id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 19 april 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.157.744 Rolnummer: A. 163200/XIV-22761 Zaak: Arrest 157744 - - 19/04/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-04-28 Raadplegingen: 54 - laatst gezien 2026-06-30 17:36 Fiche Arrest nr 157.744 van 19 april 2006 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 157.744 van 19 april 2006 in de zaak A. 163.200/XIV-22.
- In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat S. VAN ROSSEM, kantoor houdende te 2018 ANTWERPEN, Boomgaardstraat 93 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Binnenlandse Zaken. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Afghaanse nationaliteit, op 9 juni 2005 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van 19 april 2005 van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen, Eerste Nederlandse Kamer, waarbij wordt geweigerd hem als vluchteling te erkennen; Gelet op de beschikking van 23 juni 2005 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het verslag opgemaakt door Adjunct-auditeur R. VERCRUYSSEN, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dat verslag aan de partijen; Gelet op de beschikking van 23 januari 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 29 maart 2006; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter A. BEIRLAEN; Gehoord de opmerkingen van Advocaat S. VAN ROSSEM, die verschijnt voor de verzoekende partij en van Advocaat E. MATTERNE, die verschijnt voor de verwerende partij; XIV-22.761-1/5 Gehoord het eensluidend advies van Adjunct-auditeur R. VERCRUYSSEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Over de gegrondheid van het beroep. 1.
- Overwegende dat verzoeker als middelen aanvoert: “3.1 SCHENDING VAN DE BEGINSELEN VAN BEHOORLIJK BESTUUR. Verzoeker werd geweigerd als vluchteling door het Commissariaat generaal .. . Dat nochtans verzoeker heeft uiteengezet punt per punt, waarom hij niet terugkan momenteel naar AFGHANISTAN en wat zijn concrete angst is.. Dat hier op geen enkele wijze op ingegaan is door DE VASTE BEROEPSCOMMISSIE dat gesteld wordt dat hij niet overtuigt zonder er in te gaan op zijn persoonlijke redenen en het verleden van verzoeker en stellende waarom zijn verzoek niet voldoende overtuigend is. Dat zij twijfel hebben aan zijn verklaringen omwille van een onduidelijkheid in het tekenen van de lader van een kalasnikov, door verzoeker, die moeilijk kan tekenen omwille onder meer van de verwondingen die hij vroeger heeft opgelopen. , dat zij wel twijfel hebben dat hij zou vervolgd worden omwille van redenen die onder de conventie vallen. Dat dit nochtans duidelijk is. Dat voor het overige alleen naar de dokumenten wordt verwezen om te stellen dat zij niet voldoende doorslaggevend zijn om uiteindelijk te beslissen dat zijn asielrelaas kan aanvaard worden en zijn redenen onder de Conventie zou vallen.. Dat zijn redenen uit het verleden niet zijn onderzocht. Dat dit niet voldoende is om over te gaan tot weigering.. Dat verzoeker wel degelijk heeft geantwoord op de vragen door DE VASTE BEROEPSCOMMISSIE GESTELD. DAT HET INDERDAAD TIEN JAAR GELEDEN IS DAT ZE VOCHTEN EN DAT HIJ HIERBIJ GEWOND GERAAKT IS. DAT HIJ NADIEN ALLEEN NOG MAAR HET WAPENDEPOT MOEST BEWAKEN. Dat verzoeker immers helemaal niet inziet op welke basis men zijn argumenten weerlegt of zijn stukken . .. Er wordt hem blijkbaar voor het overige niet de minste tegenstrijdigheid verweten ZIJN DOKUMENTEN WORDEN NIET BETWIJFELD. DE GEVOLGEN DIE DIT ZOU HEBBEN BIJ EEN TERUGKEER ZIJN NIET ONDERZOCHT. WAT IS DE HOUDING VAN DE HEZBE-I-LAMI TEGE(N)OVER STRIJDERS DIE ZIJN GEVLUCHT EN DIE DE ORDERS VAN DE COMMANDANT NIET HEBBEN UITGEVOERD. DAT MEN DE OORLOGSLETSELS NIET ONTKENT DOCH STELT DAT DIT NIET AFDOENDE IS OMDAT HET LOUTER TOEVALLIG ZOU KUNNEN ZIJN. Dat verzoeker dan ook meent dat zijn aanvraag tot asiel niet op een zorgvuldige wijze werd behandeld. Dat er daarbij geen rekening werd gehouden met de door hem aangebrachte elementen, dat in de huidige context van het conflict zijn redenen om niet te kunnen terugkeren duidelijk zijn.. Dat een beslissing genomen werd alleen op grond van het feit dat zij menen dat er geen geloof kan gehecht worden omdat men door de verbeterde situatie geen geloof hecht aan zijn actuele vrees tot vervolging en dit ondanks zijn actuele aangebrachte elementen.. ... XIV-22.761-2/5 Dat men zich toch minstens vragen moet stellen bij de huidige wijze om tot een beslissing te komen. Het komen tot een beslissing op deze wijze brengt mee dat men telkens elke aanvraag tot asiel kan afwijzen zonder verder onderzoek als men meent om blijkbaar subjectieve redenen dat verzoeker niet voldoende heeft overtuigd aangezien er geen enkele reden wordt opgegeven waarom hij niet overtuigd heeft. Dat dit dan zeker nooit tegen verzoeker als motivering kan worden gebruikt. Bovendien haalt men redenen aan die vandaag in tegenstrijd zijn met de huidige situatie en tegengesproken worden door verschillende rapporten. . Dat op grond van deze rapporten dan ook door de Minister een verlenging van verblijf werd gegeven. Dat ook in de huidige beslissing wordt verwezen naar de humanitaire achtergrond en het moeten voorzien van opvangen hulp bij een eventuele gedwongen terugkeer. Dat er trouwens geen repatriering mogelijk is naar Afghanistan (zie lijst IOM) Dat dit op zich reeds tegenstrijdig is. Het commissariaat Generaal moet nog steeds individueel en persoonlijk oordelen of er daadwerkelijk gevaar bestaat bij een eventuele terugkeer Dat de huidige beslissing en de argumentatie die ervoor gegeven wordt niet meer redelijk is gelet op de gevolgen die huidige beslissing voor verzoeker heeft. Dat op dit ogenblik de situatie voor AFGHANEN nog steeds gevaarlijk is volgens de huidige rapporten.. Dat hij tevens een aanvraag tot regularisatie heeft ingediend gelet op zijn complete onmogelijkheid tot terugkeer. Hij zou nooit meer kunnen aanvaard worden in Afghanistan. 3.2 SCHENDING VAN DE MOTIVERINGSVERPLICHTING Dat in huidige casu er een gebrekkige motivering is aangezien beslissingen in bestuurszaken dienen gemotiveerd te worden zodanig dat de motivering de beslissing draagt en verzoeker duidelijk maakt waarom tot een dergelijke weigering werd overgegaan. Dat de motivering in huidig geval verschillende gebreken vertoont aangezien op generlei wijze werd aangetoond waarom verzoeker zijn angst voor vervolging niet aannemelijk kan maken en men gewoon overgaat tot het nemen van de weigeringsbe- slissing. 1.Verzoeker heeft op geen enkele wijze verklaringen afgelegd die niet met gekende feiten overeenkomen. HET IS NIET OMDAT HIJ NIET KAN TEKENEN DAT MEN MOET TWIJFELEN AAN ZIJN KENNIS VAN DE KALASNIKOV 2 Hij heeft stukken neergelegd waarmee geen rekening wordt gehouden. Hij heeft redenen opgegeven waarom hij niet veilig kan terugkeren. En dat dit niet mee in rekening wordt gebracht zonder enige verdere motivering hieraan te geven. Verzoeker kan onmogelijk aan andere dokumenten geraken doch dit neemt echter zijn vrees niet weg.
- Op geen enkele wijze wordt geantwoord op de huidige situatie en, het huidige gevaar dat hij loopt Men stelt zelf dat het nog steeds gevaarlijk is en dat een terugkeer zonder hulp en bijstand niet mogelijk is. Men hecht hier niet voldoende geloof aan omdat hij voorafgaandelijk zich steeds heeft kunnen vrijkopen en dat zijn redenen hierdoor niet onder de Conventie vallen. Dat de situatie ondertussen volledig gewijzigd is. Dat hij gewoon zijn huidige angst bij terugkeer heeft uiteengezet. Dat hij geen familie heeft om zich te beschermen. Hij heeft tevens onderstreept dat zijn redenen dan ook onder de Conventie vallen en coherent waren.
- Dat bij antwoordt op alle vragen en dat dit afgedaan wordt als niet voldoende overtuigend zonder meer. DAT ZIJN DOKUMENTEN VOOR AUTHENTIEK EN WAAR WORDEN AANGENOMEN DOCH DAT NIET VERDER ONDERZOCHT WORDT WAT DEZE FEITEN TOT GEVOLG KUNNEN HEBBEN. Op al deze elementen wordt niet ingegaan en verzoeker kan zich dan ook niet verzoenen met een dergelijke motivering om over te gaan tot weigering van zijn aanvraag. XIV-22.761-3/5 Deze motivering draagt de beslissing niet integendeel verzoeker heeft alleen het gevoel gekregen dat zijn aanvraag zeer snel moest behandeld worden zonder dit grondig te doen, terwijl de werkelijke belangrijke fundamentele redenen onbeantwoord zijn gebleven. Dat verzoeker nogmaals het werkelijke gevaar wenst te benadrukken dat hij loopt bij een eventuele terugkeer. Dat hiervoor tevens verwezen wordt naar het rapport van AMNESTY INTERNATIO- NAL. De problematiek ter plekke is dus zeer ernstig en de beslissing van het Commissariaat generaal is dan ook onbegrijpelijk. Dat verzoeker dan ook met aandrang vraagt huidige beslissing te willen vernietigen omwille van zijn gebrekkige motivering en onzorgvuldige behandeling.”; 1.
- Overwegende dat het eerste cassatiemiddel uitdrukkelijk is afgeleid uit de “schending van de beginselen van behoorlijk bestuur”; dat beginselen van behoorlijk “bestuur”, zoals uit de benaming ervan alleen reeds blijkt, gericht zijn tot het “bestuur”, terwijl de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen een administratief rechtscollege is; dat blijkens de motivering van de aangevochten beslissing verzoekers aanvraag wordt verworpen omdat -zoals genoegzaam toegelicht- hij een tegenstrijdige verklaring heeft afgelegd met betrekking tot zijn deelname aan gevechten, het ongeloofwaardig is dat iemand die jarenlang een wapendepot heeft bewaakt niet weet welke wapens er opgeslagen liggen en ze niet kan beschrijven, de tegenstrijdige verklaring met betrekking tot de financiering van zijn vlucht de geloofwaardigheid bijkomend ondermijnt, de stukken die wijzen op zijn bindingen met de Hezb-I-Islami niet vermogen zijn geloofwaardigheid te herstellen en de verwondingen die verzoeker heeft opgelopen tijdens het Afghaanse conflict niet in twijfel worden getrokken; dat het uitsluitend de feitenrechter toekomt te oordelen of een kandidaat- vluchteling tegenstrijdige verklaringen heeft afgelegd en welke de weerslag van deze verklaringen is op het geheel van het vluchtrelaas en of de vreemdeling blijk geeft van een gegronde vervolgingsvrees; dat, als administratieve cassatierechter, het de Raad van State niet toekomt de beoordeling van de feitenrechter hiervan over te doen; dat luidens artikel 14, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State de afdeling administratie in geval van cassatieberoep “niet in de beoordeling van de zaak zelf” treedt; dat de Vaste Beroeps- commissie voor vluchtelingen een beslissing dient te nemen die op afdoende wijze gemotiveerd is en aangeeft waarom een kandidaat-vluchteling (niet) beantwoordt aan de erkenningscriteria van het Vluchtelingenverdrag; dat hierbij niet noodzakelijk expliciet op elk aangevoerd argument in het beroepschrift dient te worden ingegaan; dat de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen tevens niet met absolute zekerheid dient te bewijzen dat de verklaringen van de vreemdeling niet met de werkelijkheid stroken, maar er zich toe kan beperken vast te stellen dat zijn verklaringen dermate in strijd zijn met algemeen bekende informatie dat eraan in redelijkheid geen geloof kan worden gehecht; dat uit de motivering van de bestreden beslissing dit laatste duidelijk het geval blijkt te zijn; dat, in het licht van de door haar gemaakte vaststellingen, vermeld in de motivering van de bestreden beslissing, de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen haar appreciatiebevoegdheid niet kennelijk te buiten is gegaan toen ze tot de ongeloofwaardigheid van verzoekers relaas besloot; dat de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen haar bevoegdheid zou XIV-22.761-4/5 overschrijden mocht zij, wegens het belang van de zaak voor een vreemdeling die niet voldoet aan de voorwaarden die te dien einde worden gesteld door de internationale overeenkomsten die België binden, deze vreemdeling toch als vluchteling erkennen; dat verzoeker uit het oog verliest dat de bestreden beslissing enkel een beslissing omtrent de erkenning als vluchteling inhoudt, doch geen beslissing houdende bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; dat evenmin een dergelijk verband bestaat tussen de bestreden beslissing en de aanvraag om regularisatie; dat de beide middelen, in de mate dat ze ontvankelijk zijn, niet gegrond zijn;
- Overwegende dat er grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
- Het beroep wordt verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op negentien april tweeduizend en zes, door : de HH. A. BEIRLAEN, kamervoorzitter, C. VERHAERT, griffier. De griffier, De voorzitter, C. VERHAERT. A. BEIRLAEN. XIV-22.761-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.157.744 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.