id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 19 april 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.157.660 Rolnummer: A. 129906/VII-35406 Zaak: Arrest 157660 - - 19/04/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-04-25 Raadplegingen: 56 - laatst gezien 2026-06-30 17:34 Fiche Arrest nr 157.660 van 19 april 2006 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE nr. 157.660 van 19 april 2006 in de zaak A. 129.906/VII-35.406 In zake : XXX, die woonplaats kiest bij advocaat E. DE CALUWE, kantoor houdende te 1050 BRUSSEL, Louizalaan 475, bus 18 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken. DE WND. VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Nigeriaanse nationaliteit, op 28 november 2002 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 31 oktober 2002 tot weigering van in overwegingname van een vluchtelingenverklaring; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de artikelen 4 en 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd R. VANDER ELSTRAETEN, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dit verslag aan de partijen; Gelet op de beschikking van 10 februari 2006 waarbij de terechtzitting wordt bepaald op 22 maart 2006; Gehoord het verslag van staatsraad E. BREWAEYS; VII-35.406-1/5 Gehoord de opmerkingen van advocaat E. DE CALUWE, die verschijnt voor de verzoekende partij en van advocaat C. DECORDIER, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur M. VAN LIMBERGEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; In het verslag stelt de auditeur de toepassing voor van artikel 26 van het hoger genoemde koninklijk besluit. Uit het dossier en de processtukken blijkt dat de zaak zonder verdere voorafgaande maatregelen, in een verkorte procedure, kan worden behandeld zoals voorzien door dit artikel.
- De feiten. 1.
- De verzoekende partij kwam België binnen op 30 november 2001 en verklaarde zich op dezelfde dag voor een eerste maal vluchteling. 1.
- Op 23 januari 2002 nam de minister van Binnenlandse Zaken een beslissing tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.
- Op 16 juli 2002 bevestigde de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 23 januari 2002 tot weigering van verblijf. Verzoeker diende tegen deze beslissing een annulatieberoep in bij de Raad van State, dat werd verworpen bij arrest nr. 126.013 van 3 december
- 1.
- Op 31 oktober 2002 heeft verzoeker zich voor een tweede maal vluchteling verklaard. 1.
- Op 31 oktober 2002 nam de gemachtigde van de minister van Binnenlandse Zaken een beslissing tot weigering van in overwegingname van een vluchtelingenverklaring. De motivering van deze beslissing luidt als volgt: "(...) Overwegende dat de betrokkene op 27 december 2001 een eerste asielaanvraag indiende en er voor hem een beslissing tot weigering van verblijf werd genomen vanwege de Dienst Vreemdelingenzaken die op 16 juli 2002 bevestigd werd door het Commissariaat Generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen. Overwegende dat de betrokkene op 31 oktober 2002 een tweede asielaanvraag indiende waarbij hij verklaart VII-35.406-2/5 niet te zijn teruggekeerd naar zijn land van herkomst. Overwegende dat de politieke partners van de betrokkene hem gezegd zouden hebben dat hij niet terug mag keren naar Nigeria. Overwegende dat de betrokkene een paspoort naar voren brengt waarbij opgemerkt moet worden dat de betrokkene dit document reeds tijdens de behandeling van zijn eerste asielaanvraag naar voren had kunnen en moeten brengen. Overwegende dat de internetartikels die de betrokkene naar voren brengt over de algemene toestand in Nigeria gaan en geen enkele betrekking hebben op de betrokkene persoonlijk en overwegende dat het bewijs van goed zedelijk gedrag afgeleverd door de stad Brussel niet als staving van de asielaanvraag van de betrokkene beschouwd kan worden aangezien dit geen enkele betrekking heeft op het vluchtmotief van de betrokkene. Overwegende dat de betrokkene een artikel naar voren brengt waarin iemand met de naam XXX genoemd wordt als iemand die vermist of dood zou zijn waarbij opgemerkt moet worden dat de betrokkene niet aannemelijk kan maken dat hij deze persoon zou zijn en waarbij eveneens opgemerkt moet worden dat niet vermeld wordt waarom deze persoon dan wel als vermist of dood beschouwd zou worden. Overwegende dat de betrokkene geen nieuwe elementen naar voren brengt dat er, wat hem betreft, ernstige aanwijzingen bestaan van een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Conventie van Genève.”. Dit is de bestreden beslissing.
- Beoordeling. De verzoekende partij voert het volgende middel aan: “Over de door verzoeker aangebrachte stukken en nieuwe gegevens. Verzoeker lei bij zijn tweede asielaanvraag nieuwe documenten voor, die echter door de Dienst Vreemdelingenzaken niet werden beschouwd als zijnde een nieuw element, ofschoon verzoekers naam er woordelijk in werd vermeld. Het dossier van verzoeker bevatte naar aanleiding van zijn eerste aanvraag reeds een reeks van zes foto’s, waarop duidelijk was te zien hoe verzoeker o.a. manifestaties leidt. Op niet minder dan drie van deze foto’s valt te lezen: ‘Father for President’, ‘Father Innovative’, ‘Father, Honest’, ‘Credible, Father’,... In het door verzoeker overgemaakte krantenartikel dd. 6 oktober 2002 valt te lezen: ‘With the local government elections coming up very soo in the country, some pressure groups and individuals within the region have not resumed their activities as it is been alleged that some of them are stille being sought for by the authorities. ..., some individuals like Deji Ayo, Oke Odjegba, Kingsley Agoba, (Popularly knows as father Duke Ukbarugba) amongst others who were operating within the region, and still missing, either dead or still is hiding. (eigen nadruk)’ Vrije vertaling: 'Met de plaatselijke verkiezingen in nabije aantocht, hebben sommige groepen en individuen binnen de regio hun activiteiten nog niet hernomen, daar wordt gezegd dat sommigen van hen nog steeds worden gezocht door de autoriteiten. ..., sommige individuen zoals Deji Ayo, Oke Odjegba, Kingsley Agoba (algemeen gekend als father Duke Ukbarugba) die onder anderen opereerden vanuit de regio en nog steeds vermist zijn ofwel dood of nog steeds ondergedoken.’ Dit krantenartikel dateert van na de beslissing tot bevestiging door het commissariaatgeneraal dd. 16 juli 2002 van de beslissing van de DVZ tot weigering van verblijf. VII-35.406-3/5 Onmiddellijk valt in het krantenartikel de duidelijke referentie naar de bijnaam van verzoeker op. Dit is de bijnaam die dus ook op de foto's die verzoeker had overgemaakt voorkomt, nl. father. Desondanks luidt de beslissing van de Dienst Vreemdelingenzaken : ‘Overwegende dat de betrokkene een artikel naar voren brengt waarin iemand met de naam XXX genoemd wordt als iemand die vermist of dood zou zijn waarbij opgemerkt moet worden dat de betrokkene niet aannemelijk kan maken dat hij deze persoon zou zijn en waarbij eveneens opgemerkt moet worden dat niet vermeld wordt waarom deze persoon dan wel als vermist of dood beschouwd zou worden. Overwegende dat de betrokkene geen nieuwe elementen naar voren brengt dat er, wat hem betreft, ernstige aanwijzingen bestaan van een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Conventie van Genève. ‘ Het is onbegrijpelijk dat de DVZ over de vermelding van verzoeker in het krantenartikel durft te beweren dat het niet aannemelijk gemaakt wordt dat de vermelde XXX, niet verzoeker is. Dit is een duidelijke miskenning van bewijsstukken en vormt aldus een inbreuk, niet enkel op artikel 51/8 Vw, doch op de redelijkheid en de onderzoeksplicht. Een duidelijker bewijsvoering kan niet worden ingebeeld. De beslissing van de DVZ is manifest onwettig! Naar recht en redelijkheid kan niet worden geoordeeld dat dit krantenartikel geen nieuw element in de zin van art. 5 1/8 vormt. Inderdaad wordt zelfs aangehaald in het krantenartikel waarom de genoemde betrokken personen nog ondergedoken kunnen zitten. Doordat er verkiezingen (General elections) in het verschiet zijn (maartapril 2003), is de regering er beducht op dat bezwarende getuigen van een massamoord weerklank zouden krijgen in de pers en onder de bevolking. Betrokkenen, waaronder dus verzoeker, vormen dus een bedreiging die moeten monddood gemaakt worden. De manier waarop dit zou kunnen gebeuren, vormen net het voorwerp van de vrees van verzoeker. De voorgaanden van verzoeker bevestigen die vrees en vaststelling enkel.”. De verzoekende partij wil aantonen dat de minister van Binnenlandse Zaken de feitelijke gegevens van de zaak verkeerd heeft beoordeeld. De appreciatie van de feitelijke gegevens is in de eerste plaats zaak van de overheid. Het komt de Raad van State niet toe zich bij het beoordelen van die feitelijke gegevens in de plaats te stellen van de tot beslissen bevoegde overheid. De Raad van State is belast met de wettigheidscontrole en moet nagaan of de overheid deze beoordeling op in rechte en in feite aanneembare redenen heeft gesteund en of zij daarbij de grenzen van de redelijkheid niet heeft overschreden. Dit wordt te dezen niet aangetoond. Het begrip “nieuwe gegevens” van artikel 51/8 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet) heeft niet louter betrekking op bewijsmiddelen, maar ook op de inhoud van die gegevens. De verwerende partij kon in alle redelijkheid en wettig beslissen dat het voorgelegde krantenartikel niets nieuws toevoegt aan het eerdere asielrelaas dat door de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen werd verworpen.
- De verzoekende partij heeft geen gegrond middel tot nietigverklaring aangevoerd. Het beroep tot nietigverklaring en de vordering tot schorsing die er een accessorium van is worden verworpen, VII-35.406-4/5 BESLUIT: Artikel
- De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op negentien april tweeduizend en zes, door de HH. E. BREWAEYS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, W. HUYGHEBAERT, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, W. HUYGHEBAERT. E. BREWAEYS. VII-35.406-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.157.660 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div