id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 20 april 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.157.801 Rolnummer: A. 140675/VII-36249 Zaak: Arrest 157801 - - 20/04/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-05-10 Raadplegingen: 59 - laatst gezien 2026-06-30 17:45 Fiche Arrest nr 157.801 van 20 april 2006 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE nr. 157.801 van 20 april 2006 in de zaak A. 140.675/XIV-16.
- In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat M. MAJD TEYMOURI, kantoor houdende te 9000 GENT, Martelaarslaan 202 tegen : de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. ------------------------------------------------------------------------------------------------------ DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, geboren op 21 april 1961 en van Afghaanse nationaliteit, op 4 augustus 2003 heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van de beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 3 juli 2003 tot bevestiging van de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken van 13 mei 2002 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten, naar de verzoekende partij aangetekend verstuurd op 10 juli 2003; Gelet op de beschikking van 2 september 2003 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, inzonderheid op de artikelen 17 en 18; Gelet op artikel 7, § 2, van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het voorlopig advies opgemaakt door Eerste Auditeur- afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op de kennisgeving van dat voorlopig advies aan de partijen; XIV-16.461-1/4 Gelet op de beschikking van 4 mei 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op woensdag 15 juni 2005 om 14.00 uur; Gehoord het verslag van Staatsraad D. MOONS; Gehoord de opmerkingen van Advocaat M. MAJD TEYMOURI, die verschijnt voor de verzoekende partij en van Attaché D. HANOULLE, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Overwegende dat de voornaamste gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
- De verzoekende partij komt België binnen op 25 april 2002 en verklaart zich vluchteling op 29 april
- 1.
- Op 13 mei 2002 neemt de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken een beslissing tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.
- Op 3 juli 2003 bevestigt de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze beslissing. Dit is de thans bestreden beslissing. 2.
- Overwegende dat de verzoekende partij op 21 augustus 2003 een aanvullend verzoekschrift tot schorsing heeft ingediend; 2.
- Overwegende dat de verwerende partij antwoordt dat het verzoekschrift tot schorsing van 4 augustus 2003 onontvankelijk is omwille van het ontbreken van zowel een uiteenzetting van een middel als van een moeilijk te herstellen ernstig nadeel; dat zij daaraan toevoegt dat het aanvullend verzoekschrift van 21 augustus 2003 onontvankelijk is ratione temporis; 2.
- Overwegende dat krachtens artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging kan worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten akte of verordening kunnen verantwoorden en dat de XIV-16.461-2/4 onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden akte of verordening een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; Overwegende dat luidens artikel 2, § 1, 2/, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling administratie van de Raad van State het verzoekschrift onder meer “een uiteenzetting van de feiten en de middelen” dient te bevatten; dat onder “middel” in de zin van deze bepaling moet worden verstaan de voldoende duidelijke omschrijving van de overtreden rechtsregel en van de wijze waarop die rechtsregel door de bestreden beslissing werd geschonden; Overwegende dat artikel 3, 4/, van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State bepaalt dat de vordering tot schorsing “een uiteenzetting van de feiten en middelen die de vernietiging van de aangevochten akte of het aangevochten reglement kunnen rechtvaardigen”, moet inhouden, waarbij onder “middel” hetzelfde moet worden begrepen als wat reeds werd uiteengezet; Overwegende dat artikel 3, 5/, van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen bepaalt dat de vordering tot schorsing een uiteenzetting van de feiten moet bevatten die kunnen aantonen dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing verzoeker een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; Overwegende dat uit het verzoekschrift tot schorsing van 4 augustus 2003 blijkt dat dergelijke uiteenzettingen ontbreken; dat de vordering tot schorsing bijgevolg onontvankelijk is; Overwegende dat wanneer in het verzoekschrift voornoemde uiteenzettingen ontbreken, dit vormgebrek niet kan worden verholpen door het indienen van een stuk dat wel voldoet aan de voorwaarden van voormeld koninklijk besluit van 9 juli 2000, maar dat pas eerst na het verstrijken van de termijn, gesteld voor het indienen van het beroep, wordt ingediend; dat de bestreden beslissing per aangetekend schrijven van 10 juli 2003 naar verzoeker werd verstuurd zodat wordt aangenomen dat de kennisgeving plaatsvond op 11 juli 2003; dat de laatst nuttige dag om een verzoekschrift in te dienen maandag 11 augustus 2003 was; dat het aanvullend verzoekschrift van 21 augustus 2003 bijgevolg onontvankelijk is omdat het buiten de beroepstermijn werd ingediend; dat bovendien een vordering tot schorsing niet ontvankelijk is wanneer reeds eerder een beroep tot nietigverklaring werd ingediend; XIV-16.461-3/4 Overwegende dat de Advocate van verzoeker ter openbare terechtzitting van 15 juni 2005 geen opmerkingen formuleert betreffende de inhoud van het Auditoraatsverslag, BESLUIT: Artikel
- De vordering tot schorsing wordt onontvankelijk verklaard. Artikel
- De kosten worden in beraad gehouden. Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op twintig april tweeduizend en zes, door : de H. D. MOONS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. A. DE SMET, griffier. De griffier, De voorzitter, A. DE SMET. D. MOONS. XIV-16.461-4/4 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.157.801 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.