← België

Arrest 157863 - - 24/04/2006

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 24 april 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.157.863 Rolnummer: A. 100370/IX-2723 Zaak: Arrest 157863 - - 24/04/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-05-09 Raadplegingen: 57 - laatst gezien 2026-06-30 17:56 Fiche Arrest nr 157.863 van 24 april 2006 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 157.863 van 24 april 2006 in de zaak A. 100.370/IX-

  1. In zake : Cecilia VAN WOENSEL, wonende te HEVERLEE, Nachtegalenstraat 42 tegen : het Openbaar Centrum voor Maatschappelijk Welzijn van LEUVEN, dat woonplaats kiest bij advocaat Th. HOSCHET, kantoor houdende te LEUVEN, Sint-Maartenstraat 53 tussenkomende partij : Guido VAN AERSCHOT, wonende te WEZEMAAL-ROTSELAAR, Eektstraat
  2. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Cecilia VAN WOENSEL op 9 februari 2001 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van : - het besluit van 14 december 2000 van de raad voor maatschappelijk welzijn van het Openbaar Centrum voor Maatschappelijk Welzijn (hierna: OCMW) van Leuven waarbij “VAN AERSCHOT Guido [...] vanaf 18 december 2000 [wordt] aangesteld tot voltijds centrumleider Ruelenspark in de plaats van VAN WOENSEL Cecilia in functie van de noodzakelijke continuïteit en in afwachting van de benoeming van een centrumleid(st)er volgens de normale aanwervingsprocedure” IX-2723-1/8 - het besluit van 9 januari 2001 van het vast bureau van de raad voor maatschappelijk welzijn van Leuven om verzoekster “vanaf [de datum] van werkhervatting te muteren van de residentie Ruelenspark naar de Sociale Dienst Wilsele”; Gezien het verzoekschrift tot tussenkomst van 16 mei 2001; Gelet op de beschikking van 18 juni 2001 die de tussenkomst van Guido VAN AERSCHOT toelaat; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur B. THYS; Gelet op de beschikking van 14 april 2005 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories; Gelet op de beschikking van 19 januari 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 13 maart 2006; Gehoord het verslag van de voorzitter van de Raad van State J. DE BRABANDERE; Gehoord de opmerkingen van advocaat W. VAN BETSBRUGGE, die verschijnt voor verzoeker, van advocaat R. HENDERIX, die loco advocaat Th. HOSCHET verschijnt voor de verwerende partij; IX-2723-2/8 Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur B. THYS; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  3. Over de gegevens van de zaak. Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.1 Verzoekster treedt op 14 februari 1992 contractueel in dienst van het OCMW van Leuven als maatschappelijk werkster waarbij zij aanvankelijk is tewerkgesteld in het kader van het SIF-project noodhuisvesting. 1.2 Op 21 augustus 1997 besluit de raad voor maatschappelijk welzijn verzoekster met ingang van 1 juni 1997 te belasten met de hogere functie van centrumleidster van de residentie Ruelenspark te Heverlee. 1.3 Bij besluit van 2 oktober 1997 van de raad voor maatschappelijk welzijn wordt verzoekster met ingang van 1 oktober 1997 vast benoemd als maatschappelijk werkster. 1.4 Op 6 november 1997 besluit de raad voor maatschappelijk welzijn verzoekster verder te belasten met de uitoefening van de functie van centrumleidster van de residentie Ruelenspark. 1.5 Vanaf 29 november 2000 is verzoekster afwezig wegens ziekte. 1.6 Op 14 december 2000 besluit de raad voor maatschappelijk welzijn Guido VAN AERSCHOT, voltijds vast benoemd hoofdmaatschappelijk werker, vanaf 18 december 2000 in de plaats van verzoekster aan te stellen tot voltijds centrumleider van de residentie Ruelenspark “in functie van de noodzakelijke IX-2723-3/8 continuïteit en in afwachting van de benoeming van een centrumleid(st)er volgens de normale aanwervingsprocedure”. 1.7 Op 9 januari 2001 besluit het vast bureau van de raad voor maatschappelijk welzijn verzoekster “vanaf [de] datum van werkhervatting te muteren van de residentie Ruelenspark naar de Sociale dienst Wilsele”. 1.8 Op 21 juni 2001 besluit de raad voor maatschappelijk welzijn Guido VAN AERSCHOT met ingang van 1 juli 2001 te benoemen tot centrumleider van de residentie Ruelenspark. Verzoekster vecht ook dit besluit aan met een beroep tot nietigverklaring bij de Raad van State (de zaak A. 111.940/IX - 3102).
  4. Over de ontvankelijkheid. 2.1 Overwegende dat ambtshalve dient te worden opgeworpen dat het arrest nr.148.875 van 14 september 2005 heeft vastgesteld dat verzoekster niet over het rechtens vereiste belang beschikt om de nietigverklaring van het besluit van 21 juni 2001 van de raad voor maatschappelijk welzijn van Leuven, waarbij Guido VAN AERSCHOT met ingang van 1 juli 2001 wordt benoemd tot centrumleider van de residentie Ruelenspark hiervoor vermeld onder 1.8., na te streven; dat bijgevolg zij ook geen belang meer heeft bij de nietigverklaring van het besluit van 14 december 2000, waarbij Guido Van AERSCHOT in de plaats van verzoekster wordt aangesteld tot centrumleider van de residentie Ruelenspark; dat de nietigverklaring van dat besluit immers, gelet op de inmiddels definitieve benoeming van Guido VAN AERSCHOT tot centrumleider, niet meer ertoe zou kunnen leiden dat verzoekster alsnog de hogere functie van centrumleidster verder zou kunnen uitoefenen; Overwegende dat het voorliggende beroep tot nietigverklaring wat zijn eerste voorwerp betreft dan ook niet ontvankelijk is; IX-2723-4/8 2.2.1 Overwegende dat met betrekking tot het tweede voorwerp van het onderhavige annulatieberoep de verwerende partij in haar memorie van antwoord opwerpt dat verzoekster niet over het rechtens vereiste belang beschikt daar de beslissing tot overplaatsing van verzoekster naar de sociale dienst te Wilsele louter om organisatorische redenen is genomen; dat verzoekster op die dienst maatschappelijk werk zal moeten verrichten, wat zij ook op de dienst noodhuisvesting deed alvorens zij met de hogere functie van centrumleidster van de residentie Ruelenspark werd belast; dat verzoekster aldus geen enkele materiële of morele schade heeft geleden; 2.2.2 Overwegende dat verzoekster daartegen in haar memorie van wederantwoord stelt dat zij wel over het vereiste belang beschikt en repliceert dat zij nooit voordien werd tewerkgesteld op de sociale dienst te Wilsele, dat zij er totaal ander werk dient uit te voeren dan als centrumleidster van de residentie Ruelenspark te Heverlee en voordien op de dienst Noodhuisvesting te Leuven, en dat zij nu bovendien verplicht is een voertuig aan te kopen voor haar verplaatsingen naar Wilsele; 2.2.3 Overwegende dat de verwerende partij in haar laatste memorie nog opwerpt dat volgens de rechtspraak van de Raad van State het belang ex artikel 19 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State niet enkel dient aanwezig te zijn op het moment van het instellen van het beroep, doch eveneens actueel dient te blijven tot bij de sluiting van de debatten; dat in casu zijzelf (het OCMW van Leuven) is ingegaan op het verzoek van de stad Leuven waarbij gevraagd werd een beroep te kunnen doen op de diensten van verzoekster en dit in verband met de oprichting van een cel seniorenbeleid; dat sedert 4 september 2001, zijnde het moment van de terugkeer van verzoekster uit ziekteverlof, deze werkzaam is op die dienst van de stad Leuven; dat de beslissing tot mutatie dan ook niet uitgevoerd is; dat zelfs indien verzoekster niet meer in de cel seniorenbeleid zou blijven, dan nog de verwerende partij dient na te gaan op welke dienst verzoekster zal worden tewerkgesteld en dat een nieuwe beslissing hieromtrent dient te worden genomen; dat de verwerende partij besluit dat verzoekster dienvolgens niet meer over enig belang beschikt; IX-2723-5/8 2.2.
  5. Overwegende dat verzoekster ook dat laatste betwist; dat zij stelt dat de bestreden beslissing niet is ingetrokken, dat haar detachering inmiddels is beëindigd, dat zij thans loopbaanonderbreking heeft doch dat, eenmaal deze beëindigd, zij opnieuw in Wilsele zal moeten gaan werken; 2.2.5 Overwegende dat het belang ex artikel 19 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State actueel dient te blijven tot bij de uitspraak; dat het OCMW van Leuven, door in te gaan op het verzoek van de stad Leuven om een beroep te kunnen doen op de diensten van verzoekster, zelf geen uitvoering heeft gegeven aan haar besluit van 9 januari 2001 tot mutatie van verzoekster naar de sociale dienst van Wilsele bij haar terugkeer uit ziekteverlof en dat besluit ook niet is uitgevoerd ten gevolge van verzoeksters loopbaanonderbreking; dat verzoekster tot nogtoe geen nadeel heeft ondervonden van het besluit van 9 januari 2001 tot mutatie naar Wilsele; dat daargelaten de vraag of, zoals de verwerende partij stelt, zij een nieuwe beslissing omtrent de plaats van tewerkstelling van verzoekster moet nemen bij haar terugkeer in dienst, dan wel de bestreden affectatie van verzoekster bij de sociale dienst Wilsele blijft gelden zolang zij niet is ingetrokken of vernietigd, uit de stukken die de verwerende partij vóór de terechtzitting heeft overgelegd kan worden afgeleid dat intussen een dergelijke beslissing is genomen; dat namelijk op 27 mei 2004 de raad voor maatschappelijk welzijn heeft besloten de sociale dienst te reorganiseren waardoor geen permanent welzijnsbureau te Wilsele meer blijft bestaan; dat de raad voor maatschappelijk welzijn op 26 januari besloten heeft aan verzoekster mee te delen dat er geen vaste tewerkstellingsplaats van de sociale dienst meer is te Wilsele; dat de Raad van State derhalve vaststelt dat hierdoor de verwerende partij zelf erkent en bevestigt dat de beslissing houdende de affectatie van verzoekster bij de sociale dienst te Wilsele uit het rechtsverkeer is weggenomen; dat wanneer verzoekster bij het einde van haar loopbaanonderbreking haar dienst zal hervatten, de verwerende partij een nieuwe beslissing omtrent haar affectatie zal dienen te nemen, waartegen verzoekster in voorkomend geval zal kunnen opkomen; dat verzoekster bijgevolg geen belang meer heeft bij de nietigverklaring van het besluit van 9 januari 2001; IX-2723-6/8 2.2.
  6. Overwegende dat het voorliggende beroep tot nietigverklaring ook niet ontvankelijk is wat zijn tweede voorwerp betreft; dat aangezien het teloorgaan van verzoeksters belang grotendeels aan het toedoen van de verwerende partij te wijten is, het past de kosten van het beroep ten laste van die partij te brengen, BESLUIT: Artikel
  7. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  8. De kosten van het beroep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van het OCMW van Leuven. De kosten van de tussenkomst, bepaald op 123,95 euro, komen ten laste van de tussenkomende partij. IX-2723-7/8 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op vierentwintig april 2000 en zes, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. J. DE BRABANDERE, voorzitter van de Raad van State, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, C. ADAMS, staatsraad, Mevr. V. WAUTERS, griffier. De griffier, De voorzitter, V. WAUTERS. J. DE BRABANDERE. IX-2723-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.157.863 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.