← België

Arrest 157953 - - 26/04/2006

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 26 april 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.157.953 Rolnummer: A. 143475/XIV-17388 Zaak: Arrest 157953 - - 26/04/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-05-10 Raadplegingen: 54 - laatst gezien 2026-06-30 18:02 Fiche Arrest nr 157.953 van 26 april 2006 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 157.953 van 26 april 2006 in de zaak A. 143.475/XIV-17.388. In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat S. SOTTIAUX, kantoor houdende te 1060 BRUSSEL, Henri Wafelaertstraat 47-51 bus 1 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, geboren op 26 april 1966 en van Angolese nationaliteit, op 3 november 2003 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 25 juli 2003 waarbij de aanvraag om machtiging tot verblijf in toepassing van artikel 9, derde lid, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet), onontvankelijk wordt verklaard, en van het bevel van de minister van Binnenlandse Zaken van 6 oktober 2003 om het grondgebied van het Rijk te verlaten, beide beslissingen aan de verzoekende partij ter kennis gebracht op 6 oktober 2003; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissingen; Gelet op de beschikking van 3 december 2003 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op de artikelen 4 en 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemde- lingen; Gezien de nota van de verwerende partij; XIV-17.388-1/9 Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, d.d. 25 augustus 2005, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dat verslag aan de partijen; Gelet op de beschikking van 16 januari 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op woensdag 22 maart 2006 om 10.00 uur; Gehoord het verslag van Staatsraad Ch. BAMPS; Gehoord de opmerkingen van Advocaat S. SOTTIAUX, die verschijnt voor de verzoekende partij, en van Advocaat C. DECORDIER die, loco Advocaat E. MATTERNE, verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Auditeur M. VAN LIMBERGEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; 1. Overwegende dat de voornaamste gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.1. De verzoekende partij komt België binnen op 13 december 1990 en verklaart zich vluchteling op 18 december 1990 onder de valse naam “M. D.”. Op 29 juni 1993 wordt de verzoekende partij onder deze identiteit erkend als vluchteling, zij ontvangt op 29 juli 1993 een vluchtelingengetuigschrift. 1.2. Op 8 juli 1993 verklaarde de verzoekende partij zich vluchteling, onder de naam XXX. Op 5 april 1995 werd de verzoekende partij onder deze naam erkend als vluchteling. De verzoekende partij verklaarde gehuwd te zijn met de heer J. M., een op 23 maart 1992 erkende vluchteling van Angolese nationaliteit. 1.3. Naar aanleiding van politiecontroles op 5 september 1996 en op 30 oktober 1996, blijkt dat “M. D.” en XXX dezelfde persoon is. 1.4. Op 19 augustus 1998 diende de verzoekende partij onder de naam “M. D.” een aanvraag in om machtiging tot vestiging. XIV-17.388-2/9 1.5. Uit een brief van 7 september 1998 gericht aan de Dienst Vreemdeling- enzaken blijkt dat de verzoekende partij, handelend als XXX, een naturalisatieaanvraag heeft ingediend. 1.6. Op 18 december 1998 stelt de Dienst Vreemdelingenzaken vast dat XXX en “M. D.” dezelfde persoon is. 1.7. De aanvraag om machtiging tot vestiging van “M. D.” wordt op 29 december 1998 verworpen door de minister van Binnenlandse Zaken. 1.8. Op 25 februari 1999 neemt de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen de beslissing tot intrekking van het statuut van vluchteling van zowel XXX als van “M. D.”. Deze beslissing wordt op 8 november 1999 bevestigd door de Vaste Beroepscommissie voor Vluchtelingen. 1.9. Op 4 juni 1999 dient de verzoekende partij als XXX een aanvraag in om machtiging tot vestiging. Op 27 oktober 1999 verwerpt de minister van Binnenlandse Zaken deze aanvraag. 1.10. Op 19 mei 2000 dient de verzoekende partij als XXX bij de burgemees- ter van Vilvoorde een aanvraag in tot het verkrijgen van de Belgische nationaliteit door nationaliteitsverklaring. 1.11 Op 30 augustus 2002 dient de verzoekende partij een aanvraag in om machtiging tot voorlopig verblijf op basis van artikel 9, derde lid, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet). 1.12. Op 25 juli 2003 neemt de minister van Binnenlandse Zaken de beslissing waarbij deze aanvraag onontvankelijk wordt verklaard. Deze beslissing wordt op 6 oktober 2003 aan de verzoekende partij ter kennis gebracht. Dit is de eerste bestreden beslissing, die luidt als volgt: “(...) De buitengewone omstandigheden, bedoeld bij art. 9§3 zijn deze die verzoeker verhinderen de aanvraag in te dienen bij de daartoe bevoegde diplomatieke vertegenwoordiging. Echter, de motieven die betrokkene inroept, te weten: dat betrokkene gehuwd is met een gevestigde en art.8 EVRM. Dit artikel wordt niet geschonden daar het ingrijpen in het familieleven toegestaan is wanneer dit bij de wet (in casu de vreemdelingenwet) voorzien is en in een democratische samenleving vereist is in het belang van ‘s lands veiligheid, de openbare veiligheid, het economisch welzijn van het land, de bescherming van de openbare orde en het voorkomen van strafbare feiten (illegaal verblijf is een strafbaar feit), de bescherming van de gezondheid en de goede zeden of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen. Er zijn bijgevolg geen buitengewone omstandigheden die de aanvraag in België kunnen rechtvaardigen. XIV-17.388-3/9 Bijgevolg dient de vreemdeling: gevolg te geven aan het bevel om het grondgebied te verlaten hem op heden betekend. (...).” 1.13. Op 6 oktober 2003 wordt aan de verzoekende partij een bevel ter kennis gebracht om het grondgebied van het Rijk te verlaten. Dit is de tweede bestreden beslissing, waarvan de motieven luiden als volgt: “REDEN VAN DE BESLISSING: -art 7 al 1-1 “verblijft langer in het Rijk zonder houder te zijn van de binnenkomstdocumen- ten: geen nationaal paspoort, geen visum - art 7 al 1-3 “door haar gedrag wordt zij geacht de openbare orde geschaad te hebben: er werden frauduleuze elementen in de asielprocedure gebruik, waardoor zij 2-maal erkend werd als politieke vluchtelinge, onder verschillende identiteiten.” 2. Overwegende dat de verzoekende partij een enig middel aanvoert, dat als volgt luidt: “4.1. Enig middel: schending van de materiële motiveringsplicht en artikel 8 van het EVRM (

  1. a)Algemeen 15. Overeenkomstig een vaste rechtspraak van uw Raad dient iedere beslissing van het bestuur op motieven te berusten die in feite en in rechte aanwezig moeten zijn, en die bovendien pertinent moeten zijn en de beslissing moeten verantwoorden (cf. R.v.St., Van Bladel, nr. 37.043 van 22 mei 1991). (
  2. b)Toepassing in casu 16. De bestreden beslissing van de Dienst Vreemdelingenzaken is als volgt gemotiveerd: ‘De buitengewone omstandigheden, bedoeld bij art. 9§3 zijn deze die verzoeker verhinderen de aanvraag in te dienen bij de daartoe bevoegde diplomatieke vertegenwoordiging. Echter, de motieven die betrokkene inroept, te weten: dat betrokkene gehuwd is met een gevestigde en art. 8 EVRM. Dit artikel wordt niet geschonden daar het ingrijpen in het familieleven toegestaan is wanneer dit bij wet (in casu de vreemdelingenwet) voorzien is en in een democratische samenleving vereist is in het belang van 's lands veiligheid, de openbare veiligheid, het economisch welzijn van het land, de bescherming van de openbare orde en het voorkomen van strafbare feiten (illegaal verblijf is een strafbaar feit), de bescherming van de gezondheid en de goede zeden of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen. Er zijn bijgevolg geen buitengewone omstandigheden die de aanvraag in België kunnen rechtvaardigen.' (stuk 4). 17. Deze motivering verantwoordt de bestreden beslissing niet op afdoende wijze aangezien zij niet meer is dan een louter abstracte en vormelijke stijlformule. Als antwoord op de stelling van de verzoekende partij dat een verplichting om het grondgebied te verlaten een schending zou uitmaken van het recht op eerbiediging van het gezinsleven opgenomen in artikel 8 van het EVRM, geeft de Dienst Vreemdelingezaken niet meer dan een weergave van de beperkingsclau- sule van artikel 8 § 2 van het EVRM. In de bestreden beslissing wordt echter nergens concreet aangetoond of en waarom de inmenging in het recht op eerbiediging van het gezinsleven noodzakelijk zou zijn in een democratische samenleving. Het argument dat het illegaal verblijf een strafbaar feit is, komt neer op een cirkelredenering, aangezien net de illegaliteit van het verblijf wordt aangevochten als zijnde in strijd met artikel 8 van het EVRM. De grond 'het voorkomen van strafbare feiten' in de tweede paragraaf van artikel 8 van het EVRM kan uiteraard niet betekenen dat een strafbaarstelling van een inmenging in het recht op gezinsleven zou volstaan om deze inmenging te rechtvaardigen. 18. In dit verband moet worden gewezen op de rechtspraak van uw Raad waaruit blijkt dat bij de toepassing van artikel 8 van het EVRM in het kader van het vluchtelingencontentieux steeds in concreto moet worden afgewogen of er evenredigheid bestaat tussen de motieven van de verwijderingsmaatregel en de door die maatregel veroorzaakte inmenging in het ongestoord genot van het gezinsleven. In het arrest van uw Raad van 12 februari 1987 werd dit als volgt verwoord: 'Overwegende dat luidens artikel 8, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden 'eenieder recht heeft op eerbiediging van zijn privé-leven, zijn gezinsleven en zijn briefwisseling', dat luidens het tweede lid van dat artikel 'geen inmenging van enig openbaar gezag is toegestaan met betrekking tot de uitoefening van dit recht dan voor zover bij de wet is voorzien en in een democratische samenleving nodig XIV-17.388-4/9 is in het belang van 's lands veiligheid of het economisch welzijn van het land, de bescherming van de openbare orde en het voorkomen van strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden, of voor de bescherming van de rechten van anderen',dat hieruit volgt dat de overheid, die de uitzetting of de uitwijzing overweegt van een vreemdeling waarvan vaststaat dat hij met zijn gezin in België verblijft, dient na te gaan of de noodzaak om in een democratis- he samenleving de openbare orde, de openbare veiligheid, enz. te beschermen door een maatregel van verwijdering uit het land, opweegt tegen het door artikel 8 E.V.R.M. gewaarborg- de recht op een ongestoord -gezinsleven. m.a.w. de overheid dient af te wegen of er evenredigheid bestaat tussen de motieven van de verwijderingsmaatregel en de door die maatregel veroorzaakte ontwrichting van het gezin van de betrokken vreemdeling.' (R.v.St., Dogan en Liouskos, nr. 27.538 en 27.539, 12 februari 1987). 19. In casu moet worden vastgesteld dat niet aan deze verplichting werd voldaan. Nergens in de bestreden beslissing werd immers onderzocht of de noodzaak om in een democratishe samenleving de openbare orde, de openbare veiligheid, enzovoort te beschermen, opweegt tegen het door artikel 8 van het EVRM gewaarborgde recht op een ongestoord gezinsleven. Laat staan dat er in de bestreden beslissing zou zijn afgewogen of er in casu evenredigheid bestaat tussen de motieven van de weigering van het verzoek om machtiging tot verblijf en de door die weigering veroorzaakte ontwrichting van het gezin van de verzoekende partij. 20. Uit hetgeen vooraf gaat dient dan ook te worden besloten dat de bestreden beslissing een schending uitmaakt van de materiële motiveringsplicht en artikel 8 van het EVRM.” 2.1. Overwegende dat de verwerende partij in de nota als volgt repliceert: “Er wordt een enig middel geput uit de schending van artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden ( Rome 4.11.1950), doordat haar gezinsleven zou worden verstoord. De verwerende partij heeft de eer daarop te antwoorden door te verwijzen naar de rechtspraak van de Raad van State als volgt in extenso weergegeven: " Overwegende dat de verzoekende partij ook de schending aanvoert van artikel 8 E.V.R.M. Overwegende dat de verdragsverenigbaarheid van de bestreden beslissing moet worden beoordeeld op het ogenblik waarop deze wordt opgelegd; dat uit de hiervoor toegelichte feiten blijkt dat op dat ogenblik het op 14 september 1992 te Midas (Marokko) gesloten huwelijk met de Belgische vernietigd was; dat verzoekende partij op dat ogenblik vader is van een minderjarig kind .. dat de Belgische nationaliteit heeft 1 Overwegende dat het: begrip " gezinsleven' in artikel 8 van het verdrag van 4 november 1950 tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, een autonoom begrip is, dat onafhankelijk van het nationale recht moet worden geïnterpreteerd Dat, verwijzend naar de rechtspraak van het Europees Hof van de Rechten van de Mens zie o.m. het arrest van 7 augustus 1996 inzake C t België - Publ. Cour Eur. D.H., 1996, Vol. III, 915, overw. 25), het begrip ' gezin ' uit artikel 8 EVRM, de band insluit tussen een ouder en zijn kind, ongeacht of dit kind wettig dan wel natuurlijk is en ongeacht of belden al dan niet samenwonen; dat alhoewel deze band kan worden verbroken door latere gebeurtenissen, dit slechts geldt in uitzonderlijke omstandigheden; dat uit het dossier geen gegevens blijken die doen besluiten dat te dezen deze uitzonderlijke omstandigheden voorhanden zijn, dat derhalve het bevel om het grondgebied te verlaten zich laat ontleden als een inmenging van het openbaar gezag in het gezinsleven van de verzoekende partij in de zin van artikel 8, eerste lid, EVRM. Overwegende evenwel dat het genoemde artikel 8 EVRM in het tweede lid een aantal beperkingsgronden aangeeft met betrekking tot de uitoefening van het in het eerste lid bepaalde recht; dat de inmenging van het openbaar gezag in het gezinsleven immers is toegestaan voor zover dit bij wet is voorzien, één van de in het tweede lid opgesomde legitieme doelen nastreeft en nodig is in een democratische samenleving. Overwegende dat, wat de eerste voornoemde voorwaarde betreft wordt, niet kan worden betwist dat het bestreden bevel om het grondgebied te verlaten bij de wet is voorzien, m.n. in artikel 7 van de vreemdelingenwet; dat overigens uit het ongegrond bevinden van het eerste middel volgt dat deze beslissing deze wettelijke bepaling niet schendt; Overwegende dat, wat de tweede voorwaarde betreft, de partijen niet betwisten dat de inmenging van de overheid kan worden ingepast in één van de in artikel 8, tweede lid, EVRM, opgesomde oogmerken, m.n. de bescherming van de openbare orde en het voorkomen van strafbare feiten. Overwegende dat, wat de derde voorwaarde betreft, als uitgangspunt geldt dat het volgens een vaststaand principe van internationaal recht, aan, de Verdragsluitende staten toekomt de openbare orde te verzekeren en om, meer in het bijzonder, de toegang en het verblijf van niet-onderdanen, met inbegrip van de verwijdering ervan te regelen, onder voorbehoud dat deze maatregel van verwijdering niet verdragsonverenigbaar is; dat ter beoordeling hiervan moet worden nagegaan of door het uitvaardigen van het thans bestreden bevel om het grondgebied te verlaten, een juist evenwicht werd geëerbiedigd tussen de belangen van, enerzijds, het recht XIV-17.388-5/9 van de verzoekende partij op de eerbiediging van haar gezinsleven en, anderzijds, op de bescherming van de openbare orde en het voorkomen van strafbare feiten; dat wat dit evenwicht betreft, blijkt dat, enerzijds, de bestreden beslissing steunt vindt in de vernietiging van het huwelijk van verzoekende partij; dat die vernietiging erga omnes inhoudt dat verzoekende partij een huwelijk had gesloten dat strijdig was met de openbare orde; dat dit geveinsd huwelijk de grondslag vormde voor het recht van verblijf van verzoekende partij; dat verzoekende partij derhalve gebruik maakte van het instituut van het huwelijk, waarvan de grond- en bestaansvoor- waarden de openbare orde raken, om in het Rijk op een legale wijze te kunnen verblijven en te vestigen; dat de verzoekende partij derhalve wist of moest weten dat haar verblijfstoestand precair was in die zin dat deze onlosmakelijk was verbonden met ( de geldigheid van) het huwelijk; dat zij dus wist of moest weten dat een eventueel na dit ongeldig huwelijk ontstane band met een kind, in voorkomend geval kon worden verbroken indien de grond voor het verblijf - het huwelijk - ex tunc erga omnes vervalt;... arrest RICHA 28 JUNI 2001 nr 973206 G. Debersaques zaak 81.285/ XIV - 3341. » De bestreden beslissing verwijst terecht naar de mogelijkheid tot het ingrijpen in familieleven in de gegeven omstandigheden. Het middel is niet ernstig.” 2.2. Overwegende dat de verzoekende partij de schending aanvoert van de materiële motiveringsplicht en van artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden, ondertekend op 4 november 1950 te Rome, en goedgekeurd bij de wet van 13 mei 1955 (E.V.R.M.); 2.3. Overwegende dat in de eerste bestreden beslissing wordt verwezen naar de buitengewone omstandigheden die de verzoekende partij heeft ingeroepen, met name “dat betrokkene gehuwd is met een gevestigde en art. 8 EVRM”; dat de minister van Binnenland- se Zaken vervolgens in concreto aangeeft op welke manier dit verdragsartikel in casu kan worden toegepast, aangezien hij uitdrukkelijk verwijst naar de Vreemdelingenwet en naar de situatie dat “illegaal verblijf (...) een strafbaar feit (is)”; Overwegende dat de verzoekende partij aanvoert dat “net de illegaliteit van het verblijf wordt aangevochten als zijnde in strijd met artikel 8 van het EVRM” en dat “de grond ‘het voorkomen van strafbare feiten’ in de tweede paragraaf van artikel 8 van het EVRM (...) uiteraard niet (kan) betekenen dat een strafbaarstelling van een inmenging in het recht op gezinsleven zou volstaan om deze inmenging te rechtvaardigen”; Overwegende dat, in het kader van een aanvraag op grond van artikel 9, derde lid, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet), als algemene regel geldt dat een machtiging om langer dan drie maanden in het Rijk te verblijven door een vreemdeling moet worden aangevraagd bij de Belgische diplomatieke of consulaire post die bevoegd is voor zijn verblijfplaats of zijn plaats van oponthoud in het buitenland; dat in buitengewone omstandigheden hem evenwel wordt toegestaan die aanvraag te richten tot de burgemeester van zijn verblijfplaats in België; dat enkel wanneer er buitengewone omstandigheden aanwezig zijn om het niet afhalen van de machtiging bij de Belgische diplomatieke of consulaire vertegenwoordigers in het buitenland te rechtvaardi- gen, de verblijfsmachtiging in België kan worden aangevraagd; XIV-17.388-6/9 Overwegende dat de buitengewone omstandigheden, waarvan sprake in artikel 9, derde lid, van de Vreemdelingenwet niet mogen verward worden met de argumenten ten gronde die kunnen worden ingeroepen om een verblijfsmachtiging te bekomen; dat de toepassing van artikel 9, derde lid, met andere woorden een dubbel onderzoek inhoudt : 1/ wat de regelmatigheid of de ontvankelijkheid van de aanvraag betreft: of er buiten- gewone omstandigheden worden ingeroepen om het niet aanvragen van de machtiging in het buitenland te rechtvaardigen en zo ja, of deze aanvaardbaar zijn. Zo dergelijke buitengewone omstandigheden niet blijken voorhanden te zijn, kan de aanvraag tot het bekomen van een verblijfsmachtiging niet in aanmerking worden genomen; 2/ wat de gegrondheid van de aanvraag betreft : of er reden is om de vreemdeling te machtigen langer dan drie maanden in het Rijk te verblijven. Desbetreffend beschikt de minister over een ruime appreciatiebevoegdheid; dat vooraleer te onderzoeken of er voldoende grond is om aan de verzoekende partij een voorlopige verblijfsmachtiging toe te kennen, de verwerende partij dient na te gaan of de aanvraag wel regelmatig werd ingediend, te weten of er aanvaardbare buitengewone omstandigheden werden ingeroepen om de afgifte van de verblijfsmachtiging in België te verantwoorden; dat de vreemdeling klaar en duidelijk in zijn aanvraag moet vermelden welke de buitengewone omstandigheden zijn die hem verhinderen zijn aanvraag bij de diplomatieke dienst in het buitenland in te dienen; dat uit zijn uiteenzetting duidelijk moet blijken waaruit het ingeroepen beletsel precies bestaat; Overwegende dat in casu de aanvraag om machtiging tot voorlopig verblijf onontvankelijk werd verklaard, hetgeen betekent dat de buitengewone omstandighe- den die de verzoekende partij heeft ingeroepen om te verantwoorden waarom zij geen aanvraag om machtiging tot voorlopig verblijf in haar land van oorsprong heeft ingediend, niet werden aanvaard of bewezen; dat bijgevolg wordt onderzocht waarom de verwerende partij de aangevoerde buitengewone omstandigheden niet heeft aanvaard; dat de verzoekende partij de volgende omstandigheden heeft aangevoerd: - zij is op 1 februari 1984 getrouwd met de heer Joao MIGUEL, politieke vluchteling, gedomicilieerd op hetzelfde adres; daarom moet volgens haar de verblijfssituatie worden onderzocht als “gezinshereniging”; - het koppel heeft drie kinderen; - artikel 8 van het E.V.R.M. en de rechtspraak van het E.H.R.M. herinneren aan de rechten van een ouder en een kind tot het respect van hun gezinsleven en het recht op maatregelen om ze te herenigen; Overwegende dat de minister van Binnenlandse Zaken oordeelde dat het huwelijk met een tot vestiging in het Rijk gemachtigde vreemdeling niet kan worden aanvaard als buitengewone omstandigheid die het in België indienen van de aanvraag zou rechtvaardigen; dat de minister in casu geen uitspraak doet over de gegrondheid van de XIV-17.388-7/9 aanvraag en zich niet uitspreekt over de vraag of de verzoekende partij in aanmerking komt voor de toekenning van een verblijfsmachtiging; dat de minister in de eerste bestreden beslissing toepassing maakt van artikel 9, tweede lid, van de Vreemdelingenwet; dat een rechtmatige toepassing van de Vreemdelingenwet geen schending inhoudt van het privé- en gezinsleven en bijgevolg geen schending kan uitmaken van artikel 8 van het E.V.R.M.; dat de minister van Binnenlandse Zaken in casu niet diende te motiveren of de eerste bestreden beslissing in evenredigheid is met het beoogde doel ervan; dat de verzoekende partij er niet in slaagt om aan te tonen dat de motieven van de eerste bestreden beslissing niet afdoende zijn; dat deze beslissing steunt op motieven die pertinent en draagkrachtig zijn; 2.4. Overwegende dat, wat de tweede bestreden beslissing betreft, de verzoekende partij verwijst naar rechtspraak van de Raad van State, waaruit volgens haar kan worden afgeleid dat er moet worden afgewogen of er evenredigheid bestaat tussen de motieven van de verwijderingsmaatregel en de door die maatregel veroorzaakte inmenging in het ongestoord genot van het gezinsleven; Overwegende dat artikel 8, 2, van het E.V.R.M. een inmenging in het privé- en gezinsleven toestaat als dit bij wet is voorzien en in een democratische samenleving nodig is in het belang van onder meer de veiligheid van het land, de openbare veiligheid, en de bescherming van de openbare orde; dat het bestreden bevel werd genomen in toepassing van de Vreemdelingenwet, en dat in de motieven uitdrukkelijk wordt verwezen naar het feit dat dat de verzoekende partij wordt geacht de openbare orde te hebben geschaad, omdat zij frauduleuze elementen heeft gebruikt in haar asielprocedure waardoor zij twee maal werd erkend als politiek vluchteling, telkens onder een andere identiteit; dat deze gegevens bevestigd worden door de stukken van het dossier en dat de verzoekende partij dit niet betwist; dat de tweede bestreden beslissing geen schending inhoudt van de motiveringsplicht, noch van artikel 8 van het E.V.R.M.; dat het enig middel ongegrond is; 3. Overwegende dat de verzoekende partij geen middel heeft aangevoerd dat tot de nietigverklaring van de bestreden beslissingen kan leiden; dat er derhalve grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, XIV-17.388-8/9 BESLUIT: Artikel 1. De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel 2. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op zesentwintig april tweeduizend en zes, door : Mevr. Ch. BAMPS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. A. DE SMET, griffier. De griffier, De voorzitter, A. DE SMET . Ch. BAMPS. XIV-17.388-9/9 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.157.953 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.