← België

Arrest 157924 - Openbaar ambt van Gemeenschappen en Gewesten - Aanwerving en loopbaan - 25/04/2006

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 25 april 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.157.924 Rolnummer: A. 172108/IX-6394 Zaak: Arrest 157924 - Openbaar ambt van Gemeenschappen en Gewesten - Aanwerving en loopbaan - 25/04/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-04-28 Raadplegingen: 60 - laatst gezien 2026-06-30 18:02 Fiche Arrest nr 157.924 van 25 april 2006 Openbaar ambt - Openbaar ambt van Gemeenschappen en Gewesten - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 157.924 van 25 april 2006 in de zaak A. 172.108/XII-4705. In zake : Cecilia VAN HUMBEECK, wonende te Puurs, Alfons Coolsstraat 24 tegen : de VLAAMSE GEMEENSCHAPSCOMMISSIE, die woonplaats kiest bij advocaten P. De Maeyer en T. Vandenput, kantoor houdende te 1160 Brussel, Tedescolaan 7. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Cecilia Van Humbeeck op 14 april 2006 heeft ingediend om bij uiterst dringende noodzakelijkheid de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van “het besluit nr. 06/86, dd. 21 februari 2006, van het College van de Vlaamse Gemeenschapscommissie van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, waarbij er geen kandidaten worden opgenomen in een algemeen wervingsbestand voor het vergelijkend loopbaanexamen voor adjunct van de directeur (niveau A), bij de administratie van de Vlaamse Gemeenschaps- commissie van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, voor zover dit besluit gebaseerd is op het procesverbaal van de examenjury, dd. 26 januari 2006, betreffende de mondelinge proef van het algemeen examengedeelte en op het gedeelte, omtrent het mondeling examen van Cecile Van Humbeeck, van het eindprocesverbaal van de examenjury betreffende het loopbaanexamen voor overgang naar niveau A, dd. 26 januari 2006”; Gezien de nota van de verwerende partij; Gelet op de beschikking van 19 april 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 24 april 2006, om 14.00 uur; Gehoord het verslag van staatsraad J. Lust; XII-4705-1/5 Gehoord de opmerkingen van verzoekster, en van advocaat P. De Maeyer, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur B. Thys; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat het college van de Vlaamse Gemeenschapscommissie op 19 mei 2005 en 14 juli 2005 beslist tot de organisatie van een vergelijkend loopbaanexamen (bevordering) om een wervingsbestand aan te leggen voor adjunct van de directeur (niveau A); dat het vergelijkend loopbaanexamen uit een algemeen en een bijzonder gedeelte bestaat; dat, blijkens het proces-verbaal van 16 januari 2006 van de examenjury, twee kandidaten, onder wie verzoekster, slagen in het algemeen -schriftelijk- gedeelte; dat volgens het proces- verbaal van 26 januari 2006 van de jury geen van beiden slaagt in het bijzonder - mondeling- gedeelte; dat in het eindproces-verbaal van dezelfde dag wordt geconcludeerd dat “[g]een van de kandidaten is geslaagd in het vergelijkend loopbaanexamen voor adjunct van de directeur”; dat op 21 februari 2006 het college van de Vlaamse Gemeenschapscommissie besluit geen kandidaten op te nemen in een algemeen wervingsbestand voor het vergelijkend loopbaanexamen voor adjunct van de directeur (niveau A); Overwegende dat krachtens artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid kan worden besloten onder de drievoudige voorwaarde dat een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is, dat ernstige middelen worden aangevoerd die de nietigverklaring van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; Overwegende, met betrekking tot de eerste voorwaarde, dat verzoekster uiteenzet wat volgt : “Het feit dat de administratie van de Vlaamse Gemeenschapscommissie einde maart 2006 reeds een aantal stappen heeft gezet om de thans reële vacature(

  1. s)voor adjunct van de directeur in te vullen met geslaagden van een XII-4705-2/5 wervingsexamen, wat een onomkeerbare aantasting van de rechten van Cecile Van Humbeek inhoudt, verantwoordt de uiterst dringende noodzakelijkheid”; Overwegende dat de verwerende partij in de nota onder andere opmerkt : “Uit de concrete omstandigheden van onderhavige zaak blijkt dat de termijn die de verzoekende partij heeft nodig gehad tussen de kennisname van de beslissing (medegedeeld bij schrijven van 23 februari 2006) en de neerlegging van het verzoekschrift op 14 april 2006 als de negatie zelf van het begrip uiterst dringende noodzakelijkheid dient te worden beschouwd”; Overwegende dat de uiterst dringende noodzakelijkheid waarvan verzoekster met het oog op een schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid moet doen blijken, niet louter wordt afgemeten naar de inherente, intrinsieke hoogdringendheid van de zaak, maar ook naar de houding die zij zelf in verband ermee aanneemt; dat wie claimt dat er van een uiterst dringende noodzakelijkheid sprake is, zich daarnaar moet gedragen, op straffe van ongeloofwaardig te zijn; Overwegende dat verzoekster, getuige haar stuk 3, reeds met een brief van 23 februari 2006 ervan werd ingelicht dat het college op 21 februari 2006 besloot tot de niet-samenstelling van een wervingsbestand voor het vergelijkend loopbaanexamen voor adjunct van de directeur (niveau A), evenals van de resultaten die zij behaalde in de schriftelijke en mondelinge proef; dat zij pas meer dan anderhalve maand nadien de onderhavige vordering instelt; dat een dergelijk tijdsinterval in principe onverenigbaar is met het bestaan van een uiterst dringende noodzakelijkheid, en er zelfs de negatie van is; dat de omstandigheid dat verzoekster geen juriste is, voor dat grote tijdsinterval geen geldig excuus vormt; dat dringende omstandigheden een dito optreden vergen, en dat wanneer een dringend optreden geboden is en de verzoekster daar niet zelf toe in staat is, zij de nodige bijstand dient te zoeken; dat niet aan de eerste van de cumulatieve grondvoorwaarden voor een schorsing voldaan is; Overwegende, met betrekking tot de derde voorwaarde, dat verzoekster in wezen een dubbel nadeel doet gelden; dat zij in de eerste plaats aanvoert dat de weigering om haar geslaagd te verklaren belet dat zij bevorderd wordt van een graad in niveau B naar de graad van adjunct van de directeur in rang A1, hetgeen haar “een ernstig en moeilijk te herstellen nadeel in haar loopbaan XII-4705-3/5 [berokkent], zowel in haar administratieve als in haar geldelijke loopbaan”; dat zij in de tweede plaats doet gelden dat het nog minstens twee jaar zal duren voor er opnieuw een vergelijkend loopbaanexamen wordt georganiseerd, dat een nieuw examen bij een eventueel gebrek aan vacatures zelfs veel langer kan uitblijven, dat zodoende haar kansen op bevordering naar een graad van een hoger niveau, mede gelet op haar leeftijd, almaar kleiner worden, hetgeen ook haar pensioenrechten kan schaden; Overwegende dat de verwerende partij in de nota onder meer tegenwerpt dat uit verzoeksters uiteenzetting “bezwaarlijk meer dan een aantal vaagheden en algemeenheden [kan] worden afgeleid” en dat het “geenszins” vaststaat dat zij twee jaar zal moeten wachten alvorens een nieuwe kans te krijgen; Overwegende dat verzoekster ten gevolge van de bestreden beslissing niet in aanmerking komt om tot adjunct van de directeur bevorderd te worden; dat dit haar in de ontwikkeling van haar carrière hindert; dat die hinder slechts een schorsing kan verantwoorden in zoverre hij een moeilijk te herstellen ernstig nadeel dreigt teweeg te brengen; dat verzoekster wel beweert dat zulks het geval is, maar het op geen enkele wijze toelicht en aannemelijk maakt; Overwegende dat overigens verwerende partij blijkbaar op geregelde tijden nieuwe examens pleegt in te richten; dat verzoekster, die thans 53 jaar is, alzo nog nieuwe kansen zal krijgen om te slagen in het loopbaanexamen voor adjunct van de directeur; dat in zoverre verzoekster suggereert dat een volgend examen wel eens heel lang op zich kan laten wachten, zij niet meer dan een loutere hypothese oppert die door niets gestaafd wordt; Overwegende dat verzoekster niet met een minimum aan precieze en overtuigende gegevens aantoont dat de bestreden beslissing zodanig de verdere evolutie van haar loopbaan belemmert dat zij er een ernstig en moeilijk te herstellen nadeel door dreigt te lijden; dat evenmin aan de derde cumulatieve grondvoorwaarde voor een schorsing is voldaan, XII-4705-4/5 BESLUIT: Artikel 1. De vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt verworpen. Artikel 2. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt uitgesteld. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op vijfentwintig april 2006, door : de HH. J. LUST, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, F. BONTINCK, griffier. De griffier, De voorzitter, F. BONTINCK. J. LUST. XII-4705-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.157.924 Gerelateerde publicatie(
  2. s)gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.201.863 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.