id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 20 april 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.157.784 Rolnummer: A. 71474/VII-14755 Zaak: Arrest 157784 - - 20/04/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-04-28 Raadplegingen: 62 - laatst gezien 2026-06-30 17:39 Fiche Arrest nr 157.784 van 20 april 2006 - Beslissing : Vernietiging bekendmaking Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 157.784 van 20 april 2006 in de zaak A. 71.474/VII-14.
(2)) voor het bijbouwen van een werkhuis en toonzaal. * Bouwvergunning verleend op 13 december 1976 (nr. 76.132) voor de bouw van garages, bureel, grot en opslagplaats. De werkplaats voor de bovenbouw van de opleggers werd niet vergund. Het college van burgemeester en schepenen heeft gemeend als bijzondere voorwaarde op te leggen dat de gebouwen onder nr. 3,4,5,6,7 en 8 (volgens het plan bij de milieuvergunningsaanvraag) afgebroken moeten worden en vervangen dienen te worden door een groenscherm van 6 meter breed. Dit betreft de gebouwen die niet conform de voorwaarden van de betreffende bouwvergunningen werden gebouwd : - volgens een andere bestemming dan op het bouwplan bij de bouwvergunning van 13 december 1976; - inplanting en afmetingen werden niet nageleefd. De oplegging van deze bijzondere voorwaarde strekt ertoe de hinder naar de omgeving toe (vooral t.o.v. de nabijgelegen school) te beperken. De beslissende overheid kan in de milieuvergunning bijzondere voorwaarden opleggen wanneer zij, zoals in casu, meent dat de exploitatie niet kan gebeuren in niet (of gedeeltelijk) vergunde gebouwen of in gebouwen die niet meer aan de bestemming volgens de bouwvergunning voldoen. VII-14.755-14/20 Verzoekster stelt dat reeds een groenscherm werd aangebracht. Dit betreft waarschijnlijk de aanplanting van het groenscherm dat werd opgelegd in artikel 7 van het besluit van de gemeenschapsminister van leefmilieu, natuurbehoud en landinrichting van januari
- Deze voorwaarde luidde als volgt : 'Uiterlijk 1 jaar na de datum van dit besluit dient een groenscherm van tenminste 3 m breed aangelegd te worden tussen de op het bij het aanvraagdossier gevoegde situatieplan onder nummer 8 aangeduide stapelruimte van stenen, zand, cement en natuursteen enerzijds en de perceelsgrenzen anderzijds'. De aanplanting van voornoemd groenscherm is echter niet vergelijkbaar met het groenscherm dat thans werd opgelegd door het schepencollege, zoals bevestigd door de bestendige deputatie (verschil in afmeting en plaats van aanplanting). * Vierde onderdeel : tijdstip en plaats van de vergunde activiteit De bestendige deputatie heeft het standpunt van het schepencollege gevolgd voor wat het uitsluitend vergunnen van de hoofdactiviteit van de exploitant betreft. Vermits deze activiteit in de montagehal gebeurt (nabij de school), heeft de bestendige deputatie geoordeeld dat het nodig was om ter beperking van de geluidshinder (voornaamste bron van klacht van de beroepers en bezwaarindie- ners) bijkomende milieuvergunningsvoorwaarden op te leggen : enkel werken na de schooluren en steeds met gesloten deuren. Bij de weerlegging van het tweede onderdeel werd reeds weergegeven in welke mate de geluidshinder weerhouden werd door de bestendige deputatie als weigeringsargument. Zoals eerder werd gesteld, gaf niet enkel de geweigerde metaalbewerkingsac- tiviteit aanleiding tot geluidshinder, doch ook o.a. de activiteiten van de herstelwerkplaats. De metaalbewerkingsactiviteit werd meermaals in de overwegingen van het deputatiebesluit aangehaald omdat deze nog meer hinderlijk werd bevonden dan de overige activiteiten. De metaalbewerkingsactiviteit werd niet vergund. De bijzondere voorwaar- den inzake beperking van de geluidshinder hebben echter betrekking op de vergunde activiteit van het vervaardigen van sierschouwen. * Vijfde onderdeel: periode van de vergunning Het beperken in tijd van de vergunde inrichtingen tot 1 juni 1998 vloeit voort uit de feitelijke gegevens van het dossier: gedeeltelijke ligging in woongebied, nabij een school, activiteiten die reeds herhaalde malen het voorwerp waren van klachten, onvoldoende hinderbeperkende maatregelen. Het eerste middel is niet gegrond"; 2.
- Overwegende dat de verzoekende partij in haar memorie van wederantwoord in essentie herneemt hetgeen zij in het verzoekschrift heeft uiteengezet. Met betrekking tot het eerste onderdeel repliceert zij aanvullend nog als volgt : VII-14.755-15/20 "Volkomen ten onrechte stelt de verwerende partij dan ook in haar memorie van antwoord dat uit de overwegingen van de bestreden beslissing voldoende blijkt dat enkel de hoofdactiviteit (vervaardigen van sierschouwen) aanvaardbaar is en dat daaruit impliciet doch zeker moet blijken dat alle andere activiteiten hinderlijk zijn. Verzoekende partij meent dat dergelijke argumentatie op zich reeds een tekort aan motivering aantoont. Bovendien ziet verzoekende partij niet in hoe het louter opslaan van hout hinderlijk kan zijn voor de naburige school aangezien dit geen geluidshinder, geurhinder of enige andere hinder kan meebrengen. De bestreden beslissing schendt derhalve de in het middel vermelde bepalingen"; 2.
- Overwegende dat de onderdelen als volgt worden beoordeeld : 2.4.
- Eerste onderdeel, waarbij de verzoekende partij de formele motiveringsplicht geschonden acht in de mate dat uit de motivering niet blijkt waarom de gevraagde rubrieken 15.2 (werkplaats voor herstellen van voertuigen met smeerput) en 19.6 (houtopslag) geweigerd worden : De repliek van de verwerende partij met een verwijzing naar de motivering van het besluit van het college van burgemeester en schepenen, zijnde de beslissing in eerste aanleg, die niet hernomen wordt in de bestreden beslissing en die trouwens ook niet concreet aangeeft waarom de bedoelde rubrieken geweigerd werden, kan niet dienend zijn om de beslissing in beroep te motiveren. In de motivering van het bestreden besluit wordt nergens concreet aangegeven waarom de bedoelde rubrieken geweigerd werden. De repliek van de verwerende partij dat dit zou moeten blijken uit de geluidshinder afkomstig van de metaalbewerkingsactiviteiten is niet relevant ten aanzien van de geweigerde houtopslag (19.6), vermits niet in te zien valt hoe deze opslag geluidshinder afkomstig van metaalbewerkingsactiviteiten zou kunnen veroorzaken, en evenmin ten aanzien van de herstelwerkplaats voor voertuigen met smeerput, vermits ook deze geen uitstaans heeft met de metaalbewerkingsactiviteiten. Terzake kan worden verwezen naar het advies van de afdeling Milieuvergunningen, zoals ook expliciet opgenomen in de aanhef van het bestreden besluit, waaruit blijkt dat deze herstel- werkplaats zeker niet gebruikt kan worden voor het werken aan opleggers - en dit zijn juist de metaalbewerkingsactiviteiten - , gelet ook op de grootte van de smeerput, nl. een normale grote autostalplaats. Het middelonderdeel is gegrond. 2.4.
- Tweede onderdeel waarbij de verzoekende partij de "motiverings- plicht" geschonden acht in de mate dat uit de motivering niet blijkt waarom de VII-14.755-16/20 gevraagde rubriek 29.5.2.2 (metaalbewerkingsactiviteit) geweigerd werd, of minstens dat de opgegeven motivering niet afdoende is : Uit de motivering blijkt dat de bestendige deputatie de metaalbe- werkingsactiviteit onaanvaardbaar acht omwille van de geluidshinder afkomstig van het slijpen en boren van metalen, gelet op de nabijgelegen school. De motivering geeft dus wel aan waarom de metaalbewerkingsactiviteit onaanvaardbaar wordt geacht. Evenwel wordt die motivering door de verzoekende partij inhoudelijk betwist, en zoals hierna zal blijken terecht. De verwerende partij acht in het bestreden besluit het onaanvaard- bare karakter van de geluidshinder kennelijk voldoende bewezen op grond van de talrijke klachten, vooral vanwege de nabij gelegen school en op grond van een meting van de gemeentelijke milieuambtenaar in februari 1996, waarbij waarden van 76 dBA zouden vastgesteld zijn. De verzoekende partij brengt evenwel tegen deze elementen o.m. het volgende in : • de afdeling Milieuvergunningen heeft in haar advies niets gesteld over onaan- vaardbare geluidshinder; C het verslag van de gemeentelijke milieuambtenaar werd nooit aan de verzoekende partij meegedeeld zodat zij niet in de gelegenheid gesteld is er op te antwoorden; C een verslag van AIB Vinçotte, dat aan de Provinciale Milieuvergunningscommissie werd meegedeeld, heeft waarden van 43 à 46 dBA vastgesteld, hetgeen aanvaardbaar is voor een woonzone; C er werd nooit een proces-verbaal wegens geluidshinder opgesteld; C het bedrijf van verzoekende partij is klein van aard; de meeste activiteiten zijn ofwel niet opgenomen in de indelingslijst, ofwel opgenomen onder klasse
- Met betrekking tot de metaalbewerkingstoestellen noteerde de Provinciale Milieuvergunningscommissie dat het vermogen laag is (bijna derde klasse). In het voorwaardelijk gunstig advies van de Provinciale Milieuvergunningscommissie wordt met betrekking tot de geluidshinder het volgende gesteld : "
- De PMVC stelt:
- dat de activiteiten die voor hinder kunnen zorgen in de montagehal gebeuren;
- dat de metaalbewerkingstoestellen een laag vermogen hebben (bijna derde klasse);
- dat het meetverslag van AIB Vinçotte onvoldoende gegevens bevat voor een degelijke evaluatie van de geluidshinder; dat een akoestisch onderzoek noodzakelijk is; VII-14.755-17/20
- dat, gelet op de herkomst van de bezwaren, activiteiten in de montagehal tijdens de schooluren verboden moeten worden; dat het aangewezen is steeds met gesloten deuren te werken in de hal;
- dat een proefvergunning niet mogelijk is, aangezien de montagehal slechts zeer gedeeltelijk bouwvergund is". Het wordt niet betwist dat aangaande de klachten inzake geluidshinder voortkomende uit de metaalbewerkingsactiviteit waarnaar in het bestreden besluit wordt verwezen geen proces-verbaal werd opgemaakt, noch dat de meting van de gemeentelijke milieuambtenaar nooit aan de verzoekende partij werd ter kennis gebracht. Uit andere elementen van het administratief dossier kan evenwel worden afgeleid dat het niet zeker is dat de aangevraagde metaalbewerkingsactiviteiten onaanvaardbare geluidshinder zullen meebrengen. Desbetreffend kan worden verwezen naar de door de verzoekende partij aangebrachte elementen, die steun vinden in het administratief dossier, en naar het hiervoren geciteerd advies van de Provinciale Milieuvergunningscommissie, waaruit inzake geluidshinder alleen enige terughoudendheid blijkt en wordt voorgesteld om de vergunning te verlenen mits het opleggen van bijkomende bijzondere voorwaarden, onder meer het uitvoeren van een volledig akoestisch onderzoek. Het middelonderdeel is gegrond in de mate dat de motivering van de weigering van de metaalbewerkingsactiviteit enkel is gesteund op klachten inzake geluidshinder waarvoor geen proces-verbaal werd opgesteld, en waarvan dus niet is uitgemaakt of deze klachten gegrond waren, alsmede op een meting van de gemeentelijke milieuambtenaar waarvan de resultaten niet werden meegedeeld aan de verzoekende partij. 2.4.
- Derde onderdeel waarbij de verzoekende partij de "motiveringsplicht" geschonden acht in de mate dat uit de motivering van de bestreden beslissing nergens blijkt waarom de beslissing in eerste aanleg van het college van burgemeester en schepenen bevestigd wordt, wat betreft de bijzondere voorwaarde dat een aantal gebouwen moeten afgebroken worden en dat in de plaats een groenscherm moet worden aangelegd : Uit de motivering blijkt inderdaad nergens waarom de bestreden beslissing de beslissing in eerste aanleg bevestigt wat betreft het afbreken van een aantal gebouwen en het aanleggen van een groenscherm, alhoewel de verzoekende partij in haar beroepschrift expliciet gevraagd heeft deze bijzondere voorwaarden te schrappen. Bovendien blijkt uit het advies van het bestuur Ruimtelijke Ordening naar aanleiding van het beroep dat het bestuur van oordeel is dat een regularisatieaanvraag moet ingediend worden. VII-14.755-18/20 Het middelonderdeel is gegrond. 2.4.
- Vierde onderdeel waarbij de verzoekende partij de formele motiveringsplicht geschonden acht in de mate dat niet afdoende gemotiveerd wordt waarom de vergunde activiteit, nl. het vervaardigen van sierschouwen, beperkt wordt zowel in de tijd, met name enkel buiten schooluren, als qua ruimte, met name enkel in de montagehal in het centrale gebouw met gesloten deuren. Het opleggen van de voorwaarde dat de vergunde activiteit enkel buiten de schooluren en met gesloten deuren moet uitgeoefend worden, kan slechts de beperking van geluidshinder tot doel hebben. In de motivering wordt slechts verwezen naar de geluidshinder die afkomstig is van de metaalbewerkingsactiviteit, die door de bestreden beslissing niet vergund wordt. Indien de verwerende partij van oordeel was dat de wel vergunde activiteit overdreven geluidshinder veroorzaakt, dan moet vastgesteld worden dat de motivering hierover geen enkele concrete aanwijzing bevat. Het middelonderdeel is gegrond. 2.4.
- Vijfde onderdeel waarbij de verzoekende partij de "motiveringsplicht" geschonden acht in de mate dat de bestreden beslissing de vergunningstermijn zonder enige motivering beperkt tot twee jaar (tot 1 juni 1998), alhoewel de verzoekende partij een normale vergunningstermijn (twintig jaar) had aangevraagd. In de motivering wordt zonder meer gesteld dat de "activiteit voor het vervaardigen van sierschouwen milieutechnisch aanvaardbaar is tot 1 juni 1998". Verder wordt geen enkele verduidelijking gegeven waarom de termijn aldus aanzienlijk beperkt wordt. Aangezien de vergunning beperkt wordt tot de hoofdactiviteit, nl. het vervaardigen van sierschouwen, die milieutechnisch aanvaardbaar wordt geacht, weliswaar mits bijzondere voorwaarden, is het de vraag hoe de beperking van de vergunningsduur tot twee jaar verantwoord zou kunnen worden. In ieder geval wordt een dergelijke verantwoording nergens in de motivering opgenomen. Het middelonderdeel is gegrond; 2.
- Overwegende dat het eerste middel in al zijn onderdelen gegrond is, BESLUIT: VII-14.755-19/20 Artikel
- Vernietigd wordt het besluit van de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen van 10 juli 1996 houdende uitspraak met betrekking tot de beroepen, ingediend door de b.v.b.a. SCHOUWEN ANDRÉ, het Leerkrachtenteam van de gemeentelijke basisschool, het oudercomité van de gemeentelijke basisschool en de v.z.w. AKTIEGROEP LEEFMILIEU KEMPEN tegen het besluit van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Balen van 14 februari 1996 houdende gedeeltelijke vergunning aan b.v.b.a. SCHOUWEN ANDRÉ tot het exploiteren van een inrichting voor het vervaardigen van sierschouwen te 2490 Balen, Postelweg 20-
- Artikel
- Dit arrest zal worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als het vernietigde besluit. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 99,16 euro, komen ten laste van het Vlaamse Gewest. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op twintig april tweeduizend en zes, door de VIIe kamer, die was samengesteld uit : Mevr. M.-R. BRACKE, kamervoorzitter, de HH. R. STEVENS, staatsraad, E. BREWAEYS, staatsraad, Mevr. A. WIJNANTS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. WIJNANTS. M.-R. BRACKE. VII-14.755-20/20 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.157.784 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div