← België

Arrest 157886 - - 24/04/2006

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 24 april 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.157.886 Rolnummer: A. 109135/XIV-6170 Zaak: Arrest 157886 - - 24/04/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-05-10 Raadplegingen: 57 - laatst gezien 2026-06-30 17:58 Fiche Arrest nr 157.886 van 24 april 2006 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr.157.886 van 24 april 2006 in de zaak A.109.135/XIV-

  1. In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat K. HINNEKENS, kantoor houdende te 8500 KORTRIJK, Louis Pasteurlaan 24 tegen :
  2. de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen,
  3. de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Binnenlandse Zaken. --------------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, geboren op 9 december 1962 en van Oekraïense nationaliteit, op 17 augustus 2001 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 6 augustus 2001 tot bevestiging van de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken van 26 juni 2001 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten, naar de verzoekende partij aangetekend verstuurd op dezelfde datum; Gelet op de beschikking van 11 oktober 2001 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op het administratief dossier; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 23 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gelet op het verzoek tot voortzetting teneinde te worden gehoord van de verzoekende partij; XIV-6170-1/8 Gelet op de beschikking van 2 februari 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op woensdag 23 maart 2005 om 10.00 uur; Gehoord het verslag van Staatsraad D. MOONS; Gehoord de opmerkingen van Advocaat A. HAEGEMAN, die, loco Advocaat K. HINNEKENS, verschijnt voor de verzoekende partij, van Attaché V. HOEFNAGELS, die verschijnt voor de eerste verwerende partij en van Advocaat E. MATTERNE, die verschijnt voor de tweede verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  4. Over de feitelijke gegevens van de zaak. 1.
  5. De verzoekende partij komt België binnen op 12 juni 2001 en verklaart zich vluchteling op dezelfde datum. 1.
  6. Op 26 juni 2001 neemt de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken een beslissing tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.
  7. Op 6 augustus 2001 bevestigt de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze beslissing. De bevestigende beslissing van de Commissaris-generaal, die de bestreden beslissing uitmaakt, is als volgt gemotiveerd : “(...) Mijn beslissing is gebaseerd op de volgende motieven: U, Oekraïns staatsburger van Oekraïnse origine, verklaart in Oekraïne verscheidene problemen te hebben gekend omwille van uw geloofsovertuiging en omwille van uw toevallige aanwezigheid op een politieke meeting. U hebt op 10 juni 2001 het land verlaten, vergezeld van uw vrouw en kinderen, en bent op 12 juni 2001 in België aangekomen. U verklaart dat u zich in 1992 hebt bekeerd tot de protestants-christelijke evangelistische leer. Hierdoor kreeg u problemen op uw werk. U werd er uitgescholden en gediscrimineerd. Uiteindelijk hebt u in 1996 uw ontslag ingediend omdat u de werksituatie niet meer uithield. Ook familie en kennissen keerden zich tegen u. Uw dochter werd omwille van haar geloof slecht behandeld door haar lerares, waardoor u zich genoodzaakt zag haar in een andere school in te schrijven. Plaatselijke autoriteiten in omringende dorpen probeerden vaak de activiteiten van uw kerk te boycotten. In 1999 hebben u en uw vrouw tijdens de bevalling een kind verloren, wat volgens u te wijten is aan een doelbewuste nalatigheid van het ziekenhuispersoneel omwille van uw geloof. Op 9 maart 2001 was u toevallig aanwezig op een manifestatie ter ere van de nationale dichter Sjevtsjenko in Kiev. De manifestatie draaide echter uit op een betoging tegen de president die werd uiteengeslagen door de politie. U werd door de politie geslagen en opgepakt. Twee uur later werd u vrijgelaten. Op 13 maart 2001 werd u opgeroepen bij de politie en ondervraagd over uw politieke engagement en uw deelname aan de betoging. De politie wou echter niet geloven dat u een toevallige passant was. U werd een tweede keer opgeroepen door de politie, XIV-6170-2/8 maar u bevond zich toen niet in de stad, dus werd het verhoor uitgesteld. Op 10 of 11 mei 2001 kwam een man in burger u thuis vragen stellen over de manifestatie. Op 18 mei 2001 werd u een derde keer geconvoceerd, deze keer door de SBU (Oekraïnse Veiligheidsdienst). U werd er bedreigd, geslagen en een dag opgesloten. Nog steeds wilde men niet geloven dat u niet politiek actief was. Toen men te weten kwam dat u gelovig was, besloot men u te laten vasten en gaf men u geen eten of drinken. Toen u op 19 mei 2001 thuiskwam besloot u het land te verlaten. Er dient te worden opgemerkt dat u voor uw asielaanvraag beroep doet op twee verschillende asielmotieven, namelijk vervolging omwille van uw geloofsovertuigingen en politieke vervolging naar aanleiding van uw aanwezigheid op een demonstratie. Deze motieven staan volledig los van elkaar. Er kan immers niet gesteld worden dat u opgepakt werd op de demonstratie omwille van uw geloofsovertuiging. Wat betreft de problemen die u aanhaalt in verband met uw geloofsovertuiging dient vastgesteld te worden dat deze niet zwaarwichtig genoeg zijn om als vervolging in de zin van de Conventie van Genève beschouwd te worden. Pesterijen, beledigingen en belemmeringen van uw evangelisatiewerk zijn eerder vormen van algemene discriminatie en vallen bijgevolg niet onder de Vluchtelingenconventie. Wat betreft de dood van uw kind bij de bevalling, mogelijk(s) door de nalatigheid van het ziekenhuispersoneel, moet worden opgemerkt dat er geen duidelijke aanwijzing is dat men uw kind moedwillig liet sterven, waardoor niet onomwonden gesteld kan worden dat dit een daad van vervolging omwille van uw geloofsovertuiging is. U verklaart immers dat uw vrouw reeds eerder in de zwangerschap gewezen werd op de mogelijkheid van een misvormd of doodgeboren kind, waarbij ook het leven van uw vrouw gevaar liep. Men gaf uw vrouw toen de raad een abortus te laten plegen, maar dit heeft zij geweigerd omdat haar geloof haar dit verbood. Bovendien blijkt uit de informatie waarover het Commissariaat-generaal beschikt dat er van overheidswege geen discriminatie is in Oekraïne van mensen die één van de protestantse geloofsovertuigingen aanhangen, laat staan dat er sprake is van vervolging. Er is hooguit sprake van gelimiteerde mogelijkheden die deze religies kennen bij de uitbouw van hun organisatie door de strikte vereisten die worden opgelegd door de lokale autoriteiten (bron: Country Assessment – Ukraine, http://www.ind.homeoffice.gov.uk/default.asp?PageId=655). Aangezien er echter geen discriminatie of vervolging van individuen door de overheid bestaat, is er bijgevolg niets dat er op wijst dat betrokkene geen bescherming zou kunnen krijgen van de plaatselijke autoriteiten omwille van zijn geloofsovertuiging, indien zich zwaarwichtigere incidenten zouden voordoen. Ook wat betreft de problemen die u verklaart te hebben gekend naar aanleiding van uw vermeende politieke activiteiten dient opgemerkt te worden dat zij niet wijzen op een daadwerkelijke vervolging in de zin van de Conventie van Genève. U bent één keer aanwezig geweest op een manifestatie en werd door de politie tijdens het uiteenslaan van de betoging geslagen en aangehouden. Na twee uur werd u echter vrijgelaten. In het kader van een onderzoek bent u daarna nog enkele keren opgeroepen en één keer werd u een dag lang opgesloten, geslagen en verhoord. Uit de convocaties die u aanbrengt, blijkt echter niet dat u ergens van beschuldigd bent. Er blijkt enkel uit dat u als getuige werd opgeroepen. Niets wijst erop dat u, indien u zou beschuldigd worden, niet kan rekenen op een eerlijk proces. Bovendien lijkt het weinig waarschijnlijk dat de autoriteiten zich zoveel moeite getroosten om iemand die niet politiek actief is en die geen blijk geeft om politiek actief te worden en zodoende geen enkel politiek belang heeft, enkel omwille van zijn toevallige aanwezigheid op de manifestatie te vervolgen. Tenslotte dient erop gewezen te worden dat twee van de drie convocaties die u voorlegt niet kloppen met uw verklaringen. Zo verklaart u voor het Commissariaat-generaal dat u zich moest aanmelden bij de politie op 6 april 2001 en dat uw vrouw naar het politiebureau geweest is om te zeggen dat u niet kon komen omdat u bij uw ouders op het platteland was (CGVS, p.9). Uit de voorgelegde convocatie blijkt echter dat u zich wel degelijk op 6 april 2001 heeft aangemeld en dat u van 10 tot 11 uur als getuige verhoord bent. Verder verklaart u dat de derde convocatie volgens u van de SBU kwam (CGVS, p.9), wat geenszins door de voorgelegde convocatie wordt bevestigd. Uit de convocatie blijkt immers dat u wordt uitgenodigd op het politiekantoor en de brief is afgestempeld door de politie. Bovendien maakt geen van de convocaties melding van een concrete reden waarom u geconvoceerd bent, waardoor ze niet kunnen aantonen dat u om de door u opgegeven reden zou opgeroepen zijn. Bijgevolg kan er ernstig getwijfeld worden aan de geloofwaardigheid van uw asielrelaas. Gelet op het voorgaande kan er wat u betreft geen vermoeden van een gegronde vrees voor vervolging, zoals bedoeld in de Conventie van Genève van 28 juli 2001, worden vastgesteld. De door u in het kader van uw asielprocedure neergelegde documenten (geboorteakten, huwelijksakte, convocaties, aanbevelingsbrief van uw kerk, koopakte van uw huis, krantenartikel en pamfletten die uitgedeeld werden op de betoging) wijzigen hetgeen hiervoor werd uiteengezet niet. Wat de convocaties betreft, moet worden opgemerkt dat er aan hun authenticiteit kan getwijfeld worden, aangezien uw verklaringen, zoals hoger vermeld, niet overeenstemmen met de gegevens die erop vermeld staan. Het krantenartikel geeft enkel een beeld van de gebeurtenissen op de manifestatie, maar geeft geen enkele informatie over u. Ook de pamfletten geven geen enkele informatie over de incidenten die u zou meegemaakt hebben XIV-6170-3/8 en kunnen bijgevolg ook niet als bewijs ervoor beschouwd worden. De andere documenten tonen enkel uw identiteit aan. (...)”.
  8. Overwegende dat de verzoekende partij in het verzoekschrift aanvoert dat “zij opteert voor een kamer met drie Raadsheren”; Overwegende dat de verzoekende partij zonder enig voorbehoud te formuleren verscheen voor een kamer samengesteld uit één Staatsraad, overeenkomstig artikel 90, § 1, tweede lid, 1/ van de gecoördineerde wetten op de Raad van State; dat zij bijgevolg afstand deed van haar verzoek, dat bovendien niet werd gemotiveerd; 3.
  9. Overwegende dat de verzoekende partij ter terechtzitting afstand doet van haar verzoek tot voorlegging van de door haar gesuggereerde prejudiciële vragen aan het Arbitragehof; 3.
  10. Overwegende dat de exceptie van onontvankelijkheid opgeworpen door de eerste verwerende partij wordt verworpen; dat hiertoe wordt verwezen naar de analyse van het Auditoraatverslag op bladzijde zes; 4.
  11. Overwegende dat de verzoekende partij in een eerste middel de schending aanvoert van artikel 51/4 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet); dat zij aanvoert dat een beroep werd gedaan op een tolk Russisch-Frans bij het verhoor op het Commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen, daar waar het behoorde een tolk Russisch-Nederlands aan te wenden, nu het een Nederlandstalige procedure betreft; Overwegende dat vooreerst uit het administratief dossier niet blijkt dat de tolk, naast het Russisch, enkel de Franse taal machtig was, noch dat door de tussenkomst van de tolk de asielprocedure in een andere taal dan het Nederlands werd gevoerd, noch dat de interviewer niet begreep wat de verzoekende partij verklaarde; dat de verzoekende partij beweert, maar niet bewijst dat de tolk haar verklaringen van het Russisch naar het Frans vertaalde; dat het verhoorverslag van het Commissariaat-generaal in het Nederlands is opgesteld; dat de verzoekende partij niet bewijst dat de ondervragende ambtenaar haar verklaringen niet of foutief zou hebben begrepen; Overwegende dat aan de verzoekende partij op het einde van het interview werd gevraagd of zij opmerkingen had over het interview en of ze alles had begrepen, en of alles wel goed was verlopen, waarop de verzoekende partij antwoordde: “alles ok” (cfr. nota’s van het Commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de XIV-6170-4/8 staatlozen, bladzijde 8); dat tenslotte uit het verhoorverslag blijkt dat het verhoorverslag uitgebreid, gedetailleerd, zorgvuldig en zonder vertaalproblemen werd afgenomen; Overwegende dat het eerste middel ongegrond is; 4.
  12. Overwegende dat de verzoekende partij in een tweede middel de schending aanvoert van artikel 39, § 1, 17, § 1, 57 en 58 van de “taalwet”; Overwegende dat de verzoekende partij met de “taalwet” de gecoördineerde wetten van 18 juli 1966 op het gebruik der talen in bestuurszaken bedoelt; Overwegende dat het taalgebruik in het kader van een asielprocedure wordt geregeld door artikel 51/4 van de Vreemdelingenwet en niet door voornoemde gecoördineerde wetten; Overwegende dat het tweede middel faalt naar recht; 4.
  13. Overwegende dat de verzoekende partij in een derde middel de schending aanvoert van de artikelen 10 en 11 van de Belgische Grondwet door artikel 51/4 van de Vreemdelingenwet; Overwegende dat, vermits de Vreemdelingenwet een specifieke taalregeling inhoudt die wettig is, voornoemde artikelen van de Belgische Grondwet niet worden geschonden door voormeld artikel 51/4; Overwegende dat een derde middel faalt naar recht; 4.
  14. Overwegende dat de verzoekende partij in een vierde middel de schending aanvoert van de artikelen 10 en 11 van de Belgische Grondwet door de artikelen 39, § 1, 17, § 1, 57 en 58 van de “taalwet”; Overwegende dat het middel faalt naar recht omdat de gecoördineerde wetten van 18 juli 1966 op het taalgebruik in bestuurszaken niet toepasselijk zijn op asielaanvragen; 4.
  15. Overwegende dat de verzoekende partij in een vijfde middel de schending aanvoert van het motiveringsvereiste; Overwegende dat het middel niet wordt betrokken op de bestreden beslissing en het probleem van de tolk opnieuw ter sprake brengt; dat het probleem werd beantwoord naar aanleiding van het antwoord op het eerste middel; XIV-6170-5/8 Overwegende dat het vijfde middel faalt naar recht; 4.
  16. Overwegende dat de verzoekende partij in een zesde middel de schending aanvoert van het motiveringsvereiste; Overwegende dat volgens een constante rechtspraak van de Raad van State noch artikel 6 van het E.V.R.M., noch artikel 149 van de Belgische Grondwet dienstig kunnen worden aangevoerd in asielzaken; Overwegende dat de bestreden beslissing de twee asielmotieven van de verzoekende partij grondig en gedetailleerd onderzoekt; dat het gaat om het motief in verband met de geloofsovertuiging van de verzoekende partij en om het motief betreffende haar eenmalige aanwezigheid op een zogeheten politieke demonstratie; dat het gevoerde onderzoek wordt bevestigd door de gegevens van het administratief dossier en dat de conclusie van het onderzoek, met name dat de verzoekende partij geen vermoeden van een gegronde vrees voor vervolging in de zin van het Internationaal Verdrag betreffende de status van vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951 (Vluchtelingenconventie) kan doen gelden, gemotiveerd wordt door het ontbreken van discriminatie van overheidswege in Oekraïne van mensen die één van de protestantse geloofsovertuigingen aanhangen en door het eenmalig karakter van voornoemde deelname aan een manifestatie; dat in de bestreden beslissing gedetailleerd wordt ingegaan op het ontbreken van het causaal verband tussen voornoemde asielmotieven; dat de Raad van State voor het overige verwijst naar het gedetailleerde antwoord van de eerste verwerende partij op dat middel, dat bij deze als uitdrukkelijk herhaald wordt beschouwd (Cfr. bladzijde 4 en bladzijde 5 van de memorie van antwoord van de eerste verwerende partij); Overwegende dat wat voorafgaat eveneens geldt voor de echtgenote van de verzoekende partij in de zaak met het nummer G/A 109.137/XIV-6172; Overwegende dat het zesde middel ongegrond is; 4.
  17. Overwegende dat de verzoekende partij in een zevende middel de schending aanvoert van artikel 52, juncto artikel 63/2 en 63/3 van de Vreemdelingenwet; Overwegende dat de verzoekende partij in een eerste onderdeel de bestreden beslissing weergeeft, wat volkomen nutteloos is, vermits dat onderdeel geen middel inhoudt; Overwegende dat in een tweede onderdeel wordt aangevoerd dat de bestreden beslissing ten gronde heeft geoordeeld in de ontvankelijkheidsfase van de asielprocedure; XIV-6170-6/8 Overwegende dat de verzoekende partij een gedetailleerd, coherent en geloofwaardig relaas dient mee te delen aan de asielinstanties in de ontvankelijkheidsfase van deze procedure; dat de asielinstanties de waarachtigheid van het relaas mogen toetsen aan de verschillende verklaringen van de asielzoeker afgelegd voor de Dienst Vreemdelingenzaken en voor het Commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen; dat de asielinstanties zich tevens mogen baseren op objectieve informatiebronnen betreffende het land van herkomst om de waarachtigheid van het asielrelaas van de verzoekende partij te toetsen; dat wat voorafgaat gebeurt in de ontvankelijkheidsfase van de asielprocedure; dat de bestreden beslissing de terzake geldende wettelijke bepalingen heeft nageleefd en correct heeft toegepast; Overwegende dat het zevende middel ongegrond is; 4.
  18. Overwegende dat de verzoekende partij in een achtste middel de schending aanvoert van artikel 1 van het Verdrag van Genève en van de artikelen 48 en 49, 50, 52, 57/6 en 63/2 van de Vreemdelingenwet; Overwegende dat het achtste middel een haast letterlijke weergave is van het zesde middel, zodat voor een antwoord op het achtste middel wordt verwezen naar het antwoord op het zesde middel; Overwegende dat het achtste middel ongegrond is, XIV-6170-7/8 BESLUIT: Artikel
  19. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  20. De kosten van het beroep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op vierentwintig april tweeduizend en zes, door : de H. D. MOONS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. A. DE SMET, griffier. De griffier, De voorzitter, A. DE SMET. D. MOONS. XIV-6170-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.157.886 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.