← België

Arrest 157902 - - 25/04/2006

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 25 april 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.157.902 Rolnummer: A. 168418/X-12603 Zaak: Arrest 157902 - - 25/04/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-04-27 Raadplegingen: 54 - laatst gezien 2026-06-30 18:00 Fiche Arrest nr 157.902 van 25 april 2006 - Beslissing : Verwerping Inwilliging tussenkomst Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 157.902 van 25 april 2006 in de zaak A. 168.418/X-12.

  1. In zake :
  2. de VERENIGING VAN MEDE-EIGENAARS VAN RESIDENTIE KIANA,
  3. Nico LUTEYN,
  4. Brigitte D’HONDT-VAN PETEGHEM,
  5. René HELSMOORTEL,
  6. Rik GHEKIERE, die woonplaats kiezen bij Advocaat K. BOUVE, kantoor houdende te 8420 DE HAAN, Mezenlaan 9 tegen :
  7. de stad BRUGGE, die woonplaats kiest bij Advocaat A. LUST, kantoor houdende te 8200 SINT-ANDRIES-BRUGGE, Burggraaf de Nieulantlaan 14,
  8. het VLAAMSE GEWEST, dat woonplaats kiest bij Advocaat Y. FRANÇOIS, kantoor houdende te 8790 WAREGEM, Eertbruggestraat
  9. tussenkomende partij : de vzw KATHOLIEKE HOGESCHOOL BRUGGE-OOSTENDE (KHBO), die woonplaats kiest bij Advocaat B. STAELENS, kantoor houdende te 8000 BRUGGE, Stockhouderskasteel, Gerard Davidstraat 46 bus
  10. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE Xe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat de vereniging van mede-eigenaars van Residentie KIANA, Nico LUTEYN, Brigitte D’HONDT-VAN PETEGHEM, René HELSMOORTEL en Rik GHEKIERE op 7 december 2005 hebben ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van het besluit van 23 september 2005 van het College van burgemeester en schepenen van de stad Brugge, waarbij aan de vzw Katholieke Hogeschool Brugge-Oostende de stedenbouwkundige vergunning wordt verleend voor "de nieuwbouw van een X-12.603-1/5 hogeschoolcampus (met naar schatting 2.300 studenten en 251 personeelsleden), met conciërgewoning en terreinaanleg op de vroegere gronden van de Xaverianen", op een perceel gelegen tussen de Xaverianenstraat, de Expresweg N31, de Koningin Astridlaan en de Amazonestraat, kadastraal bekend sectie A, nr. 374c; Gezien de nota van de verwerende partijen; Gezien het verslag opgemaakt door Auditeur T. DE WAELE; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; Gelet op de beschikking van 10 februari 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 10 maart 2006; Gehoord het verslag van Staatsraad J. BOVIN; Gehoord de opmerkingen van Advocaat K. BOUVE en B. VERMEERSCH die verschijnen voor de verzoekende partijen, van Advocaat A. LUST die verschijnt voor de eerste verwerende partij, van Advocaat Y. FRANÇOIS die verschijnt voor de tweede verwerende partij en van Advocaat B. STAELENS die verschijnt voor de tussenkomende partij; Gehoord het eensluidend advies van Auditeur T. DE WAELE; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat vzw Katholieke Hogeschool Brugge-Oostende met een verzoekschrift van 27 december 2005 heeft gevraagd om in het administratief kort geding te mogen tussenkomen; dat er grond is om het verzoek in te willigen; Overwegende, wat de tijdigheid van de vordering betreft, dat verzoekende partijen stellen dat, nadat zij middels een brief van 27 september 2005 door de verwerende partij op de hoogte waren gebracht van het gevolg dat aan hun bezwaren werd gegeven en van het feit dat de betrokken stedenbouwkundige vergunning op 23 september 2005 aan de vzw KHBO werd verleend, vijfde verzoekende partij na overleg met de overige verzoekende partijen op 7 oktober 2005 X-12.603-2/5 aan de verwerende partij een vraag tot inzage/afschrift van de bestreden beslissing en van het administratief dossier heeft gericht, dat zij in de persoon van de vijfde verzoekende partij met een brief van 19 oktober 2005 een afschrift van de gevraagde documenten mochten ontvangen, dat zij aldus voldoende waakzaamheid en de nodige diligentie aan de dag hebben gelegd om binnen een redelijke termijn kennis te nemen van de inhoud van de bestreden beslissing en van het administratief dossier waarop de bestreden beslissing is gesteund, dat strikt genomen 19 oktober 2005, zijnde de datum van de brief waarbij een afschrift van de bestreden beslissing aan hen werd bezorgd als aanvang van de termijn dient te worden beschouwd, dat het verzoek tot schorsing derhalve tijdig werd ingediend; Overwegende dat de eerste verwerende partij, de tweede verwerende partij en de tussenkomende partij een exceptie van onontvankelijkheid ratione temporis opwerpen, dat de eerste verwerende partij stelt dat de verzoekende partijen erkennen "dat zij met een brief van 27 september 2005 kennis hebben gekregen én van de redenen waarom hun bezwaren werden afgewezen (...) én van het verlenen van een vergunning in zitting van het college van 23 september 2005 (...)", dat er mag worden van uitgegaan dat de infobrief de verzoekers op 28 september 2005 heeft bereikt, dat zij vanaf die dag niet alleen wisten om welke precieze redenen hun bezwaren waren afgewezen -en mitsdien de vergunning werd verleend-, maar dat zij ook in de mogelijkheid verkeerden om ten gemeentehuize kennis te nemen van de vergunning en van het administratief dossier, dat de termijn om een vordering tot schorsing en een beroep tot nietigverklaring in te stellen aldus verstreek op 27 november 2005, dat verzoekers er verkeerdelijk van uitgaan dat zij niet gebonden zijn door de wettelijke termijn van zestig dagen nadat zij kennis hebben gekregen van de bestreden vergunning, maar dat zij beschikken over een niet nader bepaalde en door henzelf in te vullen "redelijke termijn" om bij het bestuur inzage en/of afschrift te vragen en te bekomen van de bestreden handeling, wat hen moet toelaten om met meer gemak en comfort hun annulatieberoep voor te bereiden, dat uit de eigen toelichting van verzoekers moet blijken dat geen van hen meteen van de inzagemogelijkheid onmiddellijk na de kennisgeving van 27 september 2005 gebruik heeft gemaakt, dat enkel de vijfde verzoekende partij een schriftelijke vraag tot "inzage en/of afschrift van het dossier" heeft gericht aan verwerende partij, met welke vraag zij dan nog heeft gewacht tot 7 oktober 2005, dat de verwerende partij die vraag heeft beantwoord op 19 oktober 2005, dat de verzoekers er van uitgaan dat zij zestig dagen hebben na het antwoord van de verwerende partij om een tijdig beroep tot nietigverklaring in te dienen, dat die zienswijze kennelijk onwettig is en in strijd X-12.603-3/5 is met artikel 4 van het procedurereglement van 23 augustus 1948, dat zij het beroep tot nietigverklaring op 7 december 2005 hebben ingediend, dat tussen 28 september 2005 en 7 december 2005 zeventig dagen zijn verstreken, dat het beroep derhalve laattijdig is, dat de tweede verwerende partij en de tussenkomende partij de exceptie van de eerste verwerende partij bijtreden; Overwegende dat stedenbouwkundige vergunningen noch bekendgemaakt, noch aan derden betekend dienen te worden; dat voor derden belanghebbenden de in artikel 4 van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling administratie van de Raad van State bepaalde termijn van zestig dagen ingaat met de dag waarop zij kennis hebben van de vergunning; dat die termijn alleszins niet begint te lopen de dag dat de belanghebbende kennis krijgt van het grievend karakter van de vergunning; Overwegende dat uit de niet betwiste gegevens van de zaak blijkt dat de stad Brugge op 27 september 2005 volgend schrijven aan de verzoekende partijen heeft gestuurd : "Hierbij delen wij u mee dat het College van Burgemeester en Schepenen in zitting van 2.09.2005 beslist heeft alle bezwaarschriften, ingediend naar aanleiding van het openbaar onderzoek dat met betrekking tot bovenvermelde aanvraag werd georganiseerd, onontvankelijk en ongegrond te verklaren. Als bijlage vindt u een uittreksel uit het proces-verbaal van de desbetreffende zitting van het College van Burgemeester en Schepenen, waarin een uitvoerige uiteenzetting van het standpunt van ons bestuur omtrent de diverse bezwaren en opmerkingen is opgenomen. (...) Het College van Burgemeester en Schepenen besliste tenslotte in zitting van 23.09.2005 de betreffende stedenbouwkundige vergunning aan vzw Katholieke Hogeschool Brugge Oostende af te leveren."; dat aldus blijkt dat verzoekers, die de bouwaanvraag van bij het begin hebben opgevolgd, op dat ogenblik wisten om welke redenen hun bezwaren waren afgewezen en dat de stedenbouwkundige vergunning voor "de nieuwbouw van een hogeschoolcampus, met conciërgewoning en terreinaanleg op de vroegere gronden van de Xaverianen" was verleend; dat de termijn van 60 dagen om een vordering tot schorsing in te stellen op dat ogenblik is beginnen lopen en niet het ogenblik waarop de verzoekende partijen kennis hebben genomen van de brief van 19 oktober 2005 waarbij een afschrift van de stedenbouwkundige vergunning aan de vierde verzoeker werd verstuurd; dat het verkrijgen van een afschrift van de stedenbouwkundige vergunning geen noodzakelijke vereiste is voor de aanvang van de beroepstermijn; dat de vordering tot schorsing is ingesteld op 7 december 2005, d.i. alleszins meer X-12.603-4/5 dan 60 dagen nadat verzoekers kennis hadden van de bestreden stedenbouwkundige vergunning; dat de vordering tot schorsing laattijdig is; dat de exceptie van onontvankelijkheid gegrond is; BESLUIT: Artikel
  11. Het verzoek tot tussenkomst van vzw Katholieke Hogeschool Brugge-Oostende in de vordering tot schorsing wordt ingewilligd. Artikel
  12. De vordering tot schorsing wordt verworpen. Artikel
  13. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. De kosten van de tussenkomst in de schorsingsprocedure, bepaald op 125 euro, komen ten laste van de tussenkomende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op vijfentwintig april 2006, door : de H. J. BOVIN, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. J.CAMU, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, J. CAMU. J. BOVIN. X-12.603-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.157.902 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.192.864 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.