id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 24 april 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.157.864 Vervangt nummer: ECLI:BE:RSCE:2006:ARR.20060424.14 ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.20060424.14 Rolnummer: A. 129176/IX-3573 Zaak: Arrest 157864 - - 24/04/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2018-10-09 Raadplegingen: 117 - laatst gezien 2026-06-30 17:56 Fiche Arrest nr 157.864 van 24 april 2006 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 157.864 van 24 april 2006 in de zaak A. 129.176/IX-
- In zake : Sabrina COLMAN, die woonplaats kiest bij advocaat C. D’HAESE, kantoor houdende te AALST, Graanmarkt 10 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Justitie, die woonplaats kiest bij advocaat B. DERVEAUX, kantoor houdende te KORTENBERG, Veldstraat
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Sabrina COLMAN op 12 november 2002 heeft ingediend om een administratief cassatieberoep in te stellen tegen de beslissing van 10 september 2002 van de Commissie voor hulp aan slachtoffers van opzettelijke gewelddaden waarbij haar verzoek om schadevergoeding van 7 mei 2001 onontvankelijk wordt verklaard; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur R. VANDER ELSTRAETEN; Gelet op de beschikking van 19 juli 2005 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; IX-3573-1/13 Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories; Gelet op de beschikking van 14 februari 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 13 maart 2006; Gehoord het verslag van de voorzitter van de Raad van State J. DE BRABANDERE; Gehoord de opmerkingen van advocaten C. D’HAESE en B. DE MAESENEIR, die verschijnen voor verzoekster en van advocaat B. DERVEAUX, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd R. VANDER ELSTRAETEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Overwegende dat de gegevens van de zaak kunnen worden samengevat als volgt : 1.
- Op 5 september 1999 stampt de genaamde Geert CARRE in de woning van verzoekster te Wetteren opzettelijk de aardgasleiding af en draait de kranen van het butaanfornuis open. Vervolgens verlaat hij de woning samen met het dochtertje van hem en van verzoekster. Wanneer verzoekster de woning samen met twee politieagenten betreedt, komt het tot een ontploffing van het opgehoopte gas. Hierbij laat een politieagent het leven en wordt verzoekster levensgevaarlijk gewond. IX-3573-2/13 1.
- Op 11 augustus 2000 wordt Geert CARRE door de correctionele rechtbank van DENDERMONDE veroordeeld om : “A. (...) opzettelijk een onroerende eigendom, (...) namelijk een woonhuis (...) verhuurd aan en bewoond door COLMAN Sabrina, te hebben vernield of gepoogd te vernielen door het veroorzaken van een ontploffing ten nadele van (...) COLMAN Sabrina (...); B. Door gebrek aan voorzichtigheid of voorzorg, maar zonder het oogmerk om de persoon van een ander aan te randen, onopzettelijk de dood van MIDDERNACHT Luc te hebben veroorzaakt; C. door gebrek aan voorzichtigheid of voorzorg, maar zonder het oogmerk om de persoon van een ander aan te randen, onopzettelijk slagen of verwondingen te hebben toegebracht aan (...) COLMAN Sabrina”; 1.
- Verzoekster vraagt op 7 mei 2001 de Commissie voor hulp aan slachtoffers van opzettelijke gewelddaden om toekenning van een hoofdhulp van 2.500.000 BEF wegens het ongeval met gasontploffing op 5 september1999 te Wetteren. 1.
- Op 10 september 2002 neemt de derde kamer van de Commissie de thans aangevochten beslissing waarbij het verzoek onontvankelijk wordt verklaard. Zij bevat de volgende redengeving : "Naar luid van artikel 31 § 1 van de wet van 1 augustus 1985 kan een persoon zich tot de Commissie wenden met een vraag tot hulp indien hij of zij een ernstig letsel of nadeel voor zijn gezondheid heeft ondervonden als rechtstreeks gevolg van een opzettelijke gewelddaad. Bij vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Dendermonde d.d. 11 augustus 2000 werd de dader veroordeeld wegens het toebrengen van onopzettelijke slagen of verwondingen aan ondermeer verzoekster (pagina 3 van het vonnis); dit vonnis heeft kracht van gewijsde. Welnu ‘de beslissing van de strafrechter over de strafvordering raakt de openbare orde, waaruit werd afgeleid dat deze beslissing gezag van gewijsde erga omnes heeft... Het gezag erga omnes is een algemeen rechtsbeginsel... De burgerlijke rechter die na de beslissing over de strafvordering een beslissing moet nemen over de burgerlijke vordering voortspruitend uit hetzelfde feit, mag geen oordeel vellen dat strijdig is met wat beslist werd bij het oordeel over de strafvordering’ (Verstraeten R., Handboek strafvordering (3° bijgewerkte druk), Maklu, Antwerpen, 1999, randnummer 1903, waarin verwijzing naar relevante cassatierechtspraak en rechtsleer). IX-3573-3/13 Bij toepassing van bovenvermelde principes is de Commissie, die een administratief rechtscollege is, ook gebonden door de beslissing van de strafrechter in deze zaak. Nu derhalve onherroepelijk is komen vast te staan dat de slagen aan verzoekster onopzettelijk werden toegebracht, dient het verzoek als onontvankelijk afgewezen te worden". 2.1.1.
- Overwegende dat verzoekster in een eerste middel aanvoert dat de bestreden beslissing genomen is met schending van de artikelen 28 tot 41 van de wet van 1 augustus 1985 houdende fiscale en andere bepalingen, van het koninklijk besluit van 18 december 1986 betreffende de Commissie voor hulp aan slachtoffers van opzettelijke gewelddaden, van het koninklijk besluit van 11 september 1987 tot goedkeuring van het huishoudelijk reglement van de Commissie voor hulp aan slachtoffers van opzettelijke gewelddaden, ingesteld bij artikel 30 van de voornoemde wet van 1 augustus 1985, alsmede van het recht van verdediging, doordat de Commissie voor hulp aan slachtoffers van opzettelijke gewelddaden haar aanvraag onontvankelijk verklaart omdat is komen vast te staan dat de aan haar toegebrachte slagen onopzettelijk werden toegebracht, terwijl naar luid van artikel 31, § 1, van de wet van 1 augustus 1985 het moet gaan om een opzettelijke gewelddaad met ernstig lichamelijk letsel of nadeel voor de gezondheid tot gevolg, waarbij dus moeten verenigd zijn : een materieel bestanddeel dat bestaat in de aanwending van geweld tegen een persoon, wat misdrijven tegen goederen uitsluit, een moreel bestanddeel dat bestaat in het opzet van de dader om de gewelddaad te plegen, wat misdrijven uit nalatigheid of door onvoorzichtigheid uitsluit, en een causaal verband tussen gewelddaad en de opgelopen schade, en terwijl artikel 31, § 1, niet bepaalt dat bij eendaadse samenloop tussen onopzettelijke slagen en verwondingen toegebracht aan een persoon en opzettelijke vernieling van een onroerend goed door het veroorzaken van een ontploffing een slachtoffer geen aanspraak zou kunnen maken op vergoeding; Overwegende dat verzoekster hierbij toelicht dat de wet het heeft over het rechtstreeks gevolg van een opzettelijke gewelddaad, dat de Commissie IX-3573-4/13 door uit het strafvonnis enkel te onthouden dat de aan verzoekster toegebrachte slagen onopzettelijk waren, voorbij is gegaan aan hetgeen is bepaald in het dispositief van het in kracht van gewijsde gegane correctioneel vonnis, waarbij de beklaagde Geert CARRE wordt veroordeeld wegens de tenlasteleggingen sub A, sub B en sub C samen tot een hoofdgevangenisstraf van tien jaar, dat dus definitief en onherroepelijk wordt geoordeeld dat er eendaadse samenloop is tussen onopzettelijke slagen en verwondingen en opzettelijke vernieling van een onroerend goed, dat er wel degelijk aan het vereiste van opzettelijke gewelddaad, zoals de wet het voorschrijft, is voldaan nu de strafrechter niet onopzettelijke slagen in aanmerking neemt, doch wel het samenspel tussen opzettelijke vernieling en onopzettelijke slagen en verwondingen, waarbij dit laatste gewis en zeker als een opzettelijke gewelddaad te kwalificeren is; 2.1.1.
- Overwegende dat verzoekster in een tweede middel aanvoert dat de bestreden beslissing genomen is met schending van het algemeen rechtsbeginsel dat een beslissing van de strafrechter over de strafvordering erga omnes geldt, doordat de Commissie het algemeen rechtsbeginsel van rechtskracht erga omnes beperkt tot hetgeen gevonnist wordt over de onopzettelijke slagen en verwondingen, doch niet in het minst rekening houdt met de absolute draagwijdte van dit rechtsbeginsel, terwijl het gezag erga omnes niet enkel het dispositief bevat, doch ook de motivering en de erin vervatte redenen dewelke de strafrechtelijke beslissing schragen; Overwegende dat verzoekster hierbij toelicht dat de strafrechter precies door het uitspreken van één straf de eendaadse samenloop tussen opzettelijke vernielingen door ontploffing en onopzettelijke slagen en verwondingen beklemtoont, dat in het in kracht van gewijsde gegane strafrechtelijk vonnis op zeer expliciete wijze wordt gemotiveerd dat het om één misdrijf gaat, dat de bestreden beslissing dus niet naar recht gemotiveerd is waar ze stelt dat men in casu kan spreken over onopzettelijke slagen en verwondingen terwijl het in werkelijkheid gaat om de uitvoering van één ongeoorloofd besluit, dat als een voortgezette handeling moet IX-3573-5/13 worden beschouwd, waarbij in casu zeer zeker sprake is van een opzettelijke gewelddaad, nu een combinatie of samenspel van een opzettelijk met een onopzettelijk feit geenszins zijn materieelrechtelijke en intentionele notie opzettelijkheid doet verdwijnen, wel integendeel de opzettelijkheid deel uitmaakt van het enig in aanmerking genomen feit; 2.1.2.
- Overwegende dat de verwerende partij op het eerste middel antwoordt dat volgens artikel 65, eerste lid, van het Strafwetboek, wanneer eenzelfde feit verscheidene misdrijven oplevert of wanneer verschillende misdrijven die de opeenvolgende en voortgezette uitvoering zijn van eenzelfde misdadig opzet, gelijktijdig worden voorgelegd aan eenzelfde strafrechter, alleen de zwaarste straf uitgesproken wordt, dat dit artikel onder de regels van straftoemeting valt en dat die regels vanzelfsprekend niets aan de aard van het gepleegde misdrijf kunnen wijzigen daar ervan pas gebruik wordt gemaakt wanneer het misdrijf bewezen is; dat zij voorts uiteenzet wat volgt: de strafrechter heeft elk misdrijf afzonderlijk onderzocht en bewezen geacht, pas daarna heeft hij zich over de straftoemeting uitgesproken; indien de wetgever niet had voorzien in een bijzondere straftoemeting bij samenloop, hadden de straffen die op elk van de samenlopende misdrijven gesteld zijn, onbeperkt gecumuleerd moeten worden, hetgeen soms tot indrukwekkende strafquota aanleiding zou kunnen geven; de regels betreffende de samenloop kunnen dus ook worden beschouwd als regels die de straftoemeting kunnen verminderen, omdat zij -voor zover de wetgever het wenselijk achtte- de onbeperkte cumul van samenlopende straffen overeenkomstig verschillende technieken begrenzen; door de toepassing van de regels in verband met de samenloop vermocht de rechtbank niet te oordelen dat het ten laste gelegde en bewezen verklaarde misdrijf diende te worden geherkwalificeerd en aldus vermocht hij niet vast te stellen dat de beklaagde moest worden veroordeeld wegens onopzettelijke slagen en verwondingen, maar dat de feiten feitelijk overeenkwamen met het misdrijf van opzettelijke slagen en verwondingen; omtrent het moreel bestanddeel van het misdrijf heeft de rechtbank geoordeeld dat het misdrijf van slagen en verwondingen onopzettelijk was gepleegd, hij vermocht niet terzelfder tijd te oordelen dat het misdrijf opzettelijk was gepleegd en de regels van straftoemeting brengen deze redenering niet in het gedrang; IX-3573-6/13 2.1.2.
- Overwegende dat de verwerende partij op het tweede middel antwoordt dat dit geen steun vindt in de tekst van het vonnis en op een verkeerde interpretatie van het begrip "opzet" berust, dat "opzet" de wil is om iets te doen dat door de strafwet verboden is of na te laten wat door de strafwet geboden is, dat het bijgevolg zowel een kennis- als een wilselement onderstelt, dat het "willens" handelen een bedoeling onderstelt het materieel bestanddeel van het misdrijf te plegen, dat de rechtsleer hiermee gelijk stelt het geval waarin de dader een strafrechtelijk gesanctioneerd gevolg van zijn gedraging niet bedoelt, maar a priori dat gevolg van zijn bedoeld handelen of nalaten aanvaardt, dat de persoonlijke motieven van de dader hierbij geen rol spelen (cf. Cass. 6 januari 1998, Arr. Cass. 1998, nr. 3), dat uit de gerelateerde feiten en het vonnis wel het opzet van de dader blijkt om het huis te vernielen, doch niet dat hij wetens en willens een daad wilde stellen die de fysieke integriteit van verzoekster zou aantasten, en dat de zware schade die verzoekster heeft geleden het gevolg is van hetzelfde besluit van de dader, nl. de vernieling van het huis, doch niet van hetzelfde opzet; 2.1.3.
- Overwegende dat verzoekster met betrekking tot haar eerste middel repliceert dat de correctionele rechtbank samenloop heeft aanvaard, zo niet zou zij niet één straf, maar verschillende straffen hebben uitgesproken, dat de argumentatie van de verwerende partij als zouden de regels van de straftoemeting niets wijzigen aan de aard van het gepleegde misdrijf, niets afdoet aan het feit dat de wettelijke voorwaarden van artikel 31, § 1, van de wet van 1 augustus 1985 wel voldaan zijn : er bestaat immers geen enkele wetsbepaling welke zich verzet tegen het gegeven dat het materieel bestanddeel -nl. de aanwending van geweld tegen een persoon- wordt geput uit een opzettelijk misdrijf -in casu de onopzettelijke slagen en verwondingen, hetgeen duidelijk geweld tegen een persoon daarstelt, terwijl het moreel bestanddeel -nl. het opzet van een dader om de gewelddaad te plegen- wordt geput uit een opzettelijk misdrijf -in casu de opzettelijke vernieling door het veroorzaken van een ontploffing; 2.1.3.
- Overwegende dat de verzoekende partij in verband met het tweede middel repliceert dat de verwerende partij zichzelf tegenspreekt waar zij stelt dat het IX-3573-7/13 opzet van de dader erin bestond om het huis te vernielen, doch niet dat de dader wetens en willens een daad wilde stellen die haar fysieke integriteit zou aantasten, dat het in casu duidelijk is dat de dader wetens en willens heeft gehandeld, dat hij wist -minstens diende te weten- dat zijn totaal onbesuisd gedrag de gevolgen zou hebben kunnen veroorzaken van een strafrechtelijk gesanctioneerde inbreuk, i.c. het opzettelijk verwonden, ook al was dit niet bedoeld, en dat de dader zich zelve in de sfeer van de opzettelijke misdrijven heeft geplaatst; 2.1.
- Overwegende dat verzoekster in haar laatste memorie herhaalt dat artikel 31, § 1, van de wet van 1 augustus 1985 een materieel bestanddeel vereist dat bestaat uit de aanwending van geweld tegen een persoon, een moreel bestanddeel dat bestaat uit het opzet van de dader om de gewelddaad te plegen en bovendien een causaal verband tussen de gewelddaad en de opgelopen schade en dat in dezen aan die drie voorwaarden is voldaan; dat haar door een te restrictieve toepassing van art. 31, § 1, van de wet van 1 augustus 1985 een passend rechtsherstel wordt ontnomen hoewel men in een rechtstaat mag verwachten dat de burger kan opkomen tegen onomstotelijk zeer ernstig geleden nadeel dat het rechtstreeks gevolg is van een opzettelijke gewelddaad; dat wat betreft het beperken van het algemeen rechtsbeginsel erga omnes tot het dispositief, verzoekster laat opmerken dat het vonnis van 11 augustus 2000 van de Correctionele Rechtbank te Dendermonde uitdrukkelijk de artikelen 392, 398, lid 1, 399, lid 1 en 410 van het Strafwetboek vermeldt en dat niet kan worden gesteld dat het aanvaarden van eenheid van opzet en de bij toepassing van art. 65 Sw. eruit voortvloeiende meer gunstige, want niet-ongebreideld gecumuleerde straftoemeting, enkel en alleen de problematiek van de straftoemeting zou behelzen, terwijl precies door de eenheid van opzet aan te nemen de rechter al een verband ziet tussen de verschillende autonoom bestaande misdrijven: het aanvaarden van een dergelijk verband in casu brengt het bestaan mee van het noodzakelijk causaal verband, zoals vervat in art. 31, § 1, van de wet van 1 augustus 1985 en volgens de rechtspraak van het Hof van Cassatie kan de eenheid van opzet worden afgezonderd van het moreel bestanddeel dat eigen is aan elk van de samengevoegde misdrijven (Cass., 13 mei 1998; Cass., 15 november 2000) waarbij belangrijk is het potestatief karakter van de bewoording “kan”; dat volgens IX-3573-8/13 verzoekster de Correctionele Rechter precies om deze reden in niet mis te verstane bewoordingen te kennen heeft gegeven dat in een beschaafde welvaartsstaat de burgers die het slachtoffer zijn van een dergelijk misdrijf -in casu een opzettelijk veroorzaakte ontploffing- recht hebben dat het nadeel dat zij opliepen integraal zou worden vergoed en de bedragen die worden toegekend als morele, lichamelijke en materiële schadevergoeding daadwerkelijk, binnen een redelijke termijn worden betaald; 2.2.
- Overwegende dat het eerste middel slechts ontvankelijk is voor zover het de schending van artikel 31, § 1, van de wet van 1 augustus 1985 aanvoert; dat verzoekster immers niet aangeeft welke bepalingen van de koninklijke besluiten van 18 december 1986 en 11 september 1987 zij geschonden acht, noch op welke wijze de overige aangevoerde bepalingen van de wet van 1 augustus 1985 en het recht van verdediging zouden zijn miskend; 2.2.
- Overwegende dat de te dezen geldende tekst van artikel 31, § 1, van de wet van 1 augustus 1985 houdende fiscale en andere bepalingen als volgt luidt : “Art.
- §
- Wie ernstig lichamelijk letsel of nadeel voor zijn gezondheid heeft ondervonden als rechtstreeks gevolg van een opzettelijke gewelddaad in België gepleegd, kan een hulp aanvragen en wel onder de volgende voorwaarden :
- het nadeel lijkt niet voldoende en op daadwerkelijke wijze door andere middelen te kunnen worden hersteld, zoals door betaling van schadevergoeding door de dader of door betaling van ieder bedrag met betrekking tot de schade door een stelsel van maatschappelijke zekerheid of van schadeloosstelling ten gevolge van arbeidsongevallen of beroepsziekten, dan wel van een private verzekering;
- het slachtoffer moet, op het ogenblik dat de gewelddaad wordt gepleegd, de Belgische nationaliteit bezitten of gerechtigd zijn het Rijk binnen te komen, er te verblijven of er zich te vestigen, (...)
- het slachtoffer moet zich burgerlijk partij hebben gesteld uit hoofde van de bestanddelen van het strafbare feit van de opzettelijke gewelddaad of een rechtstreekse dagvaarding hebben uitgebracht of een procedure hebben ingeleid bij de burgerlijke rechtbank. IX-3573-9/13 Met een in België gepleegde opzettelijke gewelddaad wordt gelijkgesteld, een in het buitenland gepleegde opzettelijke gewelddaad waarvan een van de in artikel 42, § 2, bedoelde personen in bevolen dienst het slachtoffer is.”; 2.2.
- Overwegende dat verzoekster stelt dat aan de voorwaarde dat het geleden ernstig lichamelijk letsel of nadeel voor haar gezondheid het rechtstreeks gevolg uitmaakt van een opzettelijke gewelddaad, voldaan is doordat de strafrechter slechts één straf heeft uitgesproken en ééndaadse samenloop heeft aangenomen; dat het vonnis van 11 augustus 2000 Geert CARRE echter veroordeeld heeft wegens het toebrengen van onopzettelijke slagen of verwondingen aan onder meer verzoekster, daarbij overwegende dat "er (...) geen elementen voorhanden (zijn) om aan te nemen dat beklaagde, middels het veroorzaken van de ontploffing, Sabrina COLMAN (...) wilde doden of verwonden; wel (...) zijn de verwondingen van (...) Sabrina COLMAN (...) het gevolg van een gebrek aan voorzichtigheid of voorzorg in hoofde van beklaagde"; dat aldus met gezag van gewijsde erga omnes werd vastgesteld -zoals terecht door de Commissie is aangenomen- dat de slagen aan verzoekster niet ten gevolge van een opzettelijke gewelddaad zijn toegebracht; 2.2.
- Overwegende dat de omstandigheid dat met toepassing van de bepaling van het Strafwetboek in verband met de eendaadse samenloop van misdrijven, slechts één straf is uitgesproken, aan wat voorafgaat geen afbreuk vermag te doen; dat, immers, waar volgens artikel 65, eerste lid, van het Strafwetboek -zoals vervangen bij de wet van 11 juli 1994- “wanneer een zelfde feit verscheidene misdrijven oplevert of wanneer verschillende misdrijven die de opeenvolgende en voortgezette uitvoering zijn van een zelfde misdadig opzet, gelijktijdig worden voorgelegd aan een zelfde feitenrechter, wordt alleen de zwaarste straf uitgesproken", de eerste zinsnede doelt op eendaadse samenloop in de strikte betekenis, nl. het geval waarin eenzelfde feit meerdere misdrijven oplevert, met andere woorden een samenloop van kwalificaties; dat de tweede zinsnede doelt op een situatie waarin verscheidene feiten door eenzelfde persoon, zelfs op verschillende tijdstippen werden gepleegd, en die feiten de opeenvolgende en voortdurende uitvoering zijn van eenzelfde misdadig opzet, in welk geval het feitencomplex als een IX-3573-10/13 geheel, "collectief” of "voortgezet" misdrijf genoemd, wordt beschouwd en, bij toepassing van art. 65 Sw. slechts één enkele straf, de zwaarste wordt opgelegd; dat het aannemen van eenheid van misdadig opzet tussen een opzettelijk en een onopzettelijk misdrijf geenszins meebrengt dat dit laatste met het eerste zou versmelten of een opzettelijk misdrijf zou worden; dat ze enkel voor de straftoemeting als één enkel misdrijf moeten worden beschouwd; dat aldus, waar de correctionele rechtbank van Dendermonde onder de rubriek "wat betreft de strafmaattoepassing" concludeert dat "de verscheidene feiten (...) sub A, B en C (...) dus maar één misdrijf uitmaken" zulks moet worden verstaan in die zin dat de betreffende feiten wegens de eenheid van misdadig opzet enkel voor het bepalen van de strafmaat als één misdrijf moeten worden aangezien; dat ook al, zoals verzoekster betoogt, hij daarover anders had kunnen oordelen, hij dat ten aanzien van het opzet van het misdrijf niet gedaan heeft; dat de beschouwingen welke hij daaraan gewijd heeft in verband met verzoeksters rechten op burgerlijk gebied, daaraan niets veranderen; dat derhalve het eerste en het tweede middel niet gegrond zijn; 3.1.
- Overwegende dat verzoekster in het derde middel laat gelden dat het beginsel van behoorlijk bestuur, inzonderheid het vertrouwensbeginsel, het rechtszekerheidsbeginsel en het opportuniteitsbeginsel zijn geschonden, doordat de Commissie verkeerdelijk enkel steunt op het oordeel van de strafrechter en voorbijgaat aan voornoemde beginselen, nu ze er kon en moest op vertrouwen dat zij voor vergoeding in aanmerking zou komen, terwijl de basis tot het al dan niet toekennen van een vergoeding wordt gevormd door het beginsel van "de collectieve solidariteit tussen de leden van eenzelfde natie" en het begrip "abnormaal sociaal risico", dat tot ongelijkheid van de burgers terzake van de openbare lasten leidt (Hand. Kamer, 1984-1985,23 juli 1985, 3491 en Parl. St. Senaat, 1984-1985, 873, 2/1° - verslag namens de commissie voor de Justitie uitgebracht door de heer VAN ROMPAEY , p. 5), en terwijl het tevens berust op de idee dat de collectiviteit naar billijkheid moet instaan voor het gehele of gedeeltelijke herstel van de schade die op zich als een sociale kwaal wordt beschouwd; IX-3573-11/13 Overwegende dat verzoekster toelicht, aan de hand van een aantal overwegingen betreffende de burgerlijke vordering in het strafvonnis, dat ze er redelijkerwijze mocht op vertrouwen dat haar schade vergoed zou worden, a fortiori wanneer rekening wordt gehouden met de sociale commotie die het uitermate tragisch voorval heeft teweeggebracht bij de publieke opinie in het algemeen en bij haarzelf in het bijzonder, dat de Commissie een appreciatiebevoegdheid heeft zowel ter zake van de opportuniteit van de toekenning van de hulp als ter zake de vaststelling van het bedrag ervan binnen de wettelijke limieten; 3.1.
- Overwegende dat de verwerende partij antwoordt dat de rechtbank in de geciteerde overwegingen een politieke verklaring heeft afgelegd en daarmee buiten zijn bevoegdheid treedt, dat ze nooit op enigerlei wijze het vertrouwen heeft gecreëerd dat een vergoeding toegekend zou worden aan verzoekster, dat de Commissie voor hulp aan slachtoffers van opzettelijke gewelddaden binnen haar wettelijke bevoegdheden handelt en beoordeelt of de toepassingsvoorwaarden van de wet vervuld zijn, dat ze slechts de bevoegdheid heeft de opportuniteit van de vergoeding te beoordelen binnen de perken die de wet haar heeft gesteld en dat ter zake de wet uitsluit dat de Commissie een vergoeding toe zou kennen in het geval van een onopzettelijke gewelddaad; 3.1.
- Overwegende dat verzoekster repliceert dat de rechter louter een maatschappelijk prangend debat aangevoeld en passend aan de kaak gesteld heeft en dat, aangezien het om een opzettelijke gewelddaad ging, de Commissie wel degelijk een vergoeding kon toekennen binnen de perken van de wet; 3.
- Overwegende dat de vaststelling dat de artikelen 28 en volgende van de wet van 1 augustus 1985, waarbij een vergoeding ten bate van de slachtoffers van opzettelijke gewelddaden werd ingesteld, ingegeven zijn door en rusten op het beginsel van de collectieve solidariteit, niet uitsluit dat iemand slechts aanspraak kan maken op deze vergoeding wanneer alle door de wet gestelde toekenningsvoorwaarden vervuld zijn, waaronder de voorwaarde dat het ernstig lichamelijk letsel of het nadeel voor de gezondheid het rechtstreeks gevolg is van een IX-3573-12/13 opzettelijke gewelddaad; dat weliswaar, eenmaal de toekenningsvoorwaarden vervuld zijn, het bedrag van de hulp naar billijkheid wordt bepaald (artikel 33, § 1, van de wet van 1 augustus 1985), doch de Commissie haar bevoegdheid te buiten zou gaan mocht ze om opportuniteitsredenen oordelen dat in een haar voorgelegd geval aan een door de wet gestelde toekenningsvoorwaarde niet voldaan moet zijn; dat het derde middel niet gegrond is, BESLUIT: Artikel
- Het beroep wordt verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van verzoekster. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op vierentwintig april 2000 en zes, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. J. DE BRABANDERE, voorzitter van de Raad van State, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, C. ADAMS, staatsraad, Mevr. V. WAUTERS, griffier. De griffier, De voorzitter, V. WAUTERS. J. DE BRABANDERE. IX-3573-13/13 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.157.864 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.