← België

Arrest 157785 - - 20/04/2006

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 20 april 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.157.785 Rolnummer: A. 83065/VII-18005 Zaak: Arrest 157785 - - 20/04/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-04-28 Raadplegingen: 64 - laatst gezien 2026-06-30 17:39 Fiche Arrest nr 157.785 van 20 april 2006 - Beslissing : Vernietiging bekendmaking Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 157.785 van 20 april 2006 in de zaak A. 83.065/VII-18.005 In zake :

  1. Janien DEFIEUW,
  2. de v.z.w. NATUURFONDS WESTLAND, die woonplaats kiezen bij Advocaten I. LARMUSEAU, P. DE SMEDT en B. ROELANDTS, kantoor houdende te GENT, Kasteellaan 141 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij Advocaat B. BRONDERS, kantoor houdende te OOSTENDE, E. Beernaertstraat
  3. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, VIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Janien DEFIEUW en de v.z.w. NATUURFONDS WESTLAND op 22 maart 1999 hebben ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van de Vlaamse minister van Leefmilieu en Tewerkstelling van 4 december 1998 waarbij de beroepen die zij hadden ingediend tegen het besluit van de bestendige deputatie van de provincieraad van West- Vlaanderen van 28 mei 1998 houdende het verlenen aan Jules OLLIVIER van de vergunning voor het veranderen van een rundveefokkerij, gelegen aan de Seulestraat 104 te Nieuwkerke, door het uitbreiden met 19.000 mestkippen en het verminderen met 151 runderen tot een totale capaciteit van 200 runderen, 19.000 vleeskippen, 1.257 m³ mest, 40 ton kunstmest, 24.800 l. mazout, 5.000 l. petroleum, 1.265 m³ ruwvoeder en 115 m³ graan, ongegrond worden verklaard; Gelet op het arrest nr. 81.060 van 17 juni 1999 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit wordt verworpen; Gezien het verzoekschrift tot voortzetting ingediend door de eerste verzoekende partij; VII-18.005-1/15 Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door Adjunct-auditeur S. DE TAEYE; Gelet op de beschikking van 5 september 2005 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gezien de laatste memorie van de verwerende partij; Gelet op de beschikking van 27 februari 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 23 maart 2006; Gehoord het verslag van Kamervorrzitter M.-R. BRACKE; Gehoord de opmerkingen van Advocaat H. SCHAUKENS die, loco Advocaten I. LARMUSEAU, P. DE SMEDT en B. ROELANDTS verschijnt voor de verzoekende partij en van Advocaat F. TEMMERMAN die, loco Advocaat B. BRONDERS verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Auditeur S. DE TAEYE; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  4. De feitelijke gegevens van de zaak. Overwegende dat de voornaamste feitelijke gegevens van de zaak zich als volgt laten samenvatten: 1.
  5. Jürgen OLLIVIER baat een veeteeltbedrijf uit, gelegen te NIEUWKERKE-HEUVELLAND, Seulestraat
  6. Blijkens aktename van melding van overname, gegeven bij besluit van de bestendige deputatie van de provincieraad van West-Vlaanderen van 18 februari 1999, heeft hij dit bedrijf overgenomen van zijn vader Jules OLLIVIER. VII-18.005-2/15 Jules OLLIVIER beschikte hiervoor aanvankelijk over de volgende vergunningen: - aktename door de bestendige deputatie van de provincieraad van West- Vlaanderen van 5 maart 1992 geldend als milieuvergunning voor het houden van 224 varkens en 351 runderen, met opslag van 40 ton kunstmest en 870 m³ mest, voor een termijn tot 1 september 2011; - besluit van de bestendige deputatie van de provincieraad van West-Vlaanderen van 28 juli 1997 voor de uitbreiding van de vergunning met opslag van 5.000 l. petroleum, 24.800 l. mazout, 387 m³ mest, 1.265 m³ groenvoeders en 115 m³ graan, voor een termijn tot 1 september
  7. Bij dit laatste besluit is de vergunning echter geweigerd voor de uitbreiding met 19.000 mestkippen en 15 m³ reinigingswater en de vermindering met 51 runderen en 224 varkens. 1.
  8. Op 20 januari 1998 vraagt de heer Jules OLLIVIER een milieuvergunning aan om zijn inrichting aan de Seulestraat 104 te NIEUWKERKE- HEUVELLAND, met als voorwerp een rundveefokkerij, te veranderen door uitbreiding met 19.000 mestkippen en vermindering met 151 runderen tot een totale capaciteit van 200 runderen, 19.000 vleeskippen en opslag van 1.257 m³ mest, 40 ton kunstmest, 24.800 l. mazout, 5.000 l. petroleum, 1.265 m³ ruwvoeder en 115 m³ graan. Gedurende het openbaar onderzoek worden drie schriftelijke bezwaren ingediend, o.m. door de huidige eerste verzoekende partij. Met een besluit van 28 mei 1998 geeft de bestendige deputatie van de provincieraad van West-Vlaanderen de gevraagde vergunning aan de heer Jules OLLIVIER voor een termijn tot 1 september
  9. Hierbij worden de gebruikelijke algemene en sectorale voorwaarden opgelegd alsmede de volgende bijzondere voorwaarden: "Bijzondere voorwaarden: S de nieuwe stal dient te worden uitgerust met een langsventilatie met uitlaat naar het erf S het laden en lossen van de nieuwe stal dient eveneens te gebeuren via de zijde naar het erf toe S het gebouw dient langs de buitenkant ingekleed te worden met een dicht scherm (5m breed) van laag- en hoogstammige planten S de silo’s moeten geplaatst worden aan de erfzijde of achteraan S bij de herschikking van de runderen dienen stallen 4 en 5 leeg gehouden te worden; de exploitant dient deze leegzetting aan te tonen door binnen de 60 dagen na het doorvoeren van de omzetting van de dieren een aangepast plan in te dienen bij de Bestendige Deputatie (in drievoud)". VII-18.005-3/15 1.
  10. Met een verzoekschrift van 30 juni 1998 tekent de vergunningsaan- vrager, Jules OLLIVIER, administratief beroep aan tegen de bijzondere voorwaarden opgelegd in het vergunningsbesluit. Met een verzoekschrift van 14 juli 1998 tekent de huidige tweede verzoekende partij eveneens administratief beroep aan tegen het vergunningsbesluit zelf. Met een verzoekschrift van 15 juli 1998 tekent ook de huidige eerste verzoekende partij administratief beroep aan tegen het vergunningsbesluit. Gedurende de beroepsprocedure worden de volgende adviezen gegeven: S de afdeling Preventieve en Sociale Gezondheidszorg adviseert op 23 juli 1998 gunstig voor de inrichting, mits bewijs van ecologisch verantwoorde mestafzet; S de Vlaamse Landmaatschappij adviseert op 8 september 1998 gunstig voor de inrichting; S de afdeling Stedenbouwkundige Vergunningen adviseert op 9 september 1998 gunstig voor de inrichting; S het hoofdbestuur Milieuvergunningen adviseert op 16 september 1998 de bestreden beslissing te bevestigen; S de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie adviseert op 18 september 1998 de volgende bijzondere voorwaarden te schrappen: S de nieuwe stal dient te worden uitgerust met een langsventilatie met uitlaat naar het erf; S het laden en lossen van de nieuwe stal dient te gebeuren via de zijde naar het erf toe; S bij de herschikking van de runderen dienen de stallen 4 en 5 leeg gehouden te worden; de exploitant dient deze leegzetting aan te tonen door binnen de 60 dagen na het doorvoeren van de omzetting van de dieren een aangepast plan in te dienen bij de Bestendige Deputatie (in drievoud). 1.
  11. Op zijn verzoek is de vergunningsaanvrager gehoord op de zitting van de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie en hij heeft er een nota neergelegd. 1.
  12. Met het thans bestreden besluit van 4 december 1998 wordt het beroep van de vergunningsaanvrager gegrond verklaard en worden de beroepen van de huidige verzoekende partijen ongegrond verklaard. Drie opgelegde bijzondere voorwaarden worden weggelaten, zoals door de Gewestelijke Milieuvergunningscom- missie geadviseerd. De motivering van het bestreden besluit luidt als volgt: VII-18.005-4/15 "Overwegende dat de inrichting gelegen is op een afstand van ongeveer 1.200 m van een woongebied ander dan woongebied met landelijk karakter en op ongeveer 1.600 m van een woonuitbreidingsgebied; dat geen enkel van de overige hindergevoelige gebieden (gebied voor verblijfsrecreatie, natuurgebied met wetenschappelijke waarde of natuurreservaat, bosreservaat) gelegen is binnen een straal van 2.500 m rond de inrichting; Overwegende dat vanuit oogpunt van de stedenbouwkundige en ruimtelijke aspecten gesteld kan worden dat de exploitatie van de inrichting die het voorwerp van de voormelde milieuvergunningsaanvraag uitmaakt, verenigbaar is met voormelde ruimtelijke en stedenbouwkundige voorschriften; Overwegende dat wegens het gedurende twee jaar niet meer houden van de 224 varkens de inrichting thans nog rechtsgeldig vergund is voor: S 351 runderen; S 40 ton kunstmest; S 1.257 m³ dierlijke mestopslag; S 24.800 1 mazoutopslag; S 5.000 1 petroleumopslag; S 1.380 m³ groenvoederopslag; Overwegende dat de gevraagde uitbreiding met 19.000 mestkippen in een vorige beslissing van de bestendige deputatie geweigerd werd omdat de toen voorgestelde inlevering van de 224 varkens niet kon aanvaard worden daar, zoals hoger vermeld, de vergunning ervoor niet meer rechtsgeldig was; Overwegende dat, overeenkomstig de bepalingen van artikel 5.9.5.3 van titel II van het Vlarem houdende verbods- en afstandsregels inzake de ligging van pluimveestallen, voor een stal met 19.000 dieren in het meest ongunstige geval (d.w.z. ongeacht het aantal waarderingspunten), een afstand is vereist van 200 m ten aanzien van geurhindergevoelige gebieden; dat de pluimveestal zal gelegen zijn op ongeveer 1.200 m van het dichtstbijgelegen hindergevoelig gebied; dat bijgevolg aan de verbods- en afstandsregels is voldaan; Overwegende dat de omgeving weinig bebouwd is met de dichtste woning op een afstand minstens 30 m, buiten de overheersende windrichting; dat alle woningen in de omgeving eveneens gelegen zijn in het agrarisch gebied; dat gezien de landelijke ligging van de inrichting, er geen abnormale toename van de hinder voor de buurt te vrezen valt; dat in het agrarisch gebied een hogere geurdrempel moet getolereerd worden; Overwegende dat de vergunningsaanvraag volledig en ontvankelijk verklaard werd op 3 februari 1998 zodat de bepalingen van artikel 4 van het Vergunnin- genbesluit (het besluit van de Vlaamse regering van 20 december 1995 tot uitvoering van artikelen 33 en 34 van het decreet van 23 januari 1991 inzake de bescherming van het leefmilieu tegen de verontreiniging door meststoffen) van toepassing zijn op deze aanvraag; Overwegende dat de vergunningsaanvraag betrekking heeft op een inrichting behorende tot een bedrijf dat genotificeerd is als gezinsveeteeltbedrijf; Overwegende dat krachtens artikel 46 van titel I van het Vlarem de inrichting een vergunde mestproductie heeft van 7.225 kg P2O5; dat de vergunningsaan- vraag de bedoeling heeft om te komen tot een vergunde mestproductie van 7.218 kg P2O5; dat de aanvraag bijgevolg betrekking heeft op een verandering zonder stijging van de vergunde mestproductie, gelegen in een donkergrijze gemeente zodanig dat de bepalingen van artikel 3, §2, l/, 1ste van het Vergunningenbesluit van toepassing zijn; dat hieraan voldaan wordt zodat de aanvraag verenigbaar is met het Mestdecreet; Overwegende dat voldoende mestopslagcapaciteit is voorzien om een periode van 6 maanden te kunnen overbruggen; Overwegende dat in artikel 4 van het beroepen besluit bijzondere voorwaar- den opgelegd werden die de mogelijke hinder voor de buurt tot een aanvaardbaar niveau moeten beperken; dat de exploitant in zijn beroepschrift vraagt deze VII-18.005-5/15 bijzondere voorwaarden op te heffen, behalve voor wat betref t het aan te leggen groenscherm; Overwegende dat de aangevoerde argumenten van de exploitant voldoende aantonen dat de bijzondere voorwaarden betreffende de langsventilatie van de stal met uitlaat naar het erf, het laden en lossen van de nieuwe stal via de zijde naar het erf toe en de verplichte leegstand van stallen 4 en 5 een normale exploitatie kunnen bemoeilijken en geen bijkomende garanties bieden inzake een verdere beperking van eventuele milieuhinder; dat er aanleiding toe bestaat bedoelde bijzondere voorwaarden op te heffen; Overwegende dat de hinder van de overige onderdelen van de aanvraag mits naleving van de opgelegde voorwaarden tot een aanvaardbaar niveau kan worden teruggebracht; Overwegende dat de aanspraken aangehaald door de heer Jules Olivier als volgt kunnen worden geëvalueerd: S de betwiste bijzondere voorwaarden zijn inderdaad niet noodzakelijk om een milieutechnisch verantwoorde uitbating te garanderen; Overwegende dat de bezwaren aangehaald door de overige beroepindieners als volgt kunnen worden geëvalueerd: S uit het onderzoek is gebleken dat de aanvraag in overeenstemming is met de bepalingen van het Vlarem en van het Mestdecreet. De gevraagde exploitatie is milieuhygiënisch verenigbaar met de omgeving; Overwegende dat gesteld kan worden dat de risico's voor de externe veiligheid, de hinder, de effecten op het leefmilieu, op de wateren, op de natuur en op de mens buiten de inrichting veroorzaakt door de gevraagde exploitatie, mits naleving van aangepaste milieuvergunningsvoorwaarden, tot een aanvaard- baar niveau kunnen worden beperkt; Overwegende dat ten einde de exploitatie van de inrichting bestaanbaar te maken met de omgeving, zowel op het vlak van de risico's voor de externe veiligheid als op het vlak van de hinder, de effecten op het leefmilieu, op de wateren, op de natuur en op de mens buiten de inrichting, het evenwel noodzakelijk is vergunningsvoorwaarden op te leggen die met de toepassing van een beste beschikbare schone technologie die geen overmatige hoge kosten meebrengt, technisch haalbaar zijn; dat op basis van de vanuit dit uitgangspunt gehanteerde technische criteria en de van toepassing zijnde normen, deze noodzakelijke voorwaarden kunnen worden geconcretiseerd als omschreven in de bestreden beslissing en gewijzigd in het beschikkende gedeelte van onderhavig besluit; Overwegende dat er bijgevolg aanleiding toe bestaat het beroep van Jules Olivier gegrond te verklaren, de beroepen van de V.Z.W. Natuurfonds Westland en mevrouw Janien Defieuw ongegrond te verklaren en de bestreden beslissing te wijzigen";
  13. Het beroep ingediend door de v.z.w. NATUURFONDS WESTLAND. Overwegende dat het arrest nr. 81.060 van 17 juni 1999 de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit heeft verworpen; dat de hoofdgriffier bij de kennisgeving van dit arrest aan de tweede verzoekende partij op 1 juli 1999 melding heeft gemaakt van artikel 17, § 4ter, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973 en van VII-18.005-6/15 artikel 15ter, § 1, derde en vijfde lid, van het koninklijk besluit van 5 december 1991 tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State; Overwegende dat naar luid van voornoemd artikel 17, § 4ter, van de wetten op de Raad van State, ten aanzien van de verzoekende partij een vermoeden van afstand van geding geldt wanneer zij, nadat de vordering tot schorsing van een akte of een reglement is afgewezen, geen verzoek tot voortzetting van de rechtspleging indient binnen een termijn van dertig dagen die ingaat met de kennisgeving van het arrest; Overwegende dat de tweede verzoekende partij geen verzoek tot voortzetting van de rechtspleging heeft ingediend binnen de termijn van dertig dagen na kennisgeving van het arrest; dat te haren aanzien een vermoeden van afstand van het geding geldt; dat zij dat vermoeden niet heeft weerlegd;
  14. Het beroep ingediend door Janien DEFIEUW. 3.
  15. Overwegende dat de eerste verzoekende partij een eerste middel neemt uit de schending van artikel 2 van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996, uit de schending van het koninklijk besluit van 14 augustus 1979 houdende vaststelling van het gewestplan Ieper- Poperinge, uit de schending van artikel 15.4.6.
  16. van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp- gewestplannen en gewestplannen, uit de schending van artikel 52, 3/, van het besluit van 6 februari 1991 van de Vlaamse regering houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de milieuvergunning en uit de schending van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen; dat zij het middel als volgt adstrueert: "doordat de Vlaamse minister via het bestreden besluit een milieuvergunning verleent voor een uitbreiding in landschappelijk waardevol agrarisch gebied van een rundveefokkerij met 19.000 mestkippen, onder te brengen in een nieuw te bouwen stal, gesitueerd op de helling vóór de bestaande stallen (...), op basis van de volgende stedenbouwkundige motivering: ‘Gelet op de ligging van de inrichting in een landschappelijk waardevol agrarisch gebied volgens het gewestplan Ieper-Poperinge vastgesteld bij koninklijk besluit van 14 augustus 1979; (...) Overwegende dat vanuit oogpunt van de stedenbouwkundige en ruimtelijke aspecten gesteld kan worden dat de exploitatie van de inrichting die het voorwerp van de voormelde milieuvergunningsaanvraag uitmaakt, verenig- baar is met voormelde ruimtelijke en stedenbouwkundige voorschriften. VII-18.005-7/15 (...) Overwegende dat de hinder van de overige onderdelen van de aanvraag mits naleving van de opgelegde voorwaarden tot een aanvaardbaar niveau kan worden teruggebracht.' waarbij in artikel 3 van het bestreden besluit de bijzondere milieuvoorwaarde dat het gebouw langs de buitenkant dient te worden ingekleed met een dicht scherm (5 meter breed) van laag- en hoogstammige planten wordt bevestigd, terwijl deze motivering van de beslissing op het vlak van de verenigbaarheid van de inrichting met het landschappelijk waardevol karakter van het gebied niet afdoende is, in acht genomen dat 1/ het niet vanzelfsprekend is dat een uitbreiding van een rundveefokkerij met 19.000 mestkippen, onder te brengen in een nieuw te bouwen stal, gesitueerd op een helling vóór de bestaande stallen (...), de schoonheidswaarde van het landschap op generlei wijze in gevaar zou kunnen brengen, 2/ in de beroepschriften wordt gewezen op de visuele hinder en de landschaps- aantasting (...) en door eerste verzoekster terzake pertinent wordt opgemerkt: te, het terrein verschillende meters (7 ta1) opgehoogd worden. In het verleden is ooit een poging geweest om daar werken aan te vatten, die omwille van bouwtechnische redenen stopgezet zijn geweest. Gezien de plaats van het groenscherm niet echt gedefinieerd is, zit de mogelijkheid erin dat het scherm nooit de hoogte van het dak bereikt, zeker als het niet vanaf de voet van het gebouw is aangeplant.(...)' (...), bezwaar waarop in het bestreden besluit geen antwoord wordt geformuleerd, 3/ de door de Vlaamse minister bevestigde bijzondere milieuvoorwaarde van de aanleg van een groenscherm niet als een afdoend motief kan worden beschouwd om te besluiten tot de verenigbaarheid met het landschappelijk waardevol karakter van het gebied derwijze dat de schoonheidswaarde van het landschap niet in gevaar komt, zeker niet wanneer met eerste verzoekster dient vastgesteld dat de aanleg van een groenscherm op een helling onmoge- lijk zal volstaan om de kippenstal te integreren in het waardevolle heuvelland (...) (zie in dezelfde zin: het arrest van Uw Raad dd.. 5 november 1992, nr. 40.970, Gemeente Berlare, waar wordt overwogen dat het verplichten tot de aanleg van een groenscherm rond de vergunde gebouwen erop wijst dat werd aangenomen dat de erkende schoonheidswaarde van het landschap door die gebouwen geschonden wordt of alleszins geschonden dreigt te worden en dat moet worden aangetoond dat de aanleg van het opgelegde groenscherm de te vrijwaren schoonheid van het landschap naar behoren ongeschonden bewaart; zie ook het arrest van Uw Raad dd. 20 mei 1997, nr. 66.314, Lallemant, waar wordt overwogen dat het allerminst vanzelfsprekend is dat een groenscherm dat overigens een groot deel van het jaar niet eens groen zal zijn, volstaat om een relatief grote stal met drie voedersilo's te integreren in een waardevol gebied)."; 3.
  17. Overwegende dat de verwerende partij in haar memorie van antwoord vooreerst verwijst naar de omstandigheid dat in het auditoraatsverslag naar aanleiding van de schorsingsprocedure besloten werd dat huidig middel in het onderdeel inzake de voorgehouden schending van de formele motiveringsplicht ernstig voorkomt, daar het bestreden besluit prima facie geen motivering blijkt te bevatten omtrent het esthetisch criterium, zijnde de verenigbaarheid van de inrichting met de schoonheidswaarde van het landschappelijk waardevol gebied; dat zij er desbetreffend op wijst dat, in overeenstemming met voornoemd artikel 15.4.6.
  18. van VII-18.005-8/15 het koninklijk besluit van 28 december 1972, te dezen onmiddellijk kan worden vastgesteld dat een verandering van een exploitatie van een bestaand agrarisch bedrijf, gelegen in een agrarisch gebied, een handeling betreft die in casu overeenstemt met de in grondkleur aangegeven bestemming, en dat door het verlenen van de kwestieuze milieuvergunning de schoonheidswaarde van het landschap niet in het gedrang wordt gebracht, daar de nieuw te bouwen stal deel zal uitmaken van een bestaand hoevecomplex; dat zij daarbij benadrukt dat er te dezen geen sprake is van het verlenen van een bouwvergunning die voorwaarden kan stellen nopens de inplanting, het uitzicht en de esthetiek van het nieuw op te richten gebouw, doch enkel van het verlenen van een milieuvergunning die bijzondere voorwaarden oplegt aan een bestaand bedrijf, en dienaangaande verwijst naar het reeds vernoemde arrest van de Raad van State nr. 40.970, gemeente Berlare, van 5 november 1992; dat zij besluit dat ingevolge deze nieuw toegekende milieuvergunning het bedrijf minder zal opvallen dan voordien, dat de schoonheid van het landschap naar behoren ongeschon- den wordt bewaard, en dat door het voorwaardelijk toekennen van de vergunning, mits het inkleden van het op te richten gebouw langs de buitenkant met een dicht groenscherm van vijf meter breed van laag- en hoogstammige planten, blijkt dat in het bestreden besluit wel degelijk rekening werd gehouden met het esthetisch criterium; dat de verwerende partij voorts repliceert dat de argumentatie over de hoogte van het groenscherm niet relevant is, dat het aan de vergunningverlenende overheid toekomt om op het toezicht en de handhaving van de door haar opgelegde bijzondere milieuvoorwaarden toe te zien, met name in casu de daadwerkelijke aanleg en handhaving van het beschreven groenscherm, dat uit het administratief dossier voldoende de intentie van de exploitant blijkt om hiervoor vrijwillig en spontaan in te staan, en dat het bestreden besluit bijgevolg wel degelijk afdoende motiveert dat in casu aan beide voorwaarden van voornoemd artikel 15.4.6.
  19. van het koninklijk besluit van 28 december 1972 werd voldaan; dat de verwerende partij nog betoogt dat uit de argumentatie van de verzoekende partij blijkt dat de motieven van de beslissing haar wel degelijk bekend zijn, waardoor het doel van de formele motive- ringsplicht duidelijk is bereikt, en dat het bestreden besluit bovendien op expliciete wijze de betrokkenen een zodanig inzicht verschaft in de motieven van die beslissing, zodat zij in staat zijn terdege te oordelen of het zin heeft zich tegen die beslissing te verweren met de middelen die hen worden verschaft, waardoor het besluit ook voldoet aan de voorwaarde van de formele motivering; dat de verwerende partij, wat de aangevoerde schending van artikel 52, 3/, van voornoemd besluit van de Vlaamse regering van 6 februari 1991 betreft, benadrukt dat niet vereist is dat het vergunnings- besluit een uitvoerige motivering opneemt over datgene wat klaar en duidelijk uit de wet voortvloeit, dat, in tegenstelling tot hetgeen de verzoekende partij voorhoudt, het VII-18.005-9/15 bestreden besluit niet enkel het motief hanteert dat de opgelegde bijzondere milieuvoorwaarden op zich reeds zouden volstaan om tot de stedenbouwkundige verenigbaarheid te besluiten, doch rechtens vaststelt, samen met de afdeling Stedenbouwkundige Vergunningen, dat de inrichting verenigbaar is met de voor het terrein geldende planologische voorschriften, wat op zich voldoende is; dat zij daaraan nog toevoegt dat in voormeld advies wordt opgemerkt dat de laatste gekende bouwvergunning werd afgeleverd op 20 augustus 1997 door het college van burgemeester en schepenen van Heuvelland, en dat van enige schending van artikel 2 van het Stedenbouwdecreet, van het gewestplan Ieper-Poperinge, en van de motiveringsplicht dan ook geen sprake kan zijn; 3.
  20. Overwegende dat de eerste verzoekende partij in haar memorie van wederantwoord verwijst "naar wat in haar verzoekschrift tot nietigverklaring en in het auditoraatsverslag dd. 30 april 1999 werd uiteengezet", wat volgens haar "op dit moment volstaat als antwoord op de memorie van antwoord van de verwerende partij"; 3.
  21. Overwegende dat de verwerende partij in de laatste memorie betoogt dat het bestreden besluit twee bijzondere exploitatievoorwaarden oplegt waaruit duidelijk blijkt dat er wel met het esthetisch criterium rekening werd gehouden, met name de voorwaarde dat het gebouw langs de buitenkant ingekleed dient te worden met een dicht scherm (vijf meter breed) van laag- en hoogstammige planten, en de voorwaarde dat de silo’s geplaatst moeten worden aan de erfzijde of achteraan; dat zij dienaangaande nogmaals verwijst naar ‘s Raads arrest nr. 40.970 van 5 november 1992; dat zij voorts stelt dat het bestreden besluit de bijzondere exploitatievoorwaarde van de plaatsing van de silo’s ongemoeid laat, dat hieruit volgt dat het bestreden besluit op dit punt de beslissing in eerste aanleg van de bestendige deputatie van de provincieraad van West-Vlaanderen integraal overneemt, die met betrekking tot de plaatsing van de silo’s het volgende overwoog: "Overwegende dat de exploitant de silo’s moet plaatsen aan de erfzijde of achteraan; dat dit mee de visuele hinder voor de omgeving tegengaat", wat aantoont dat het bestreden besluit afdoende is gemotiveerd ten aanzien van de verenigbaarheid van de kwestieuze inrichting met de schoonheidswaarde van het landschappelijk waardevol gebied; dat zij vervolgens ingaat op het gunstige advies van de afdeling Stedenbouwkundige Vergunningen, waarin uitdrukkelijk wordt verwezen naar de artikelen 11.4.
  22. en 15.4.6.
  23. van het koninklijk besluit van 28 december 1972 of het zogenaamde "planologisch criterium" en het "esthetisch VII-18.005-10/15 criterium", dat als de afdeling Stedenbouwkundige Vergunningen in zijn advies vermeldt: "Gelet op de verenigbaarheid van de inrichting met de voor het terrein geldende planologische voorschriften, wordt over de aanvraag een gunstig advies uitgebracht", het bijgevolg duidelijk is dat het advies specifiek de "planologische vereisten" voor ogen heeft welke zijn neergelegd in de artikelen 11.4.
  24. en 15.4.6.
  25. van voormeld koninklijk besluit, en dat het bestreden besluit in deze verwijst naar een advies dat afdoende is gemotiveerd; dat de verwerende partij besluit met te stellen dat uit het verzoekschrift tot nietigverklaring duidelijk blijkt dat de motieven van het bestreden besluit wel degelijk bekend waren aan de verzoekende partij, en dat aldus het doel van de formele motivering werd bereikt, dat de verzoekende partij met name in de inventaris van de door haar gebundelde stukken verwijst naar de ter zake uitgebracht adviezen; 3.5.
  26. Overwegende dat de overheid die moet beschikken op een aanvraag tot milieuvergunning ertoe gehouden is de geldende plannen van aanleg in acht te nemen; dat uit de niet betwiste gegevens van de zaak blijkt dat de inrichting waarvoor de milieuvergunning wordt gevraagd volgens het gewestplan Ieper- Poperinge, vastgesteld bij koninklijk besluit van 14 augustus 1979, gelegen is in een landschappelijk waardevol agrarisch gebied waarvoor de bestemmingsvoorschriften neergelegd in de artikelen 11.4.
  27. en 15.4.6.
  28. van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp- gewestplannen en gewestplannen (Inrichtingsbesluit) gelden; 3.5.
  29. Overwegende dat artikel 11.4.
  30. van het Inrichtingsbesluit als volgt luidt: "De agrarische gebieden zijn bestemd voor de landbouw in de ruime zin. Behoudens bijzondere bepalingen mogen de agrarische gebieden enkel bevatten de voor het bedrijf noodzakelijke gebouwen, de woning van de exploitanten, benevens verblijfsgelegenheid voor zover deze een integrerend deel van een leefbaar bedrijf uitmaakt, en eveneens para-agrarische bedrijven. Gebouwen bestemd voor niet aan de grond gebonden agrarische bedrijven met industrieel karakter of voor intensieve veeteelt, mogen slechts opgericht worden op ten minste 300 m van een woongebied of op ten minste 100 m van een woon- uitbreidingsgebied, tenzij het een woongebied met landelijk karakter betreft. De afstand van 300 en 100 m geldt evenwel niet in geval van uitbreiding van bestaande bedrijven. De overschakeling naar bosgebied is toegestaan overeenk- omstig de bepalingen van artikel 35 van het Veldwetboek, betreffende de afbakening van de landbouw- en bosgebieden.", VII-18.005-11/15 en dat artikel 15.4.6.
  31. van het Inrichtingsbesluit als volgt luidt: “De landschappelijke waardevolle gebieden zijn gebieden waarvoor bepaalde beperkingen gelden met het doel het landschap te beschermen of aan landschaps- ontwikkeling te doen. In deze gebieden mogen alle handelingen en werken worden uitgevoerd die overeenstemmen met de in grondkleur aangegeven bestemming, voor zover zij de schoonheidswaarde van het landschap niet in gevaar brengen."; 3.5.
  32. Overwegende dat uit de samenlezing van voornoemde artikelen 11.4.
  33. en 15.4.6.
  34. moet worden afgeleid dat de toelaatbaarheid van inruichtingen in landschappelijk waardevolle gebieden op grond van een tweevoudig criterium moet worden getoetst, met name, ten eerste, een planologisch criterium, hetwelk onderstelt dat de overheid nagaat of de te vergunnen werken in overeenstemming zijn met de bestemming agrarisch gebied, en, ten tweede, een esthetisch criterium, hetwelk inhoudt dat bedoelde werken moeten kunnen worden overeengebracht met de eisen ter vrijwaring van het landschap; dat wat het eerste criterium betreft, er in deze zaak geen betwisting is; 3.5.
  35. Overwegende dat in casu de vraag rijst of de motivering van het bestreden besluit op het vlak van de verenigbaarheid van de inrichting met het landschappelijk waardevol karakter van het gebied afdoende is, dit in acht genomen het gegeven dat het niet vanzelfsprekend is dat een uitbreiding met 19.000 kippen in een bijkomende stal van 65 meter op 11 meter de schoonheidswaarde van het landschap op generlei wijze in gevaar zou kunnen brengen en dat zowel in de oorspronkelijke bezwaren als in de administratieve beroepschriften werd gewezen op de visuele hinder en landschapsaantasting; 3.5.4.
  36. Overwegende dat de motivering van het bestreden besluit zich op stedenbouwkundig vlak beperkt tot de verwijzing ("gelet op") naar het gunstige advies van de afdeling Stedenbouwkundige Vergunningen en naar de ligging van de inrichting in landschappelijk waardevol agrarisch gebied, gevolgd door een overweging inzake de concrete afstand tot hindergevoelige gebieden en het besluit dat de inrichting vanuit oogpunt van de stedenbouwkundige en ruimtelijke aspecten verenigbaar is met de geldende ruimtelijke en stedenbouwkundige voorschriften (zie supra punt 1.5.); dat het bestreden besluit echter geen enkele uitdrukkelijke motivering bevat omtrent het esthetische criterium, zijnde de verenigbaarheid van de inrichting met de schoonheidswaarde van het landschappelijk waardevol gebied; dat de loutere bevestiging in het dictum van het bestreden besluit van de reeds in eerste aanleg opgelegde voorwaarde houdende de verplichting tot het aanleggen van een VII-18.005-12/15 groenscherm rond de inrichting, zonder de minste motivering in het bestreden besluit van de bevestiging van deze voorwaarde vanuit het oogpunt van de verenigbaarheid van de inrichting met de schoonheidswaarde van het landschappelijk waardevol gebied, geenszins als een afdoende formele motivering betreffende de verenigbaarheid van de inrichting met de schoonheidswaarde van het landschappelijk waardevol gebied kan worden begrepen; dat het betoog van de verwerende partij waarin zij stelt dat het voorwaardelijk toekennen van de vergunning mits de aanleg van een groenscherm erop wijst dat de vergunningverlenende overheid bij haar beslissing met het esthetisch criterium rekening heeft gehouden, geen afbreuk doet aan de vaststelling dat geen enkel uitdrukkelijk en afdoend motief met betrekking tot dit criterium in het bestreden besluit zelf terug te vinden is; dat zodoende de formele motiveringsplicht geschonden is; dat deze vaststelling overeind blijft, los van de vraag of het groenscherm al dan niet de hoogte van het dak van de inrichting zal kunnen bereiken; 3.5.4.
  37. Overwegende dat de verwerende partij vruchteloos verwijst naar het gunstig advies van de afdeling Stedenbouwkundige Vergunningen; dat immers het bestreden besluit wat dit advies betreft zich beperkt tot "gelet op het gunstige advies van 9 september 1998 van de afdeling Stedenbouwkundige Vergunningen van de administratie Ruimtelijke Ordening, Huisvesting en Monumenten en Landschappen van het departement Leefmilieu en Infrastructuur", zonder dat de eventuele motieven van dat advies worden overgenomen, laat staat dat de verwerende partij deze tot de hare heeft gemaakt; 3.5.4.
  38. Overwegende dat ten slotte het betoog van de verwerende partij, luidens hetwelk uit de in het beroepschrift ontwikkelde argumentatie mag blijken dat de motieven van het bestreden besluit wel degelijk bekend waren aan de verzoekende partij en het doel van de formele motivering aldus werd bereikt, niet kan worden gevolgd, alleen al om reden dat het administratief beroepschrift en de daarin ontwikkelde argumentatie alleen betrekking kan hebben op de motieven van de in eerste aanleg gewezen beslissing en niet op de motieven die ten grondslag hebben gelegen aan het in casu bestreden besluit; 3.5.
  39. Overwegende dat het eerste middel wat de aangevoerde schending van de formele motiveringsplicht betreft gegrond is, VII-18.005-13/15 BESLUIT: Artikel
  40. De afstand van het geding wordt vastgesteld in hoofde van de tweede verzoekende partij. Artikel
  41. Vernietigd wordt het besluit van de Vlaamse minister van Leefmilieu en Tewerkstelling van 4 december 1998 waarbij de beroepen die Janien DEFIEUW en de v.z.w. NATUURFONDS WESTLAND hadden ingediend tegen het besluit van de bestendige deputatie van de provincieraad van West-Vlaanderen van 28 mei 1998 houdende het verlenen aan Jules OLLIVIER van de vergunning voor het veranderen van een rundveefokkerij, gelegen aan de Seulestraat 104 te Nieuwkerke, door het uitbreiden met 19.000 mestkippen en het verminderen met 151 runderen tot een totale capaciteit van 200 runderen, 19.000 vleeskippen, 1.257 m³ mest, 40 ton kunstmest, 24.800 l. mazout, 5.000 l. petroleum, 1.265 m³ ruwvoeder en 115 m³ graan, ongegrond worden verklaard. Artikel
  42. Dit arrest zal worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als het vernietigde besluit. Artikel
  43. De kosten van de vordering tot schorsing in hoofde van de tweede verzoekende partij, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van de tweede verzoekende partij. De kosten van de vordering tot schorsing en van het annulatiebe- roep in hoofde van de eerste verzoekende partij, bepaald op 347,06 euro, komen ten laste van het Vlaamse Gewest. VII-18.005-14/15 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op twintig april tweeduizend en zes, door de VIIe kamer, die was samengesteld uit : Mevr. M.-R. BRACKE, kamervoorzitter, de HH. R. STEVENS, staatsraad, E. BREWAEYS, staatsraad, Mevr. A. WIJNANTS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. WIJNANTS. M.-R. BRACKE. VII-18.005-15/15 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.157.785 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:1999:ARR.81.060 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.