← België

Arrest 157803 - - 20/04/2006

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 20 april 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.157.803 Rolnummer: A. 129477/XIV-12638 Zaak: Arrest 157803 - - 20/04/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-05-16 Raadplegingen: 57 - laatst gezien 2026-06-30 17:45 Fiche Arrest nr 157.803 van 20 april 2006 - Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 157.803 van 20 april 2006 in de zaak A. 129.477/XIV-12.

  1. In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat E. DE SIMONE, kantoor houdende te 2018 ANTWERPEN, Broederminstraat 38 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Binnenlandse Zaken. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, geboren op 2 november 1961 en van Ghanese nationaliteit, op 4 november 2002 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de de Minister van Binnenlandse Zaken van 15 november 2001, waarbij hij wordt uitgesloten van de toepassing van de wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van bepaalde categorieën van vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het Rijk, aan de verzoekende partij ter kennis gebracht op 2 oktober 2002; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de beschikking van 26 november 2002 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op de artikelen 4 en 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door Auditeur M. STERCK, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dat verslag aan de partijen; XIV-12.638-1/5 Gelet op de beschikking van 12 juli 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op woensdag 14 september 2005 om 10.00 uur; Gehoord het verslag van Staatsraad D. MOONS; Gehoord de opmerkingen van Advocaat I. FLACHET, die, loco Advocaat E. DE SIMONE, verschijnt voor de verzoekende partij, en van Advocaat G. COOLSAET, die, loco Advocaat E. MATTERNE, verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  2. Over de feitelijke gegevens van de zaak. 1.
  3. XXX heeft op 21 januari 2000 een regularisatieaanvraag ingediend op basis van de wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van bepaalde categorieën van vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het Rijk (Regularisatiewet); 1.
  4. Op 15 november 2001 heeft de Minister van Binnenlandse Zaken verzoeker uitgesloten van de toepassing van de Regularisatiewet; dit is de thans bestreden beslissing, die als volgt is gemotiveerd : “(...) De Minister van Binnenlandse Zaken, Gelet op de wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van bepaalde categorieën van vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het rijk, inzonderheid de artikelen 5 en 14; Gelet op de aanvraag tot regularisatie ingediend op 21 januari 2000 door de zich noemende XXX, geboren op 2 november 1961 te Akim Oda van Ghanese nationaliteit; Overwegende dat voor deze aanvraag de criteria

(3)en
(4)werden aangevoerd; Overwegende dat betrokkene onderworpen werd aan een Ministerieel Besluit tot terugwijzing van 13 december 1990 dat niet meer van kracht is sedert 12 december 2000; Overwegende dat het Ministerieel Besluit gemotiveerd werd door een veroordeling van correctionele straffen die hij op 7 maart 1990 heeft opgelopen uit hoofde van diefstal door middel van geweld of bedreigingen; Overwegende dat uit de voorgaande feiten blijkt dat hij, door zijn persoonlijk gedrag, de openbare orde heeft geschaad; Overwegende dat hij dienvolgens een gevaar voor de openbare orde of de nationale veiligheid betekend(t); (...).”.
  1. Over de gegrondheid van de zaak. XIV-12.638-2/5 2.
  2. Overwegende dat verzoeker in een eerste middel de schending aanvoert van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen; Overwegende dat verzoeker aanvoert dat uit de in de bestreden beslissing geciteerde feiten niet blijkt hoe hij voor de toekomst een gevaar zou uitmaken voor de openbare orde of de nationale veiligheid; dat verzoeker stelt dat het niet volstaat deze feiten aan te halen, maar dat ook dient te worden aangegeven waarom deze feiten in de toekomst van verzoeker een potentieel gevaar voor de openbare orde of de nationale veiligheid zouden maken; 2.
  3. Overwegende dat verzoeker in een tweede middel de schending aanvoert van de artikelen 5 en 14 van de wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van bepaalde categorieën van vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het Rijk (Regularisatiewet); dat verzoeker dit middel steunt op dezelfde gronden als het eerste middel; 2.
  4. Overwegende dat, wat de ingeroepen schending van de motiverings- plicht betreft, de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen tot doel heeft betrokkene een zodanig inzicht in de motieven van de beslissing te verschaffen, dat hij in staat is te weten of het zin heeft zich tegen die beslissing te verweren met de middelen die het recht hem verschaft; dat uit de verzoekschriften blijkt dat verzoeker de motieven van de bestreden beslissing kent, zodat het doel van de uitdrukkelijke motiveringsplicht in casu is bereikt; dat verzoeker bijgevolg de schending van de materiële motiveringsplicht aanvoert, zodat dit onderdeel van het middel vanuit dit oogpunt wordt onderzocht; Overwegende dat artikel 5 van de Regularisatiewet bepaalt dat de in artikel 2 van de Regularisatiewet bedoelde vreemdelingen, die naar het oordeel van de Minister van Binnenlandse Zaken een gevaar betekenen voor de openbare orde of de nationale veiligheid, van de toepassing van deze wet worden uitgesloten; dat uit de samenlezing van deze tekst met de voorbereidende werkzaamheden blijkt dat de Minister van Binnenlandse Zaken over een ruime appreciatiebevoegdheid beschikt om te oordelen of het gevaar, dat de aanvrager voor de openbare orde of nationale veiligheid vormt, rechtvaardigt dat hij wordt uitgesloten van de toepassing van de Regularisatiewet; dat uit de parlementaire voorbereidingen blijkt dat niet om het even welk misdadig gedrag aanleiding kan geven tot uitsluiting van de Regularisatiewet; dat de Minister van Binnenlandse Zaken zich in dit verband kan baseren op het crimineel verleden van de aanvrager en op het actueel gevaar dat hij vormt voor de openbare orde; dat het actueel gevaar in preventief opzicht moet worden beoordeeld, zeker in geval van recidive; XIV-12.638-3/5 Overwegende dat uit de bestreden beslissing blijkt dat de Minister van Binnenlandse Zaken van oordeel is dat verzoeker een gevaar betekent voor de openbare orde of de nationale veiligheid, omdat hij werd onderworpen aan een ministerieel besluit tot terugwijzing van 13 december 1990; dat dit ministerieel besluit werd gemotiveerd door een veroordeling tot correctionele straffen die verzoeker op 7 maart 1990 heeft opgelopen uit hoofde van diefstal door middel van geweld of bedreigingen; Overwegende dat verzoeker werd veroordeeld voor ernstige feiten; dat, ongeacht de beoordeling van de zwaarwichtigheid van de feiten die aan de straf ten grondslag liggen, wordt vastgesteld dat deze feiten op het ogenblik van de bestreden beslissing dateren van tien jaar geleden; dat uit de bestreden beslissing niet blijkt dat er sprake is van recidive; dat het niet vanzelfsprekend is dat verzoeker thans nog een gevaar betekent voor de openbare orde of de nationale veiligheid; dat uit de stukken van het administratief dossier blijkt dat verzoeker poogt zijn strafrechtelijk verleden achter zich te laten en de nodige inspanningen wil leveren om zich, samen met zijn familie, te integreren in de Belgische samenleving; dat de Minister van Binnenlandse Zaken bijgevolg in de bestreden beslissing op een afdoende wijze dient te motiveren waarom hij van oordeel is dat verzoeker nog steeds een gevaar betekent voor de openbare orde of de nationale veiligheid; Overwegende dat de bestreden beslissing niet op afdoende wijze aangeeft waarom de Minister van Binnenlandse Zaken van oordeel is dat verzoeker een actueel gevaar vormt voor de openbare orde of de nationale veiligheid; dat, gelet op het voorgaande, de enkele verwijzing naar de strafrechtelijke veroordeling van 7 maart 1990 de bestreden beslissing niet afdoende motiveert; Overwegende dat het eerste en het tweede middel gegrond zijn, XIV-12.638-4/5 BESLUIT: Artikel
  5. Vernietigd wordt de beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken van 15 november 2001, tot uitsluiting van XXX van de toepassing van de wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van bepaalde categorieën van vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het Rijk, aan verzoeker ter kennis gebracht op 2 oktober
  6. Artikel
  7. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verwerende partij. Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op twintig april tweeduizend en zes, door : de H. D. MOONS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. A. DE SMET, griffier. De griffier, De voorzitter, A. DE SMET. D. MOONS. XIV-12.638-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.157.803 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.