en het praten met meisjes, bevestigden uw vluchtbeslissing. In de eerste maand van 1379 (21 maart/20 april 2000) verliet u Iran. U ging bij vrienden in Turkije wonen. Begin augustus 2000 bent u dan richting België vertrokken. U bent op 21 augustus 2000 in België aangekomen alwaar u op 22 augustus 2000 asiel hebt aangevraagd. Er zijn, omtrent uw relatie met Razieh en uw problemen naar aanleiding van de betoging, enkele tegenstrijdigheden in uw opeenvolgende verklaringen (interview op de Dienst Vreemdelingenzaken en interview in dringend beroep op het Commissariaat-Generaal) die de geloofwaardigheid van beide gegevens ondermijnen. Zo verklaarde u, met betrekking tot het moment waarop u besloot Iran te verlaten, aan de Dienst Vreemdelingenzaken, dat u besloot Iran te verlaten onmiddellijk nadat u te weten kwam dat er een klacht tegen u was ingediend door uw buurman (DVZ, p.14). In uw dringend beroep daarentegen vertelde u expliciet dat u op dat moment besloot het land nog niet te verlaten. Pas later, nadat vrienden en familie van de buurman naar u kwamen zoeken in Bandar Abbas, besloot u het land te verlaten (CGVS, p.8). Daarnaast was er, aangaande de problemen met Razieh, in uw interview bij de Dienst Vreemdelingenzaken geen sprake van het feit dat familie en vrienden van uw buurman reeds in Bandar Abbas naar u op zoek waren (CGVS, p.8). Deze omissie ondermijnt evenzeer de geloofwaardigheid. Verder verklaarde u, met betrekking tot de wijze waarop ze u identificeerden, aan de Dienst Vreemdelingenzaken, enkel dat u geslagen werd door de ordediensten (DVZ, p.13) en dat u XIV-13.226-2/6 vermoedde dat u uw portefeuille verloor tijdens de gevechten. In uw dringend beroep op het Commissariaat-Generaal vermeldde u daarentegen dat u vermoedde dat de ordediensten enkel uw rijbewijs -en niet uw portefeuille- meenamen toen ze u arresteerden en fouilleerden (CGVS, p.6). In uw interview op het Commissariaat-Generaal verklaarde u dat er een convocatie op uw naam zou afgeleverd zijn naar aanleiding van uw problemen met Razieh. Bij de Dienst Vreemdelingenzaken maakte u echter geen melding van het feit dat er een convocatie afgeleverd zou zijn naar aanleiding van uw problemen met Razieh. Dit is eigenaardig, gezien u expliciet verklaarde dat u contact had met uw zus vanuit België, en dat deze documenten, toen het interview op de Dienst Vreemdelingenzaken plaatsvond, reeds meer dan een jaar in Iran afgeleverd zouden zijn. Deze omissie ondermijnt evenzeer de geloofwaardigheid van uw asielrelaas. Daarnaast dient opgemerkt te worden dat de problemen die u ondervond, naar aanleiding van de vaststelling dat de dochter van uw buurman geen maagd meer was, geen verband houden met één van de criteria van de Vluchtelingenconventie (i.e. vervolging omwille van uw religieuze of politieke overtuiging of vervolging omwille van het behoren tot een sociale groep, ras of natie). Bovendien dient erop gewezen te worden dat u, als ongetrouwde man, niet voor de doodstraf dient te vrezen, zoals u beweerde. Uit informatie waarover het Commissariaat- Generaal beschikt, en waarvan een kopie werd toegevoegd in uw administratief dossier, blijkt dat een ongehuwde persoon die vervolgd wordt voor een verboden sexuele relatie volgens art. 637 van het Iraans Strafwetboek maximaal veroordeeld kan worden tot zweepslagen. De bewijslast is daarenboven heel zwaar: er zijn steeds vier getuigen vereist die het met hun eigen ogen hebben gezien of een bekentenis die viermaal wordt herhaald voor de rechter. Hiervan is in uw geval geen sprake, waardoor u geen risico loopt gestraft te worden. De problemen die u in het verleden kende naar aanleiding van de consumptie van alcohol en het praten met meisjes vormen vooreerst niet de actuele aanleiding van uw vlucht. Bovendien zijn zij bezwaarlijk zwaarwichtig genoeg opdat hieruit een vermoeden van gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie zou voortvloeien. Daarnaast dient opgemerkt dat de problemen naar aanleiding van de betoging in juli 1999 onvoldoende zwaarwichtig zijn opdat hieruit een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie zou kunnen voortvloeien. Uit informatie waarover het Commissariaat-Generaal beschikt, en waarvan een kopie in uw administratief dossier werd gevoegd, blijkt immers dat de meeste mensen die tijdens deze betoging werden gearresteerd na enkele dagen werden vrijgelaten. Daarenboven blijkt uit uw verklaringen dat u geen belangrijke rol speelde tijdens deze evenementen: u was op geen enkele wijze actief in één of andere politieke vereniging (CGVS, p.3) en verklaarde dat u tijdens de betoging enkel slogans scandeerde (CGVS, p.5). Het is dan ook bezwaarlijk aannemelijk dat er, naar aanleiding van deze geringe activiteiten, in uw hoofde sprake zou zijn van een vermoeden van gegronde vrees voor vervolging, in de zin van de Vluchtelingenconventie. Verder is het opmerkelijk dat u, ondanks uw vrees, gedurende een zevental maanden een openbaar leven leidde in Bandar Abbas (CGVS, p.7). Dit ondermijnt uw vermoeden van gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie. Tenslotte dient opgemerkt te worden dat u gedurende meer dan drie maanden in Turkije verbleef (DVZ, p.7 & CGVS, p.3) en u dit land verliet zonder vrees voor vervolging in de zin van artikel 1, A van het Internationaal Verdrag betreffende de status van de vluchtelingen. Er dient vastgesteld te worden dat voorgaande de geloofwaardigheid en de kennelijke gegrondheid van uw asielrelaas op substantiële wijze ondermijnt. Gelet op voorgaande kan in hoofde van u geen vermoeden van gegronde vrees voor vervolging, zoals bedoeld in de Conventie van Genève van 28 juli 1951, worden vastgesteld. De door u voorgelegde documenten zijn niet van die aard de geloofwaardigheid van uw asielaanvraag te herstellen. De convocaties en het verbod het land te verlaten wijzigen bovenstaande conclusie niet. De kopie van uw identiteitskaart, de vertaling van uw rijbewijs en de vertaling van uw diploma kunnen enkel uw verklaringen betreffende uw identiteit en uw opleiding staven, hetgeen niet ter discussie staat.”; 2.
- Overwegende dat de verzoekende partij een enig middel aanvoert dat luidt als volgt: “Pris de la violation de l'article 1er de la Convention de Genève du 28 juillet 1951 relative au statut des réfugiés, des articles 48, 52 et 62 de la loi du 15 décembre 1980 relative à l'accès au territoire, Ie séjour, l’établissement et l'éloignement des étrangers, des articles 1er à 3 de la loi du 29 juillet 1991 relative à la motivation formelle des actes administratifs, du principe général de bonne administration et du contradictoire, et de l'erreur manifeste d'appréciation ; XIV-13.226-3/6 En ce que la partie adverse estime que la demande d'asile formée par le requérant, est frauduleuse et manifestement non-fondée ; qu'à ses yeux. les contradictions émaillant les récits successifs du requérant ôtent toute crédibilité aux motifs invoqués à l'appui de la demande d'asile - qu'un outre, les éléments invoqués par le requérant a l'appui de sa demande d'asile ne sont pas de nature à établir une crainte fondée de persécution au sens de la Convention de Genève. Alors qu'il découle des articles 62 de la loi du 15 décembre 1980 et 3 de la loi du 29 juillet 1991 la décision administrative prise à l'encontre du requérant doit être légalement motivée; Que la loi du 29 juillet 1991 érige en principe l'obligation de motiver formellement toute décision administrative de portée individuelle (art. 2) -, que la motivation ‘consiste en l’indication. dans l'acte. des considérations de droit et de fait servant de fondement à la décision ‘ Elle doit être adéquate’ (art. 3) ; Que l’étendue de la motivation doit être proportionnelle à I'importance de la décision (LEROY M., ' La nature, l'étendue et les sanctions de motiver '.. Rapport de la journée d'études de Namur du 8 mai 1992 sur la motivation formelle des actes administratifs, 12-13) Qu'en outre, la motivation doit encore être ' adéquate ', ce qui signifie qu'elle doit manifestement avoir trait à la décision, qu'elle doit être claire, précise, complète et suffisante. Que les dispositions visées au moyen font interdiction à la partie adverse de refuser le séjour à un candidat réfugié politique dès l’instant où i, n'est pas démontré par elle que sa demande serait manifestement étrangère à la Convention de Genève ou serait frauduleuse ; Qu'il convient de souligner que la partie adverse opère une disqualification abusive du motif de demande frauduleuse, en ce que pour qu’une demande d'asile soit considérée comme frauduleuse, il doit être prouvé que le requérant ait voulu délibérément tromper les autorités belges de l'asile ; que tel n'est pas Ie cas en l'espèce ; qu'en effet, le fait pour le requérant d'avoir commis certaines contradictions à les supposer établies quod non ne suffit pas à démontrer que le requérant ait tenté de tromper les autorités belges de l'asile; que ce faisant la partie adverse n'a pas adéquatement motivé sa décision. Que les griefs internes formulés par la partie adverse, lesquels reposent sur quelques divergences mineures entre les déclarations successives faites par Ie requérant, qui au demeurant ne portent pas sur les éléments essentiels de sa demande d'asile, ne sont pas. au vu de I'importance et du sérieux de son récit global, de nature à porter Ie discrédit sur l'ensemble des faits invoqués a l'appui de la demande et la réalité des craintes mises en avant .- Que la requérant produit, en effet, un récit cohérent de sorte que la partie adverse n'a pu sans commettre d'erreur manifeste d'appréciation, estimer que quelques contradictions, à les supposer établies, quod non, pouvaient suffire a écarter la demande dès le stade de la recevabilité ; Que notamment concernant le premier grief portant sur le moment où le requérant a effectivement décidé de quitter son pays, le requérant soutient qu'au regard de la gravité des faits qui lui été reprochés il a. en effet. ‘ envisagé’ l'éventualité de quitter son pays maïs ce n'est qu'après la visite des anus des plaignants qu'il a, effectivement- pris la décision de quitter la République Islamique d'Iran. Que concernant la façon dont Ie requérant a été identifié, celui-ci soutient qu'il a toujours affirmé qu'il suspectait les agents des autorités iraniennes d'avoir pris son permis de conduire lors de la fouille de son portefeuille -. que le requérant soutient á cet égard que la contradiction relevée par la partie adverse ne s'explique que par une traduction défectueuse de ses propos à l'Office des étrangers. Que concernant les omissions relevées par la partie adverse, il convient de souligner que le CGRA n'est pas un lieu de répétition des propos soutenus à l'Office des étrangers dans la mesure où la conduite de l’audition. à l’Office des étrangers et le déroulement de l’interview au CGRA sont fondamentalement différentes . Qu'en tout état de cause. il convient de relever que la partie adverse s'est, en méconnaissance du principe du contradictoire, abstenue de confronter Ie requérant avec les griefs qui lui sont imputés en terme de décision Que concernant le grief déduit du fait que la crainte de persécution du requérant est en partie fondée sur la plainte de la jeune fille qui a perdu sa virginité avec le requérant il convient de souligner que C’est à tort que la partie adverse a estimé en termes de décision que ce motif ne correspond pas aux critères de la Convention de Genève; Que la plainte déposée contre Ie requérant est fondée sur la législation de la République Islamique d'Iran qui n’est autre que la traduction légale des loi Islamique ; Que concernant ladite plainte, la partie adverse relève en outre que conformément à l'article 637 du livre de lois iranien, Ie requérant ne sera condamné qu'à des coups de fouets et non pas à la peine de mort, qu'á cet égard la partie ad-verse ne mentionne pas le nombre de coups de fouets prévus pour cette infraction, qu'á croire la partie adverse, recevoir des coups de fouet pour avoir eu une relation sexuelle avec une demoiselle majeure er consentante serait tout à fait anodin et normal, qu'en outre, d n'est pas impossible que Ie nombre important de coups de fouets applicable en l'espèce soit de nature á fonder l’octroi de l'asile au sens de l'article 52 de la loi sur les étrangers, notion au demeurant plus large que celle de réfugié au sens de la Convention de Genève ; qu'en effet, bien que s'appuyant sur 'l’article 52 de la loi sur les XIV-13.226-4/6 étrangers', la partie adverse n'a examiné la demande d'asile du requérant qu'au regard des critères de la Convention de Genève et a omis de rechercher si cette demande ne pouvait se rattacher a d'autres critères justifiant l'octroi de l'asile.”; 2.
- Overwegende dat in de bestreden beslissing onder meer het volgende wordt overwogen: “Verder is het opmerkelijk dat u, ondanks uw vrees, gedurende een zevental maanden een openbaar leven leidde in Bandar Albas (CGVS, p. 7). Dit ondermijnt uw vermoeden van gegronde vrees voor vervolging in de zin van de vluchtelingenconventie. Tenslotte dient opgemerkt te worden dat u gedurende meer dan drie maanden in Turkije verbleef (DVZ, p. 7 & CGVS, p. 3) en u dit land verliet zonder vrees voor vervolging in de zin van artikel 1, A van het Internationaal Verdrag betreffende de status van de Vluchtelingen.”; Overwegende dat dit een determinerend motief vormt in de zin dat het volstaat om de bestreden beslissing te kunnen dragen; dat de verzoekende partij niet ingaat op dit motief, laat staan er de onwettigheid van aantoont; Overwegende dat het middel enkel is gericht tegen de vaststelling van een aantal tegenstrijdigheden tussen de verklaringen van de verzoekende partij en tegen de vaststellingen betreffende de verboden seksuele relatie van de verzoekende partij in Iran; dat, rekening houdend met het voornoemd determinerend motief, de verzoekende partij zich daarbij richt tegen de overtollige motieven, zodat de eventuele gegrondheid van het middel niet tot de onwettigheid van de bestreden beslissing kan leiden; dat het middel derhalve niet-ontvankelijk is, BESLUIT: Artikel
- De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op negentien april tweeduizend en zes, door: de HH. C. ADAMS, wnd. kamervoorzitter, XIV-13.226-5/6 staatsraad, M. MILOJKOWIC, griffier. De griffier, De voorzitter, M. MILOJKOWIC. C. ADAMS. XIV-13.226-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.157.641 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.