id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 24 april 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.157.866 Rolnummer: A. 171823/XII-5130 Zaak: Arrest 157866 - - 24/04/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-04-27 Raadplegingen: 57 - laatst gezien 2026-06-30 17:57 Fiche Arrest nr 157.866 van 24 april 2006 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 157.866 van 24 april 2006 in de zaak A. 171.823/IX-
- In zake : Gonda COCK, die woonplaats kiest bij advocaat D. MATTHYS, kantoor houdende te GENT, Sint-Annaplein 34 tegen : de Universiteit Gent, die woonplaats kiest bij advocaat P. DEVERS, kantoor houdende te GENT, Kouter 71 -
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE IXe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Gonda COCK op 6 april 2006 heeft ingediend om bij uiterst dringende noodzakelijkheid de schorsing te vorderen van de tenuitvoerlegging van de vier volgende beslissingen van 27 maart 2006 van het bestuurscollege van de Universiteit Gent: “
- de beslissing waarbij het mandaat van verzoekster als directeur van de directie Financiën aan de Universiteit Gent niet wordt hernieuwd;
- de beslissing waarbij de procedure voor de aanduiding van een directeur Financiën wordt opgestart;
- de beslissing waarbij akkoord wordt gegaan om een waarnemend directeur Financiën aan te stellen;
- de beslissing waarbij Geert Van de Gucht wordt aangesteld als waar- nemend directeur van de directie Financiën.”; Gezien de nota van de verwerende partij; Gelet op de beschikking van 7 april 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 19 april 2006, om 14.30 uur; Gehoord het verslag van staatsraad L. HELLIN; IX-5295-1/5 Gehoord de opmerkingen van advocaat D. MATTHYS, die verschijnt voor de verzoekende partij, en van advocaat F. LIEBAUT die, loco advocaat P. DEVERS verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur B. THYS; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Overwegende dat krachtens artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoör- dineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid kan worden besloten onder de drievoudige voorwaarde dat een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is, dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten akte of verordening kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden akte of verordening een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen.
- Overwegende dat, wat de voorwaarde van de uiterst dringende noodzakelijkheid van de vordering betreft, verzoekster aanvoert dat om te voor- komen dat zij onherroepelijk schade zou lijden, het door haar aangevoerde moeilijk te herstellen ernstig nadeel op “bijzonder snelle wijze” ongedaan moet worden gemaakt; dat zij van oordeel is dat een gewone schorsingsprocedure de realisatie van dit nadeel niet zou kunnen verhinderen en dat om te voorkomen dat de bestreden beslissingen “een cascade (...) van nefaste consequenties” teweeg zou brengen, niet alleen voor haarzelf, maar ook voor de Universiteit Gent en voor betrokken derden, “onmiddellijk en zonder tijdverlies” moet worden ingegrepen; dat zij dienaangaande verwijst naar ‘s Raads arrest nr. 148.318 van 25 augustus 2005, dat de mandaat- functie die zij bekleedde, van de ene dag op de andere zal worden opgenomen door een interimaris, dat het mandaat vervolgens definitief zal worden ingevuld door iemand anders, dat het retroactief rechtsherstel dat verschuldigd zal zijn na een nietigverklaring van de bestreden beslissingen een reeks technische, menselijke en statutaire problemen zal doen rijzen, dat een schorsing ongetwijfeld soelaas kan bieden, maar dat, wijl de procedure tot invulling van het mandaat reeds is aangevat, ook de gewone schorsingsprocedure te laat zal komen; dat, steeds volgens verzoekster, ook niet uit het oog mag worden verloren dat de functie die zij bekleedde, een zeer grote verantwoordelijkheid met zich meebracht op het vlak van het opstellen van de begroting en de jaarrekeningen van de universiteit; IX-5295-2/5
- Overwegende dat de verwerende partij daarop antwoordt dat verzoekster, die er zich van bewust is een uitzonderingsprocedure te hanteren, niet verder komt dan te stellen dat “ook de gewone schorsingsprocedure” te laat zal komen, dat er geen redenen zijn om aan te nemen dat een gewone schorsings- procedure een oplossing zal bieden voor de gevolgakten die verzoekster aanvecht aangezien tot op heden alleen een waarnemend directeur is aangesteld en er alleen beslist is om de procedure op te starten voor het aanduiden van een directeur Financiën, dat de eigenlijke start van de aanwijzingsprocedure nog niet is genomen zodat van een “cascade (...) van nefaste consequenties” geen sprake kan zijn;
- Overwegende dat de toepassing van de schorsingsprocedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid het normale verloop van de rechtspleging voor de Raad van State ernstig verstoort, de mogelijkheden tot onderzoek van de zaak tot een strikt minimum beperkt en de uitoefening van de rechten van verdediging van de verwerende partij aanzienlijk in het gedrang brengt; dat daarom het aanwenden van die procedure zeer uitzonderlijk moet blijven, in die zin dat ze slechts mag worden aangewend in die enkele gevallen waarin het uiterst dringende karakter van de zaak meteen voor iedereen zonder meer duidelijk is, ofwel door de verzoekende partij op een duidelijke en onomstootbare wijze wordt aangetoond; dat dit laatste impliceert dat de verzoekende partij aan de hand van precieze en concrete gegevens aantoont dat de schorsing van de tenuitvoerlegging, indien zij pas na het afwikkelen van de gewone schorsingsprocedure zou worden uitgesproken, onherroepelijk te laat zou komen om het nadeel op te vangen;
- Overwegende dat verzoekster in deze niet aannemelijk maakt dat zij ingevolge de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissingen een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan lijden dat alleen door een uitzonderlijke procedure, namelijk een schorsingsprocedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid, passend kan worden geweerd en niet door een schorsing volgens de gewone procedure; dat zij immers met betrekking tot dat moeilijk te herstellen ernstig nadeel in essentie aanvoert dat zij ingevolge de bestreden beslissingen geen directiefunctie meer zal kunnen uitoefenen, maar slechts een vervangfunctie, die weliswaar een staffunctie zal zijn, doch zonder budgettaire en leidinggevende bevoegdheden en zonder noemenswaardige verantwoordelijkheden; dat de verdere ontwikkeling van haar carrière, zowel binnen als buiten de universiteit, in het gedrang komt en dat zij geen vergelijkbare functie meer zal kunnen ambiëren, rekening houdend ook met haar leeftijd van 54 jaar; dat zij ook vreest dat overal de indruk zal ontstaan dat “andere IX-5295-3/5 redenen van eventueel gesjoemel of onfrisse praktijken” aan het niet hernieuwen van haar mandaat ten grondslag liggen, waardoor haar carrière in de financiële wereld helemaal wordt “geblokkeerd”; dat zij ten slotte wijst op de financiële implicaties die zij ondergaat, nu zij op jaarbasis ongeveer 15000 euro, bruto, minder zal gaan verdienen, wat volgens haar op “zeer ingrijpende wijze” weegt op het budget van haar gezin;
- Overwegende dat, daargelaten de vraag of het aldus aangevoerde nadeel ernstig en moeilijk te herstellen is, niet meteen voor iedereen zonder meer duidelijk is - en door verzoekster ook niet wordt uiteengezet - waarom een schorsing, bevolen volgens de gewone procedure, haar niet voor dit nadeel, zowel op het vlak van haar carrièremogelijkheden als op financieel vlak, zou kunnen behoeden; dat de bewering van verzoekster dat de bestreden beslissingen “een cascade (...) van nefaste consequenties” zou teweegbrengen vaag is en niet onderbouwd; dat haar verwijzing naar het arrest nr. 148.318 van 25 augustus 2005 niet dienstig is, aangezien ook in die zaak de uiteenzetting door de verzoekende partij van de uiterst dringende noodzakelijkheid van de vordering, ontoereikend is bevonden; dat verzoekster overigens zelf ervan uitgaat dat ten aanzien van de “technische, menselijke en statutaire problemen” die zouden rijzen naar aanleiding van het rechtsherstel na een eventueel vernietigingsarrest, een schorsing bevolen na een gewone schorsingsprocedure soelaas zou kunnen bieden; dat zij weliswaar ook aanvoert dat aangezien de procedure tot invulling het door haar beklede mandaat reeds is aangevat, een gewone schorsingsprocedure te laat zou komen; dat evenwel de loutere omstandigheid dat inmiddels de procedure is aangevat voor het opnieuw toewijzen van het mandaat van financieel directeur, op zich het uiterst dringend karakter van de thans voorliggende vordering niet vermag te verantwoorden; dat immers niets er aan in de weg staat dat verzoekster ook het resultaat van de nieuwe toewijzingsprocedure bij de Raad van State met een beroep tot nietigverklaring en, in voorkomend geval, met een vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging zou kunnen bestrijden; dat verzoekster ten slotte ook niet uiteenzet waarom de grote verantwoordelijkheid die zij zou hebben gehad op het vlak van het opstellen van de begroting en de jaarrekeningen van de universiteit, het uiterst dringend karakter van haar vordering staaft; Overwegende dat aldus niet is voldaan aan een van de voor- waarden van artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State; dat die vaststelling volstaat om verzoeksters vordering af te wijzen, IX-5295-4/5 BESLUIT: Artikel
- De vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt verworpen. Artikel
- De kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, bepaald op 175 euro, komen ten laste van verzoekster. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op vierentwintig april 2000 en zes, door : de HH. L. HELLIN, staatsraad, wnd. kamervoorzitter, W. GEURTS, griffier. De griffier, De voorzitter, W. GEURTS. L. HELLIN. IX-5295-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.157.866 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.165.130 ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.197.205 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.