id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 21 april 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.157.840 Rolnummer: A. 172185/VII-35832 Zaak: Arrest 157840 - - 21/04/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-04-24 Raadplegingen: 59 - laatst gezien 2026-06-30 17:48 Fiche Arrest nr 157.840 van 21 april 2006 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE nr. 157.840 van 21 april 2006 in de zaak A. 172.185/VII-35.832 In zake :
- XXX,
- XXX,
- XXX, die woonplaats kiezen bij advocaat J-C NDJAKANYI, kantoor houdende te 1000 BRUSSEL Square Sainctelette 12 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken. DE WND. VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, XXX en XXX, van Joegoslavische nationaliteit, op 20 april 2006 per fax hebben ingediend om bij uiterst dringende noodzakelijkheid de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van de beslissingen van de minister van Binnenlandse Zaken van 11 april 2006 tot weigering van verblijf met bevel om het grondgebied te verlaten en van de beslissingen tot het vasthouden in een welbepaalde plaats, aan de verzoekende partijen ter kennis gebracht op 11 april 2006; Gelet op de beschikking van 21 april 2006 waarbij aan de verzoekende partijen het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, inzonderheid op de artikelen 17 en 18; Gelet op artikel 8 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien de nota van de verwerende partij; Gelet op de beschikking van 20 april 2006 waarbij de terechtzitting wordt bepaald op 21 april 2006 om 10.00 uur; Gehoord het verslag van staatsraad E. BREWAEYS; VII-35.832-1/4 Gehoord de opmerkingen van advocaat J-C NDJAKANYI, die verschijnt voor de verzoekende partijen en van advocaat E. MATTERNE, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur- afdelingshoofd R. VANDER ELSTRAETEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Op 11 april 2006 wordt ten aanzien van de eerste verzoekende partij door de minister van Binnenlandse Zaken een beslissing tot weigering van verblijf met bevel om het grondgebied te verlaten genomen, die gemotiveerd is als volgt : “(...) Reden van de beslissing: België is niet verantwoordelijk voor de behandeling van de asielaanvraag die aan de Duitse autoriteiten toekomt, met toepassing van art. 51/5 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen en van art. 16§1e van de Europese Verordening 343/
- Betrokkene heeft in 1991 in Duitsland een asielaanvraag ingediend en de Duitse overheid heeft op datum van 22/03/2006 ingestemd met de vraag tot terugname van bovengenoemde persoon. Bovendien heeft betrokkene geen specifieke elementen aangehaald waarom haar asielaanvraag in België behandeld zou moeten worden. Betrokkene heeft sinds 1991 het grondgebied van de lidstaten niet verlaten. Betrokkene heeft naast haar gezin ook geen familie in België. Betrokkene en haar gezin dienden een eerste maal een asielaanvraag in België in op 29/04/
- Het gezin beweerde bij deze aanvraag rechtstreeks uit Kosovo te komen en het CGVS besliste deze asielaanvraag ‘niet ontvankelijk’ op 08/07/
- Daarop is het gezin ondergedoken in België en uiteindelijk naar Duitsland teruggekeerd. De medische toestand van betrokkene vereist geen medische behandeling in België en verhindert betrokkene niet om te reizen. Betrokkene werd reeds in Duitsland behandeld en deze behandeling kan ginds voortgezet worden. Er is derhalve geen concrete basis om de asielaanvraag in België te behandelen op grond van art. 3§2 of art. 15 van de verordening. Bijgevolg zal de bovengenoemde worden overgedragen aan de bevoegde Duitse autoriteiten.”. Ten aanzien van de tweede en derde verzoekende partij werd op 11 april 2006 eveneens een beslissing tot weigering van verblijf met bevel om het grondgebied te verlaten genomen, waarvan de motivering gelijkluidend is. Ten aanzien van de verzoekende partijen werd eveneens een beslissing genomen tot het vasthouden in een welbepaalde plaats. Op grond van artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende VII-35.832-2/4 noodzakelijkheid worden besloten onder de drievoudige voorwaarde dat een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is, dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen. Er kan alleen rekening worden gehouden met hetgeen terzake in het verzoekschrift werd uiteengezet en gestaafd. De Raad van State mag geen acht slaan op hetgeen in later ingediende geschriften of ter terechtzitting nog door de verzoekende partijen wordt bijgebracht. Met betrekking tot het moeilijk te herstellen ernstig nadeel zetten de verzoekende partijen in wezen uiteen dat de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissingen het risico schept dat zij, aangezien hun asielprocedure in Duitsland is beëindigd, zouden worden uitgewezen naar een staat waar de bescherming van hun fysieke integriteit niet gewaarborgd is. Volgens artikel 3, 5/ van het eerder genoemd koninklijk besluit van 9 juli 2000 moet de vordering tot schorsing een uiteenzetting van de feiten bevatten die kunnen aantonen dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de aangevochten akte de verzoekende partij een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen. De verzoekende partij mag zich niet beperken tot vaagheden en algemeenheden, maar moet integendeel zeer concrete gegevens aanvoeren waaruit blijkt dat zij persoonlijk een moeilijk te herstellen ernstig nadeel ondergaat of kan ondergaan, zodat de Raad van State met voldoende precisie kan nagaan of er al dan niet een moeilijk te herstellen ernstig nadeel voorhanden is, en het voor de tegenpartijen mogelijk is om zich met kennis van zaken tegen de door de verzoekende partij aangehaalde feiten en argumenten te verdedigen. De verzoekende partij moet in haar verzoekschrift tot schorsing duidelijk en concreet aangeven welk moeilijk te herstellen ernstig nadeel zij concreet en persoonlijk ondergaat of dreigt te ondergaan. De summiere, niet door concrete gegevens gestaafde en zeer algemene bewering van de verzoekende partijen voldoet niet aan dit voorschrift. Zij tonen bijgevolg niet aan dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissingen voor hen een moeilijk te herstellen ernstig nadeel zal veroorzaken. Deze vaststelling volstaat om de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging wegens uiterst dringende noodzakelijkheid te verwerpen. De Raad van State is zonder rechtsmacht om zich uit te spreken over de maatregelen van vrijheidsberoving tot vasthouding in een welbepaalde plaats. Op grond van artikel 71 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet) moet tegen dergelijke maatregel beroep worden ingesteld bij de raadkamer van de correctionele rechtbank, VII-35.832-3/4 BESLUIT: Artikel
- De vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 525 euro, komen ten laste van de verzoekende partijen, elk voor een derde. Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op eenentwintig april tweeduizend en zes, door de H. E. BREWAEYS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. L. SCHWEIGER, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, L. SCHWEIGER. E. BREWAEYS. VII-35.832-4/4 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.157.840 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.