← België

Arrest 157784 - - 20/04/2006

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 20 april 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.157.784 Rolnummer: A. 71474/VII-14755 Zaak: Arrest 157784 - - 20/04/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-04-28 Raadplegingen: 62 - laatst gezien 2026-06-30 17:39 Fiche Arrest nr 157.784 van 20 april 2006 - Beslissing : Vernietiging bekendmaking Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 157.784 van 20 april 2006 in de zaak A. 71.474/VII-14.

  1. In zake : de b.v.b.a. SCHOUWEN ANDRÉ, die woonplaats kiest bij Advocaat K. GEELEN, kantoor houdende te HASSELT, Gouverneur Roppesingel 131 tegen : de bestendige deputatie van de provincieraad van ANTWERPEN. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, VIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat de b.v.b.a. SCHOUWEN ANDRÉ op 1 oktober 1996 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van het besluit van de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen van 10 juli 1996 houdende uitspraak met betrekking tot de beroepen, ingediend door de b.v.b.a. SCHOUWEN ANDRÉ , het Leerkrachtenteam van de gemeentelijke basisschool, het Oudercomité van de gemeentelijke basisschool en de v.z.w. AKTIEGROEP LEEFMILIEU KEMPEN tegen het besluit van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Balen van 14 februari 1996 houdende gedeeltelijke vergunning aan de verzoekende partij tot het exploiteren van een inrichting voor het vervaardigen van sierschouwen te 2490 Balen, Postelweg 20-21; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door Auditeur G. DE BLEECKERE; Gelet op de beschikking van 2 maart 2004 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gezien het verzoek tot voortzetting van de verzoekende partij; VII-14.755-1/20 Gelet op de beschikking van 16 februari 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 9 maart 2006; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter M.-R. BRACKE; Gehoord de opmerkingen van Advocaat K. WAUTERS die, loco Advocaat K. GEELEN verschijnt voor de verzoekende partij, en van Bestuurssecretaris M. MICHIELS, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Auditeur G. DE BLEECKERE; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  2. De feiten Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
  3. De verzoekende partij exploiteert sinds 1966 een inrichting, gelegen te 2490 Balen, langsheen de Postelweg 20-21, voor het vervaardigen van sierschouwen. De basisvergunning die verstrijkt op 7 juni 1996 wordt bij beslissing in beroep van de Vlaamse minister bevoegd voor het leefmilieu van 15 januari 1992 uitgebreid zodat deze inrichting voortaan omvat : - een drukkerij toegerust met een offsetmachine (e.m. 1,6 kW), een plooimachine (e.m. 0,5 kW) en een papiersnijmachine (e.m. 2 kW); - een schrijnwerkerij toegerust met een luchtcompressor (e.m. 0,83 kW), verschillende houtbewerkingsmachines (o.a. schuurmachine, lintzaag, kortzaag, schaafmachine, slijpmachine, verstekzaag) (met e.m. van samen 15 kW), een houtopslagplaats voor ca 80 m³ hout, een opslagplaats voor houtafval en een stofzuiginstallatie (e.m. van 0, 75 kW); - een verfspuitinstallatie (e.m. van 1,5 kW); - een garage-herstelwerkplaats, toegerust met een luchtcompressor (e.m. van 3 kW) en een smeerput; - een steenzagerij, toegerust met 2 steenzagen (e.m. van samen 4,5 kW), 1 poliermachine (e.m. van 3 Kw), 1 slijp- en 1 handpoliermachine (e.m. van samen 2,1 kW) en een luchtcompressor (e.m. van 3 kW); VII-14.755-2/20 - een magazijn voor kachels en schouwen; - een werkplaats voor metaalbewerking, toegerust met verschillende metaalbewerkingsmachines (o.a. lintzaag, afkortmachine, wals, knipschaar, boormachines, bovenfreesmachine, draaibanken, klopmachine, plooibank) (e.m. van samen ca. 11 kW), 3 halfautomatische lasapparaten en een afzuiginstallatie (e.m. van 1,5 kW); - een bergplaats voor 2.000 liter gasolie in een ondergrondse houder met bijhorende bedeelpomp; - 100 liter O2 en 335 liter argon in verplaatsbare recipiënten; - opslagplaatsen voor ca. 1.200 liter gasolie in vaten en bussen van 200, 60 en 1 liter; - garages voor 6 voertuigen; - elektrische omvormpost met transformator van 400 kVA; - opslagplaatsen voor 100 m³ stenen, 15 ton zand, 3 ton cement en 2 ton natuursteen. Bij die beslissing wordt de uitbreiding met opslagplaatsen voor 100 ton steenkool en bijhorende inpakmachines geweigerd wegens onverenigbaarheid met de bestemming woongebied. 1.
  4. Met een op 1 juni 1995 gedagtekend aanvraagformulier dient de verzoekende partij een aanvraag in om de hierboven vermelde vergunning te hernieuwen. Uit bijlage 1 bij het aanvraagformulier, waarin het voorwerp van de aanvraag wordt toegelicht, blijkt dat de aanvraag grotendeels overeenstemt met de bestaande vergunning. Het voorwerp van de aanvraag wordt als volgt omschreven : - een drukkerij toegerust met drukmachines met e.m. van samen 1,1 kW en met papierbehandelingsmachines met e.m. van samen 3,05 kW; - een schrijnwerkerij toegerust met: houtbewerkingsmachines met e.m. van samen 11,84 kW, een houtopslagplaats voor 80 m³ hout en een opslagplaats voor houtreststoffen (4 m³/ton); - een verf/vernisspuitinstallatie met een totaal geïnstalleerd vermogen (incl. luchtcompressor) van 4,4 kW; - een garage/herstelwerkplaats voor voertuigen toegerust met één smeerput; - een steenzagerij toegerust met steenbewerkingsmachines van samen 9,4 kW en een luchtcompressor van 2,9 kW; - een magazijn voor het plaatsen van kachels en schouwen; - een werkplaats voor metaalbewerking toegerust met metaalbewerkingsmachines met e.m. van samen 12,2 kW; VII-14.755-3/20 - een bergplaats voor 2.000 liter lichte gasolie met bijhorende verdeelpomp (0,73kW); - een opslagplaats voor max. 140 liter argon en 140 liter CO2 in gasflessen; - opslagplaatsen voor max. 1.200 liter minerale oliën in vaten/bussen; - opslagplaatsen voor max. 70 kg verf/vernis/inkt in vaten/bussen, max. 50 liter thinners (vlampunt tussen 21 en 55 C/) in vaten en bussen, max. 0,5 ton papier/karton, max 100 m³ stenen, 15 ton zand en 5 ton natuursteen (los gestapeld), max. 3 ton cement in zakken, en max. 800 liter afvalolie in vaten/bussen; - een elektrische omvormpost met statische transformator van 400 kVA; - het lozen van max. 0,3 m³/uur huishoudelijk afvalwater in riool; - parkeergarage voor max. 6 personenwagens en max. 10 vrachtwagens. 1.
  5. Naar aanleiding van het openbaar onderzoek worden drie bezwaarschriften ingediend, namelijk door het leerkrachtenteam van de gemeentelijke basisschool, door het oudercomité van die school, en door de v.z.w. AKTIEGROEP LEEFMILIEU KEMPEN. Op 14 februari 1996 neemt het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Balen een beslissing over de aanvraag tot hernieuwing. Deze beslissing wordt als volgt gemotiveerd : "Overwegende dat de inrichting gelegen is in de woonzone en natuurgebied volgens het gewestplan. Overwegende dat voor de inrichting geldige bouwvergunningen werden afgeleverd op 24.09.1971, 25.10.1974, 19.12.1976 en 11.09.
  6. Gelet op de controle waaruit blijkt dat de bouwvergunningen niet werden uitgevoerd conform de afgeleverde vergunningen; Overwegende dat bij de aanvraag geen melding werd gemaakt van het bestaan van 2 werkplaatsen met verfspuitinstallatie; Overwegende dat in het verleden talrijke klachten zijn ingediend over geur en reukhinder die afkomstig waren van de verfspuitinstallaties en van stookinstallaties; Gelet op de maatregelen die door de PVBA Schouwen André genomen zijn om te verhelpen aan deze hinder; Overwegende dat door de uitbater maatregelen moeten genomen worden voor de opvang van afvalwaters van zijn bedrijfsterrein en controle moet kunnen uitgeoefend worden voor de lozing in de riolering; Overwegende dat er geen vergunning bestaat voor de opslag van oude metalen; Overwegende dat herhaaldelijk klachten werden ingediend wegens geluidshinder voornamelijk afkomstig van de werkplaats voor de herstelling en het maken van de metalen opbouw van opleggers; Overwegende dat een aantal van de huidige activiteiten niet verenigbaar zijn met de omgeving en overdreven hinder veroorzaken voor de naastgelegen school; Overwegende dat gesteld kan worden dat de milieuhinder van een beperkt gedeelte van de inrichting die het voorwerp uitmaakt van voormelde VII-14.755-4/20 vergunningsaanvraag tot een minimum kan beperkt worden mits het naleven van sectorale en bepaalde bijzondere voorwaarden; Gelet op het advies van de gemeentelijke dienst gelast met het onderzoek en de behandeling van het milieudossier; Overwegende dat voldoende maatregelen moeten genomen worden om elke vorm van milieuhinder en visuele hinder voor de omgeving te vermijden". Op basis van deze motivering wordt aan de verzoekende partij vergund : - 11.1.1 een drukkerij met een geïnstalleerde totale drijfkracht van 4 kW; - 19.3.2 een inrichting voor het mechanisch behandelen van hout met een totale geïnstalleerde drijfkracht van 12 kW; - 4.3.a.1 een inrichting voor het mechanisch, pneumatisch of elektrostatisch aanbrengen van bedekkingsmiddelen voorzien van een filterinstallatie met gebruik van actieve kool voor de adsorptie van de afvalgassen of een gelijkaardige installatie van 5-25 kW; - 30.7.2 een inrichting voor het bewerken van marmer, natuur- of kunststeen met een totale drijfkracht van 9,4 kW; - 17.3.4.1 opslag van licht ontvlambare producten - 50 liter; - 17.3.6.1 opslag van vloeistoffen vlampunt tussen 55 en 100 / C - 2.800 liter; - 17.3.7.1 opslag van vloeistoffen > 100 / C; - 17.3.9.1 inrichting voor de verdeling van vloeibare koolwaterstoffen met 1 verdeelpomp; - 16.7.1 opslag van verplaatsbare gasrecipiënten maximum 1.000 liter; - 3.6.1/3.6.2.1 afvalwaterzuiveringsinstallatie met inbegrip van het lozen van effluentwater voor de behandeling van huishoudelijk en bedrijfsafvalwater dat geen van in bijlage 2C bij titel I van het Vlarem bedoelde gevaarlijke afvalstoffen bevat; - 12.2.1 een transformator van 400 kVA; - 15.1.1 het stallen van 3 - 25 voertuigen andere dan personenwagens. De gevraagde lozing van huisafvalwater (3.3), garage-activiteiten met een smeerput (15.2), houtopslag (19.6) en metaalbewerking (29.5.2.2) worden geweigerd. Tevens wordt de vergunning slechts verleend voor een termijn van twee jaar verstrijkend op 1 juni
  7. 1.
  8. Tegen de beslissing van het gemeentebestuur wordt beroep aangetekend door de verzoekende partij, door het leerkrachtenteam en het VII-14.755-5/20 oudercomité van de nabij gelegen basisschool, en door de v.z.w. LEEFMILIEU KEMPEN. Naar aanleiding van deze beroepen worden de volgende adviezen verleend : - Op 3 mei 1996 verleent de afdeling Milieuvergunningen gunstig advies t.a.v. het beroep van de verzoekende partij en ongunstig advies t.a.v. het beroep van de derden. In dat advies wordt o.m het volgende gesteld : • m.b.t. het lozen van afvalwater : de door de gemeente opgelegde rubrieken 3.6.1 en 3.6.2.1 zijn onjuist en de bijkomende voorwaarden die opgelegd worden zijn niet gepast. • m.b.t. de werkplaats voor herstel van voertuigen met smeerput : er is een ruimte die kan gebruikt worden voor herstel en onderhoud van personenwagens en camionettes, maar waar geen opleggers kunnen worden geassembleerd; tegen deze rubriek is geen bezwaar (15.1.1). • m.b.t. de houtopslag : het gaat om 80 ton nieuw hout binnen het gebouw en 4 ton afvalhout in een af te halen container. Rubriek 19.5 is geëigend. • m.b.t. de metaalbewerking : over deze afdeling wordt in de vergunning niets vermeld. Volgens beroepers (derden) zou het hier gaan om assemblage van opleggers die aldus behoort tot klasse I. Plaatsbezoek heeft echter uitgewezen dat de uitgevoerde werkzaamheden enkel bestaan in het repareren en aanpassen van de bovenbouw van bestaande opleggers die in het bedrijf door klanten worden binnengebracht. Op het bestaande chassis wordt bijvoorbeeld een nieuwe opbouw aangebracht en een dekzeil. De kleine elementen worden eventueel ter plaatse gespoten, de grote (chassis) niet. De uitrusting is hier trouwens niet toe aanwezig. Hier kan dan ook geen gewag worden gemaakt van rubriek 42.
  9. "Transportmiddelenfabrieken". Het gaat hier dan ook om een inrichting voor het mechanisch behandelen van metaal en het vervaardigen van voorwerpen uit metaal en in dit geval met een geïnstalleerde totale drijfkracht van 12,2 kW - Rubriek 29.5.2.
  10. • m.b.t. de vergunningstermijn tot 1 juni 1998 : deze wordt niet gemotiveerd. • conclusie: de afdeling Milieuvergunningen geeft gunstig advies t.a.v. het beroep van de verzoekende partij en ongunstig advies t.a.v. het beroep van de derden, adviseert de opheffing van het collegebesluit en het verlenen van de vergunning voor een termijn van twintig jaar mits naleving van een aantal algemene en sectorale voorwaarden, en van een bijzondere voorwaarde, met name de aanleg van een groenscherm, zoals opgelegd in het ministerieel besluit van 15 januari
  11. VII-14.755-6/20 - Op 6 mei 1996 verleent het bestuur Ruimtelijke Ordening principieel gunstig advies t.a.v. het beroep van de verzoekende partij mits het naleven van volgende voorwaarden : • de exploitant dient voldoende maatregelen te treffen om de hinder t.o.v. de omwonenden en specifiek t.o.v. de naastgelegen school te beperken; • het perceel nr. 110f28 (waarop volgens een plan bij een bezwaarschrift de opslag van afval en camions plaatsvindt) dient aangeplant te worden met sylvesterdennen zoals opgelegd in de bouwvergunning van 11 september
  12. • voor de constructies gebouwd in strijd met de bouwvergunning of zonder bouwvergunning dient onverwijld een regularisatie-bouwvergunningsaan- vraag te worden ingediend. - Op 18 juni 1996 verleent de Vlaamse Milieumaatschappij t.a.v. het beroep van de verzoekende partij gunstig advies daar de aanvraag enkel de lozing van huishoudelijk afvalwater betreft; - Op 18 juni 1996 verleent de Provinciale Milieuvergunningscommissie gunstig advies t.a.v. het beroep van de verzoekende partij. Ter beperking van de geluidshinder worden de volgende bijkomende bijzondere voorwaarden voorgesteld : • de exploitant dient een akoestisch onderzoek te laten uitvoeren. De resultaten hiervan dienen binnen zes maanden na de datum van het deputatiebesluit bezorgd te worden aan de vergunningverlenende overheid, die het ter beoordeling en goedkeuring voorlegt aan de afdeling Milieuvergunningen en de afdeling Milieu-inspectie; • de activiteiten in de montagehal mogen enkel na de schooluren worden uitgeoefend; • de activiteiten in de montagehal dienen steeds met gesloten deuren uitgeoe- fend te worden. 1.
  13. Op 10 juli 1996 beslist de bestendige deputatie van de provincie- raad van Antwerpen de beslissing van het college van burgemeester en schepenen te bevestigen mits het aanbrengen van enkele technische correcties. Dit is de bestreden beslissing. Zij wordt als volgt gemotiveerd : "Overwegende dat de aanvraag voor de eerste maal werd ingediend vóór 1 augustus 1995 zodat de rubrieken van vóór de gewijzigde indelingslijst van toepassing zijn; dat de aanvraag een hermachtiging en een uitbreiding betreft; Overwegende dat de rubrieken van toepassing zijn op de aanvraag, zoals geadviseerd door de PMVC; VII-14.755-7/20 Overwegende dat het vervaardigen van sierschouwen de hoofdactiviteit vormt van de exploitant; Overwegende dat het verder exploiteren van de activiteit voor het vervaardi- gen van sierschouwen milieutechnisch aanvaardbaar is tot 1 juni 1998, mits naleving van de op te leggen milieuvergunningsvoorwaarden; Overwegende dat de aangevraagde activiteiten van metaalbewerking milieutechnisch niet aanvaardbaar zijn, gelet op de nabijheid van de schoolge- bouwen, ten opzichte waarvan de hinder niet tot een aanvaardbaar niveau beperkt kan worden; Overwegende dat door de exploitant een aantal hinderbeperkende maatrege- len werden genomen, doch dat deze niet volstaan om de hinder (vooral geluidshinder) afkomstig van de inrichting voor metaalbewerking voldoende te beperken; dat er nog regelmatig klachten zijn van de nabijgelegen school, vooral inzake geluidshinder afkomstig van het slijpen en boren van metalen; dat de houten muur die tegen de montagehal werd geplaatst, onvoldoende de geluidshinder beperkt; dat er regelmatig met open deuren wordt gewerkt; Overwegende dat gesteld kan worden dat de verdere exploitatie en verandering van de inrichting, die het voorwerp van de voormelde milieuvergun- ningsaanvraag uitmaakt, verenigbaar is met voormelde ruimtelijke en steden- bouwkundige voorschriften, behalve voor de metaalbewerkingsactiviteiten, gelet op de hinder t.o.v. de nabijgelegen school; Overwegende dat ter beperking van de geluidshinder de in het bestreden collegebesluit opgelegde milieuvergunningsvoorwaarden aangevuld dienen te worden met volgende bijkomende bijzondere voorwaarden : * de exploitant dient een akoestisch onderzoek te laten uitvoeren door een erkend deskundige conform afdeling 4.5.2 van VLAREM II; de resultaten hiervan dienen binnen de 6 maanden na de datum van het deputatiebesluit bezorgd te worden aan de vergunningverlenende overheid, die het ter beoorde- ling en goedkeuring voorlegt aan AMV en de Afdeling Milieu-inspectie (AMI) (artikel 2 van bijlage 4.5.
  14. van VLAREM II); * de activiteiten in de montagehal mogen enkel na de schooluren uitgeoefend worden; * de activiteiten in de montagehal dienen steeds met gesloten deuren uitgeoefend te worden; Overwegende dat er tijdens het openbaar onderzoek 3 schriftelijke bezwaren werden ingediend door de leerkrachten en directie van de Gemeentelijke Basisschool, VZW V.A.L.K. en het oudercomité met een petitielijst waarop 141 handtekeningen staan (= huidige beroepers) met betrekking tot : - lawaai-, stof- en geurhinder voor de nabijgelegen school; - visuele verstoring en rookhinder; - gezondheid van de schoolgaande kinderen; - geen industriële bedrijvigheid op een terrein dat deels in woongebied en deels in natuurgebied ligt; - er is geen bufferzone voorzien tussen de BVBA en het natuurgebied of de gemeenschapsschool; - de aanplanting van een groenscherm werd onvoldoende uitgevoerd; - ontbrekende bouwvergunningen en niet gebouwd conform de vergunningen; - de aanvraag is onvolledig: er is niet alleen hermachtiging, doch ook uitbreiding; - de inrichting is klasse 1 omdat ook assembleren van opleggers een activiteit van de firma is (cfr. nieuwe indelingslijst); - twijfel of er enkel lozing is van huishoudelijk afvalwater; - de voorwaarden van de vergunning dd. 15/1/1992 worden niet nageleefd; Overwegende dat de bezwaren en de beroepsargumenten van de leerkrachten en oudercomité van de Gemeentelijke Basisschool en de VZW V.A.L.K. als volgt worden geëvalueerd : VII-14.755-8/20 - om de geluidshinder zoveel mogelijk te beperken worden bijkomende bijzondere voorwaarden opgelegd die de exploitant stipt moet naleven (werken met gesloten deuren in de montagehal en enkel na de schooluren, laten uitvoeren van een akoestisch onderzoek conform VLAREM II); - de verdere exploitatie van de hoofdactiviteit van de exploitant, nl. het vervaardigen van sierschouwen, kan nog toegestaan worden tot 1 juni 1998; - er wordt enkel de lozing van huishoudelijk afvalwater aangevraagd (rubriek 3.4.); - de aangevraagde rubriek voor metaalbewerking (29.5.2.2.) betreft geen klasse I-rubriek omdat de uitgevoerde werkzaamheden enkel bestaan in het repareren en aanpassen van de bovenbouw van bestaande opleggers; deze rubriek werd echter terecht door het schepencollege geweigerd gelet op de hinder t.o.v. de nabijgelegen school; Overwegende dat de argumenten van de heer Dierckx (zaakvoerder van de BVBA Schouwen André) , gehoord door de PMVC, als volgt worden geëvalueerd : - het verder exploiteren van de hoofdactiviteit van het bedrijf, nl. het vervaardi- gen van sierschouwen, kan nog toegestaan worden tot 1 juni 1998; - de door het schepencollege geweigerde rubrieken veroorzaken te veel hinder t.o.v. de nabijgelegen school; de reeds genomen maatregelen door de exploitant volstaan niet om de hinder tot een aanvaardbaar niveau te beperken; - gelet op het feit dat het meetverslag van AIB Vinççotte onvoldoende gegevens bevat voor een degelijke evaluatie van de geluidshinder; dat ter beperking van de geluidshinder (vooral t.o.v. de nabijgelegen school) bijkomende bijzondere voorwaarden worden opgelegd: het laten uitvoeren van een akoestisch onderzoek conform VLAREM II, het uitoefenen van de activiteiten in de montagehal na de schooluren én met gesloten deuren; Overwegende dat de argumenten van de heer Mallants (milieuambtenaar), gehoord door de PMVC, namens het schepencollege, worden bijgetreden; dat ter beperking van de geluidshinder t.o.v. de nabijgelegen school nog bijkomende bijzondere voorwaarden worden opgelegd, zoals voormeld; Overwegende dat gesteld kan worden dat de risico's voor de externe veiligheid, de hinder, de effecten op het leefmilieu, op de wateren, op de natuur en op de mens buiten de inrichting veroorzaakt door de gevraagde verdere exploitatie en verandering, mits naleving van de in onderhavig besluit opgelegde milieuvergunningsvoorwaarden tot een aanvaardbaar niveau kunnen worden beperkt, behalve voor de door het bestreden collegebesluit geweigerde activiteiten; Overwegende dat er bijgevolg aanleiding toe bestaat het beroep van de exploitant niet gegrond te verklaren en de overige beroepen gedeeltelijk gegrond te verklaren; dat het bestreden collegebesluit bevestigd wordt, mits aanpassing van de omschrijving en de rubrieken zoals voormeld en mits aanvulling met de voormelde bijkomende bijzondere voorwaarden";
  15. De gegrondheid van het beroep 2.
  16. Overwegende dat de verzoekende partij als eerste middel de schending aanvoert van VII-14.755-9/20 "artikel 50.3 van het Besluit van de Vlaamse regering van 6 februari 1991 houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de milieuvergunning (VLAREM I) en de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen. Doordat, eerste onderdeel, er -zonder motivering- geen vergunning wordt verleend voor de aangevraagde rubrieken nrs. 15.2, 19.6 ; en doordat, tweede onderdeel, zonder afdoende motivering er geen vergunning werd verleend voor rubriek nummer 29.5.2.2.; en doordat, derde onderdeel, zonder motivering het beroep tegen de bijzondere voorwaarden inzake afbraak van gebouwen aanbreng van een groenscherm werd afgewezen; en doordat, vierde onderdeel, er zonder afdoende motivering bijkomende bijzondere voorwaarden werden opgelegd betreffende het tijdstip en de plaats van de vergunde activiteit; en doordat, vijfde onderdeel, zonder motivering het beroep tegen de beperkte periode van de vergunning werd afgewezen. Terwijl artikel 50.3 VLAREM I vereist dat de Bestendige Deputatie van de provincieraad over het beroep uitspraak doet met een gemotiveerde beslissing over de aanspraken of de bezwaren die door de indiener van het beroep werd gesteld; En terwijl artikel 2 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen vereist dat de bestuurshandelingen uitdrukkelijk moeten worden gemotiveerd en artikel 3 hieraan toevoegt dat deze motivering de juridische feitelijke overwegingen moet vermelden die aan de grondslag van de beslissing liggen en die afdoende moeten zijn. b. Toelichting bij het middel i. Eerste onderdeel - de beslissing geeft geen vergunning voor de rubrieken 15.2 en 19.
  17. Al bij de oorspronkelijke aanvraag, vroeg verzoekende partij om de vergunning te verlenen voor de rubrieken 15.2 (werkplaats voor het herstellen van voertuigen met gebruikmaking van één smeerput) en 19.6 (houtopslag) uit de bijlage bij VLAREM I. In de vergunning afgeleverd door het schepencollege van de gemeente Balen werd met geen woord over deze rubrieken gerept, ondanks het feit dat deze twee rubrieken bezwaarlijk als een sterk hinderlijke activiteit kunnen beschouwd worden. Ondanks het feit dat verzoekende partij in haar gemotiveerd verzoekschrift in beroep (pag. 1) er uitdrukkelijk de aandacht op heeft getrokken dat deze aangevraagde rubrieken niet weerhouden werden in de vergunning van de gemeente Balen -en ze ontegensprekelijk van toepassing zijn- wordt in de beslissing van de bestendige deputatie van de Provincie Antwerpen wederom met geen woord over deze rubrieken of de inrichtingen waarvoor ze staan gerept. Nochtans had het advies van het Bestuur Milieuvergunningen van A.M.I.N.A.L. van 3 mei 1996 (BMV/A/VLA2/988), duidelijk vastgesteld dat deze inrichtingen in het bedrijf aanwezig waren (pag. 7 onderaan en pag. 8 midden van het vergunningsbesluit) , dat de aangevraagde rubrieken geëigend waren en de aanvraag positief geadviseerd. Desondanks wordt er in de motieven of het beschikkend gedeelte van de bestreden beslissing verder niet meer over deze inrichtingen gesproken, ondanks het feit dat deze inrichtingen geen enkele hinder aan buren kunnen bezorgen - alszodanig werden deze inrichtingen ook niet vermeld in het beroepschrift van de V.Z.W. aktiegroep Leefmilieu Kempen, Dhr. Jo Vervoort of Mevr. Nicole Nuyts. In de motieven van de beslissing werd weliswaar verwezen naar hinder die het bedrijf veroorzaakt, doch bij nazicht van de beslissing zal de Raad vaststellen dat de Bestendige deputatie daarmee de hinder uit de activiteiten van metaalbewer- king bedoeld (rubriek 29.5.2.2.). De activiteit onder rubriek 15.2 (autowerk- VII-14.755-10/20 plaats met één smeerput) en 19.6 (houtopslag) van VLAREM I hebben geen uitstaans met de metaalbewerking, zodat de motieven betreffende de hinder van deze activiteit geen betrekking kunnen hebben op het niet-vergunnen van de rubriek 15.2 en 19.
  18. De bestreden beslissing schendt derhalve de in het middel vermelde bepalingen. ii. Tweede onderdeel - geen vergunning voor rubriek 29.5.2.
  19. De verzoekende partij heeft in haar bedrijf een inrichting waar zij de bovenbouw van bestaande opleggers repareert en aanpast (zoals het bouwen van een bovenbouw op een bestaand chassis). Technisch gaat het om een inrichting voor het mechanisch behandelen van metaal en het vervaardigen van voorwerpen uit metaal (rubriek 29.5.2.2) (zie advies BVM pag. 8 bestreden besluit). Deze rubriek wordt door de bestendige deputatie niet verleend op grond van de motivering dat deze activiteit teveel hinder zou veroorzaken voor de nabijgelegen schoolgebouwen. Voornamelijk de geluidshinder afkomstig van het slijpen en boren van metalen zou hinderlijk zijn. Klaarblijkelijk acht de Bestendige Deputatie van de provincie Antwerpen deze klachten van geluidshinder voldoende bewezen op basis van : - de klachten ingediend door de leerkrachten en de directie van de betrokken school. - de meting door de milieu-ambtenaar van de gemeente Balen, die in februari 1996 een geluidsmeting verrichtte waarop waarden van ca. 76 dBA zouden vermeld zijn (dit document werd nooit aan verzoekende partij bezorgd) Daarentegen dient er verwezen te worden naar : - het gunstig advies van het Bestuur Milieuvergunningen, om zonder bijkomen- de voorwaarden de vergunning toe te staan zoals aangevraagd voor een periode van 20 jaar (pag. 9 bestreden beslissing). - een verslag van AIB Vinçotte van waaruit blijkt dat de geluidshinder voor de betrokken activiteit binnen aanvaardbare grenzen blijft voor een woonzone (43 à 46 dBA). Ten onrechte meende de bestendige Deputatie dat dit verslag te weinig duidelijk is. De verzoekende partij wijst er op dat de AIB Vinçotte een door de overheid erkende instelling is om geluidsmetingen te doen. - de hinderbeperkende maatregelen die de verzoekende partij genomen heeft, m.n. het aanbrengen van groenbeplanting op de grens en het aanbrengen van een geluidsmuur. - het feit dat er nooit een proces-verbaal voor geluidshinder werd opgesteld lastens de verzoekende partij (de verzoekende partij spreekt daarmee de bewering tegen als zouden er diverse klachten weerhouden zijn). - de kleine aard van het bedrijf van concluante. Alhoewel het bedrijf van concluante groot is in oppervlakte blijkt uit de aangevraagde en vergunde inrichtingen dat de aard van het bedrijf van concluant ingedeeld is bij de weinig hinderlijke bedrijven. De meeste activiteiten die verzoekende partij heeft zijn ofwel niet opgenomen in de lijst van de hinderlijke inrichtingen, ofwel opgenomen onder klasse 3 inrichtingen. Slechts 4 inrichtingen nl. rubrieken 17.3.8 (verdeelpomp voor het bevoorra- den van voertuigen met brandstoffen), 19.3.2 (houtbewerking), 19.6 (houtop- slagplaats) en 29.5.2.2 (metaalbewerking) zijn ingedeeld als klasse
  20. Van twee van deze inrichtingen (houtopslag en verdeelpomp) kan men moeilijk beweren dat ze geluidshinder veroorzaken. Wat de andere twee inrichtingen betreft, blijkt uit de bestreden beslissing zelf dat het om eerdere kleine machines gaat (resp. 11,84 KW en 12,2 KWgrens voor klasse 3 = 10 KW). De P.V.M.C. (sic) noteerde trouwens dat het vermogen van de metaalbewer- kingstoestellen laag is (bijna derde klasse). VII-14.755-11/20 - aangezien de Gemeenschapsminister van leefmilieu bij beslissing van 15 januari 1992 meende dat de toen reeds bestaande activiteit (die sedertdien ongewijzigd is gebleven) aanvaardbaar was in de woonomgeving ter plaatse. Ten onrechte weerhield de Bestendige Deputatie de klachten van geluidshin- der omdat enerzijds de klachten geuit namens de school niet-geobjectiveerd werden of bewezen (de gespecialiseerde AMINAL-instantie zag geen graten in de activiteit) en anderzijds het verslag van de milieuambtenaar te vaag is. Met de metingen gedaan door de milieuambtenaar kan geen rekening gehouden worden omdat ze zelf te vaag zijn, niet verricht werden door een door de overheid erkende instantie en omdat het verslag niet aan de verzoekende partij werd meegedeeld opdat hij er kennis van kon nemen en er op een gemotiveerde manier op zou kunnen antwoorden. De weerhouden argumenten wegen derhalve niet op tegen het gunstig advies van het B.M.V., de geluidsmeting van AIB Vinçotte, de vaststelling dat verzoekende partij reeds maatregelen heeft genomen, de vaststelling dat er nooit een proces-verbaal werd opgesteld, de kleine aard van het bedrijf van verzoeken- de partij en het feit dat de Gemeenschapsminister nog in 1992 meende dat dezelfde activiteit aanvaardbaar was op de betrokken plaats. iii. Derde onderdeel - de voorwaarden inzake afbraak en groenscherm. In de beslissing van het Schepencollege was verzoekende partij bevolen om een aantal gebouwen af te breken en een groen scherm van 6 meter aan te brengen. In zijn verzoekschrift in beroep had verzoekende partij er op gewezen dat er voor deze gebouwen een bouwvergunning bestond (en deze ook aan het beroepschrift toegevoegd) en dat in een milieuvergunning niet de afbraak kan bevolen worden van gebouwen, hetgeen een maatregel is die thuishoort in de stedenbouwwetgeving (zie tweede middel). Klaarblijkelijk vinden deze argumenten gehoor bij het gespecialiseerd bestuur aangezien het bestuur voor ruimtelijke ordening in haar advies van 6 mei 1996 (kenmerk N/066190), niet meer de afbraak vraagt van de betrokken gebouwen, doch enkel vraagt dat onverwijld een regularisatie-bouwvergunningsaanvraag zou worden ingediend (pag. 10 bestreden beslissing). In de verdere motivering wordt er geen enkele passus meer gewijd aan deze gebouwen, nog minder een reden opgegeven waarom deze zouden moeten worden afgebroken. Desondanks bevestigt de bestreden beslissing zonder meer het besluit van het Schepencollege op dit punt. Wat het aanbrengen van een groenscherm betreft, wijst verzoekende partij er op dat ze reeds een groen scherm heeft aangebracht. iv. Vierde onderdeel - tijdstip en plaats van de vergunde activiteit. In de bestreden beslissing worden de vergunde activiteiten beperkt qua tijdstip (enkel buiten de schooluren) en qua plaats (slechts in het centrale gebouw met gesloten deur). De bestreden beslissing geeft daarvoor als argumentatie de geluidshinder die de activiteit van verzoekende partij zou meebrengen. Terzake is de beslissing enerzijds niet afdoende gemotiveerd aangezien de Bestendige deputatie ten onrechte geluidshinder weerhoudt (zie hetgeen hoger gesteld werd omtrent de beweerde geluidshinder) en anderzijds inherent tegenstrijdig, aangezien de geluidshinder volgens de bestreden beslissing zelf klaarblijkelijk afkomstig is van de activiteit inzake metaalbewerking en deze activiteit niet vergund werd in de bestreden beslissing. v. Vijfde onderdeel - omtrent de periode van de vergunning. De bestreden beslissing verleent aan de verzoekende partij een vergunning voor 2 jaar, tot 1 juni
  21. Verzoekende partij had nochtans om een vergunning verzocht van 20 jaar. Dit verzoek was ook in die zin gunstig geadviseerd door het Bestuur Milieuvergunningen. Zonder verdere motivering beperkt de Bestendige Deputatie echter de termijn van de vergunning tot 1 juni
  22. Terzake kan de bestendige deputatie niet VII-14.755-12/20 verwijzen naar de hinder die het bedrijf van verzoekster zou veroorzaken, aangezien hoger reeds duidelijk werd gemaakt dat de hinder die het bedrijf van verzoekster meebrengt als acceptabel in een woonzone dient te worden beschouwd. De in het middel aangehaalde bepalingen zijn dan ook geschonden"; 2.
  23. Overwegende dat de verwerende partij in haar memorie van antwoord als volgt repliceert : "Eerste middel: schending van de motiveringsplicht * Eerste onderdeel: geen vergunning voor de rubrieken 15.2 en 19.6 Verzoekster stelt ten onrechte dat in het besluit van het college van burgemeester en schepenen en in het besluit van de bestendige deputatie niet wordt gemotiveerd waarom de herstelwerkplaats (rubriek 15.2) en de houtop- slag (rubriek 19.6) geweigerd worden. In het besluit van het college van burgemeester en schepenen van Balen van 14 februari 1996 werd gesteld dat er 'herhaaldelijk klachten werden ingediend wegens geluidshinder voornamelijk afkomstig van de werkplaats voor de herstelling en het maken van de metalen opbouw van opleggers'. Bovendien werd gesteld dat 'een aantal van de huidige activiteiten niet verenigbaar zijn met de omgeving en overdreven hinder veroorzaken voor de naastgelegen school'. Uit de overwegingen van het besluit van de bestendige deputatie blijkt dat enkel de hoofdactiviteit van de exploitant (het vervaardigen van sierschouwen) nog vergunbaar is, hetzij voor een beperkte termijn van 2 jaar (tot 1 juni 1998), zoals ook beslist werd door het college van burgemeester en schepenen; alle andere activiteiten werden geweigerd gelet op het feit dat ze teveel hinder veroorzaken t.o.v. de nabijgelegen school. De maatregelen die door de exploitant werden genomen volstaan niet om de hinder tot een aanvaardbaar niveau te beperken (cfr.p. 14 van het deputatiebe- sluit). Hieruit blijkt dat alle activiteiten van de exploitant, behalve de hoofdactivi- teit, te hinderlijk werden bevonden t.o.v. de nabijgelegen school (waaronder dus ook de herstelwerkplaats en de houtopslag). De metaalbewerkingsactiviteit wordt in het deputatiebesluit meerdere malen vermeld gelet op het feit dat dit de meest hinderlijke activiteit is t.o.v. de nabijgelegen school (vooral de geluidshinder afkomstig van het slijpen en boren van metalen). * Tweede onderdeel: geen vergunning voor rubriek 29.5.2.
  24. De metaalbewerkingsactiviteit (rubriek 29.5.2.2.) werd inderdaad geweigerd door de bestendige deputatie omdat deze te veel hinder (vooral geluidshinder afkomstig van het slijpen en boren van metalen) veroorzaakt t.o.v. de nabijgele- gen school. Uit de toelichting van de milieu-ambtenaar van de gemeente Balen ter zitting van de Provinciale Milieuvergunningscommissie bleek tevens o.a. het volgende : - de door de exploitant reeds genomen maatregelen blijken niet voldoende te zijn omdat er nog regelmatig klachten zijn van de nabijgelegen school, vooral inzake de geluidshinder die afkomstig is van het slijpen en boren van metalen; - diverse keren werden er bij een inspectie ter plaatse overtredingen vastgesteld; - de houten muur die tegen de montagehal werd geplaatst, beperkt de visuele hinder, doch is onvoldoende voor wat de geluidshinder betreft; er wordt regelmatig met open deuren gewerkt; - na het plaatsen van de geluidsmuur werden er door de milieudienst, in opdracht van het schepencollege, geluidsmetingen gedaan op een 5-tal m van het schoolgebouw; in dit verslag worden waarden vermeld van ca. 76 dBA. VII-14.755-13/20 De Provinciale Milieuvergunningscommissie stelde zelf vast in haar advies dat het verslag inzake de geluidsmetingen van AIB Vinçotte (uitgevoerd in opdracht van de exploitant) onvoldoende gegevens bevat voor een degelijke evaluatie van de geluidshinder. Het is niet omdat AIB Vinçotte een door de overheid erkende instelling is dat het verslag daarom ook meteen volledig moet geacht worden. De bestendige deputatie heeft zich niet gebaseerd op de metingen inzake geluidshinder door de milieuambtenaar. Er werd wel een bijkomende bijzondere voorwaarde opgelegd aan de exploitant om een akoestisch onderzoek te laten uitvoeren door een erkend deskundige conform afdeling 4.5.
  25. van Vlarem II. Verzoekster refereert naar het feit dat de gemeenschapsminister van leefmilieu, natuurbehoud en landinrichting in 1992 meende dat de metaalbewer- kingsactiviteit aanvaardbaar was op de betrokken plaats. Verweerster wijst er echter op dat de beslissing van de gemeenschapsminister van leefmilieu, natuurbehoud en landinrichting van 15 januari 1992 nog genomen werd in het kader van het Algemeen Reglement voor de Arbeidsbescherming en dat dit geen automatisch recht geeft op positieve toekomstige beslissingen betreffende het verderzetten van de activiteiten. De hinder dient bij elke milieuvergunningsaanvraag opnieuw beoordeeld te worden. Tussen 1992 en 1996 kunnen er zich immers ook wijzigingen hebben voorgedaan in de omgeving van de inrichting. Er is dan ook geen reden om de nieuwe vergunningsaanvraag op dezelfde wijze te behandelen als de aanvraag in het begin van
  26. * Derde onderdeel : de voorwaarden inzake afbraak en groenscherm In het besluit van het college van burgemeester en schepenen van Balen werden o.a. de volgende bijzondere voorwaarden opgelegd : * De gebouwen onder nr. 3, 4, 5, 6, 7 en 8 moeten worden afgebroken en moeten vervangen worden door een groenscherm van minimum 6 meter breed. * Het perceel 110 f28 moet volledig worden ontruimd en langs het perceel 110s30 moet een 6 meter breed groenscherm worden aangeplant. De bestendige deputatie heeft de beslissing van het schepencollege bevestigd, ook wat die betreffende bijzondere voorwaarden betreft. Volgens de informatie van het inlichtingenformulier inzake bouwpolitie werd voor een gedeelte van de bedrijfsgebouwen een bouwvergunning verleend. De vorm en de inplanting van een deel van de gebouwen werd echter niet conform de verleende vergunning uitgevoerd : * Bouwvergunning verleend op 25 oktober 1974 (nr. 74/020

(2)) voor het bijbouwen van een werkhuis en toonzaal. * Bouwvergunning verleend op 13 december 1976 (nr. 76.132) voor de bouw van garages, bureel, grot en opslagplaats. De werkplaats voor de bovenbouw van de opleggers werd niet vergund. Het college van burgemeester en schepenen heeft gemeend als bijzondere voorwaarde op te leggen dat de gebouwen onder nr. 3,4,5,6,7 en 8 (volgens het plan bij de milieuvergunningsaanvraag) afgebroken moeten worden en vervangen dienen te worden door een groenscherm van 6 meter breed. Dit betreft de gebouwen die niet conform de voorwaarden van de betreffende bouwvergunningen werden gebouwd : - volgens een andere bestemming dan op het bouwplan bij de bouwvergunning van 13 december 1976; - inplanting en afmetingen werden niet nageleefd. De oplegging van deze bijzondere voorwaarde strekt ertoe de hinder naar de omgeving toe (vooral t.o.v. de nabijgelegen school) te beperken. De beslissende overheid kan in de milieuvergunning bijzondere voorwaarden opleggen wanneer zij, zoals in casu, meent dat de exploitatie niet kan gebeuren in niet (of gedeeltelijk) vergunde gebouwen of in gebouwen die niet meer aan de bestemming volgens de bouwvergunning voldoen. VII-14.755-14/20 Verzoekster stelt dat reeds een groenscherm werd aangebracht. Dit betreft waarschijnlijk de aanplanting van het groenscherm dat werd opgelegd in artikel 7 van het besluit van de gemeenschapsminister van leefmilieu, natuurbehoud en landinrichting van januari
  1. Deze voorwaarde luidde als volgt : 'Uiterlijk 1 jaar na de datum van dit besluit dient een groenscherm van tenminste 3 m breed aangelegd te worden tussen de op het bij het aanvraagdossier gevoegde situatieplan onder nummer 8 aangeduide stapelruimte van stenen, zand, cement en natuursteen enerzijds en de perceelsgrenzen anderzijds'. De aanplanting van voornoemd groenscherm is echter niet vergelijkbaar met het groenscherm dat thans werd opgelegd door het schepencollege, zoals bevestigd door de bestendige deputatie (verschil in afmeting en plaats van aanplanting). * Vierde onderdeel : tijdstip en plaats van de vergunde activiteit De bestendige deputatie heeft het standpunt van het schepencollege gevolgd voor wat het uitsluitend vergunnen van de hoofdactiviteit van de exploitant betreft. Vermits deze activiteit in de montagehal gebeurt (nabij de school), heeft de bestendige deputatie geoordeeld dat het nodig was om ter beperking van de geluidshinder (voornaamste bron van klacht van de beroepers en bezwaarindie- ners) bijkomende milieuvergunningsvoorwaarden op te leggen : enkel werken na de schooluren en steeds met gesloten deuren. Bij de weerlegging van het tweede onderdeel werd reeds weergegeven in welke mate de geluidshinder weerhouden werd door de bestendige deputatie als weigeringsargument. Zoals eerder werd gesteld, gaf niet enkel de geweigerde metaalbewerkingsac- tiviteit aanleiding tot geluidshinder, doch ook o.a. de activiteiten van de herstelwerkplaats. De metaalbewerkingsactiviteit werd meermaals in de overwegingen van het deputatiebesluit aangehaald omdat deze nog meer hinderlijk werd bevonden dan de overige activiteiten. De metaalbewerkingsactiviteit werd niet vergund. De bijzondere voorwaar- den inzake beperking van de geluidshinder hebben echter betrekking op de vergunde activiteit van het vervaardigen van sierschouwen. * Vijfde onderdeel: periode van de vergunning Het beperken in tijd van de vergunde inrichtingen tot 1 juni 1998 vloeit voort uit de feitelijke gegevens van het dossier: gedeeltelijke ligging in woongebied, nabij een school, activiteiten die reeds herhaalde malen het voorwerp waren van klachten, onvoldoende hinderbeperkende maatregelen. Het eerste middel is niet gegrond"; 2.
  2. Overwegende dat de verzoekende partij in haar memorie van wederantwoord in essentie herneemt hetgeen zij in het verzoekschrift heeft uiteengezet. Met betrekking tot het eerste onderdeel repliceert zij aanvullend nog als volgt : VII-14.755-15/20 "Volkomen ten onrechte stelt de verwerende partij dan ook in haar memorie van antwoord dat uit de overwegingen van de bestreden beslissing voldoende blijkt dat enkel de hoofdactiviteit (vervaardigen van sierschouwen) aanvaardbaar is en dat daaruit impliciet doch zeker moet blijken dat alle andere activiteiten hinderlijk zijn. Verzoekende partij meent dat dergelijke argumentatie op zich reeds een tekort aan motivering aantoont. Bovendien ziet verzoekende partij niet in hoe het louter opslaan van hout hinderlijk kan zijn voor de naburige school aangezien dit geen geluidshinder, geurhinder of enige andere hinder kan meebrengen. De bestreden beslissing schendt derhalve de in het middel vermelde bepalingen"; 2.
  3. Overwegende dat de onderdelen als volgt worden beoordeeld : 2.4.
  4. Eerste onderdeel, waarbij de verzoekende partij de formele motiveringsplicht geschonden acht in de mate dat uit de motivering niet blijkt waarom de gevraagde rubrieken 15.2 (werkplaats voor herstellen van voertuigen met smeerput) en 19.6 (houtopslag) geweigerd worden : De repliek van de verwerende partij met een verwijzing naar de motivering van het besluit van het college van burgemeester en schepenen, zijnde de beslissing in eerste aanleg, die niet hernomen wordt in de bestreden beslissing en die trouwens ook niet concreet aangeeft waarom de bedoelde rubrieken geweigerd werden, kan niet dienend zijn om de beslissing in beroep te motiveren. In de motivering van het bestreden besluit wordt nergens concreet aangegeven waarom de bedoelde rubrieken geweigerd werden. De repliek van de verwerende partij dat dit zou moeten blijken uit de geluidshinder afkomstig van de metaalbewerkingsactiviteiten is niet relevant ten aanzien van de geweigerde houtopslag (19.6), vermits niet in te zien valt hoe deze opslag geluidshinder afkomstig van metaalbewerkingsactiviteiten zou kunnen veroorzaken, en evenmin ten aanzien van de herstelwerkplaats voor voertuigen met smeerput, vermits ook deze geen uitstaans heeft met de metaalbewerkingsactiviteiten. Terzake kan worden verwezen naar het advies van de afdeling Milieuvergunningen, zoals ook expliciet opgenomen in de aanhef van het bestreden besluit, waaruit blijkt dat deze herstel- werkplaats zeker niet gebruikt kan worden voor het werken aan opleggers - en dit zijn juist de metaalbewerkingsactiviteiten - , gelet ook op de grootte van de smeerput, nl. een normale grote autostalplaats. Het middelonderdeel is gegrond. 2.4.
  5. Tweede onderdeel waarbij de verzoekende partij de "motiverings- plicht" geschonden acht in de mate dat uit de motivering niet blijkt waarom de VII-14.755-16/20 gevraagde rubriek 29.5.2.2 (metaalbewerkingsactiviteit) geweigerd werd, of minstens dat de opgegeven motivering niet afdoende is : Uit de motivering blijkt dat de bestendige deputatie de metaalbe- werkingsactiviteit onaanvaardbaar acht omwille van de geluidshinder afkomstig van het slijpen en boren van metalen, gelet op de nabijgelegen school. De motivering geeft dus wel aan waarom de metaalbewerkingsactiviteit onaanvaardbaar wordt geacht. Evenwel wordt die motivering door de verzoekende partij inhoudelijk betwist, en zoals hierna zal blijken terecht. De verwerende partij acht in het bestreden besluit het onaanvaard- bare karakter van de geluidshinder kennelijk voldoende bewezen op grond van de talrijke klachten, vooral vanwege de nabij gelegen school en op grond van een meting van de gemeentelijke milieuambtenaar in februari 1996, waarbij waarden van 76 dBA zouden vastgesteld zijn. De verzoekende partij brengt evenwel tegen deze elementen o.m. het volgende in : • de afdeling Milieuvergunningen heeft in haar advies niets gesteld over onaan- vaardbare geluidshinder; C het verslag van de gemeentelijke milieuambtenaar werd nooit aan de verzoekende partij meegedeeld zodat zij niet in de gelegenheid gesteld is er op te antwoorden; C een verslag van AIB Vinçotte, dat aan de Provinciale Milieuvergunningscommissie werd meegedeeld, heeft waarden van 43 à 46 dBA vastgesteld, hetgeen aanvaardbaar is voor een woonzone; C er werd nooit een proces-verbaal wegens geluidshinder opgesteld; C het bedrijf van verzoekende partij is klein van aard; de meeste activiteiten zijn ofwel niet opgenomen in de indelingslijst, ofwel opgenomen onder klasse
  6. Met betrekking tot de metaalbewerkingstoestellen noteerde de Provinciale Milieuvergunningscommissie dat het vermogen laag is (bijna derde klasse). In het voorwaardelijk gunstig advies van de Provinciale Milieuvergunningscommissie wordt met betrekking tot de geluidshinder het volgende gesteld : "
  7. De PMVC stelt:
  8. dat de activiteiten die voor hinder kunnen zorgen in de montagehal gebeuren;
  9. dat de metaalbewerkingstoestellen een laag vermogen hebben (bijna derde klasse);
  10. dat het meetverslag van AIB Vinçotte onvoldoende gegevens bevat voor een degelijke evaluatie van de geluidshinder; dat een akoestisch onderzoek noodzakelijk is; VII-14.755-17/20
  11. dat, gelet op de herkomst van de bezwaren, activiteiten in de montagehal tijdens de schooluren verboden moeten worden; dat het aangewezen is steeds met gesloten deuren te werken in de hal;
  12. dat een proefvergunning niet mogelijk is, aangezien de montagehal slechts zeer gedeeltelijk bouwvergund is". Het wordt niet betwist dat aangaande de klachten inzake geluidshinder voortkomende uit de metaalbewerkingsactiviteit waarnaar in het bestreden besluit wordt verwezen geen proces-verbaal werd opgemaakt, noch dat de meting van de gemeentelijke milieuambtenaar nooit aan de verzoekende partij werd ter kennis gebracht. Uit andere elementen van het administratief dossier kan evenwel worden afgeleid dat het niet zeker is dat de aangevraagde metaalbewerkingsactiviteiten onaanvaardbare geluidshinder zullen meebrengen. Desbetreffend kan worden verwezen naar de door de verzoekende partij aangebrachte elementen, die steun vinden in het administratief dossier, en naar het hiervoren geciteerd advies van de Provinciale Milieuvergunningscommissie, waaruit inzake geluidshinder alleen enige terughoudendheid blijkt en wordt voorgesteld om de vergunning te verlenen mits het opleggen van bijkomende bijzondere voorwaarden, onder meer het uitvoeren van een volledig akoestisch onderzoek. Het middelonderdeel is gegrond in de mate dat de motivering van de weigering van de metaalbewerkingsactiviteit enkel is gesteund op klachten inzake geluidshinder waarvoor geen proces-verbaal werd opgesteld, en waarvan dus niet is uitgemaakt of deze klachten gegrond waren, alsmede op een meting van de gemeentelijke milieuambtenaar waarvan de resultaten niet werden meegedeeld aan de verzoekende partij. 2.4.
  13. Derde onderdeel waarbij de verzoekende partij de "motiveringsplicht" geschonden acht in de mate dat uit de motivering van de bestreden beslissing nergens blijkt waarom de beslissing in eerste aanleg van het college van burgemeester en schepenen bevestigd wordt, wat betreft de bijzondere voorwaarde dat een aantal gebouwen moeten afgebroken worden en dat in de plaats een groenscherm moet worden aangelegd : Uit de motivering blijkt inderdaad nergens waarom de bestreden beslissing de beslissing in eerste aanleg bevestigt wat betreft het afbreken van een aantal gebouwen en het aanleggen van een groenscherm, alhoewel de verzoekende partij in haar beroepschrift expliciet gevraagd heeft deze bijzondere voorwaarden te schrappen. Bovendien blijkt uit het advies van het bestuur Ruimtelijke Ordening naar aanleiding van het beroep dat het bestuur van oordeel is dat een regularisatieaanvraag moet ingediend worden. VII-14.755-18/20 Het middelonderdeel is gegrond. 2.4.
  14. Vierde onderdeel waarbij de verzoekende partij de formele motiveringsplicht geschonden acht in de mate dat niet afdoende gemotiveerd wordt waarom de vergunde activiteit, nl. het vervaardigen van sierschouwen, beperkt wordt zowel in de tijd, met name enkel buiten schooluren, als qua ruimte, met name enkel in de montagehal in het centrale gebouw met gesloten deuren. Het opleggen van de voorwaarde dat de vergunde activiteit enkel buiten de schooluren en met gesloten deuren moet uitgeoefend worden, kan slechts de beperking van geluidshinder tot doel hebben. In de motivering wordt slechts verwezen naar de geluidshinder die afkomstig is van de metaalbewerkingsactiviteit, die door de bestreden beslissing niet vergund wordt. Indien de verwerende partij van oordeel was dat de wel vergunde activiteit overdreven geluidshinder veroorzaakt, dan moet vastgesteld worden dat de motivering hierover geen enkele concrete aanwijzing bevat. Het middelonderdeel is gegrond. 2.4.
  15. Vijfde onderdeel waarbij de verzoekende partij de "motiveringsplicht" geschonden acht in de mate dat de bestreden beslissing de vergunningstermijn zonder enige motivering beperkt tot twee jaar (tot 1 juni 1998), alhoewel de verzoekende partij een normale vergunningstermijn (twintig jaar) had aangevraagd. In de motivering wordt zonder meer gesteld dat de "activiteit voor het vervaardigen van sierschouwen milieutechnisch aanvaardbaar is tot 1 juni 1998". Verder wordt geen enkele verduidelijking gegeven waarom de termijn aldus aanzienlijk beperkt wordt. Aangezien de vergunning beperkt wordt tot de hoofdactiviteit, nl. het vervaardigen van sierschouwen, die milieutechnisch aanvaardbaar wordt geacht, weliswaar mits bijzondere voorwaarden, is het de vraag hoe de beperking van de vergunningsduur tot twee jaar verantwoord zou kunnen worden. In ieder geval wordt een dergelijke verantwoording nergens in de motivering opgenomen. Het middelonderdeel is gegrond; 2.
  16. Overwegende dat het eerste middel in al zijn onderdelen gegrond is, BESLUIT: VII-14.755-19/20 Artikel
  17. Vernietigd wordt het besluit van de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen van 10 juli 1996 houdende uitspraak met betrekking tot de beroepen, ingediend door de b.v.b.a. SCHOUWEN ANDRÉ, het Leerkrachtenteam van de gemeentelijke basisschool, het oudercomité van de gemeentelijke basisschool en de v.z.w. AKTIEGROEP LEEFMILIEU KEMPEN tegen het besluit van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Balen van 14 februari 1996 houdende gedeeltelijke vergunning aan b.v.b.a. SCHOUWEN ANDRÉ tot het exploiteren van een inrichting voor het vervaardigen van sierschouwen te 2490 Balen, Postelweg 20-
  18. Artikel
  19. Dit arrest zal worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als het vernietigde besluit. Artikel
  20. De kosten van het beroep, bepaald op 99,16 euro, komen ten laste van het Vlaamse Gewest. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op twintig april tweeduizend en zes, door de VIIe kamer, die was samengesteld uit : Mevr. M.-R. BRACKE, kamervoorzitter, de HH. R. STEVENS, staatsraad, E. BREWAEYS, staatsraad, Mevr. A. WIJNANTS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. WIJNANTS. M.-R. BRACKE. VII-14.755-20/20 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.157.784 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.