id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 26 april 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.157.957 Rolnummer: A. 134859/XIV-14473 Zaak: Arrest 157957 - - 26/04/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-05-10 Raadplegingen: 56 - laatst gezien 2026-06-30 18:03 Fiche Arrest nr 157.957 van 26 april 2006 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 157.951 van 26 april 2006 in de zaak A. 152.481/XIV-19.
- In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat Ph. JANSSENS, kantoor houdende te 2060 ANTWERPEN, Duboisstraat 43 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken. --------------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, geboren op 29 juli 1960 en van Marokkaanse nationaliteit, op 4 juni 2006 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 18 maart 2004 tot verwerping van de aanvraag om regularisatie in toepassing van de wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van sommige categorieën van vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het Rijk; Gelet op het administratief dossier; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door Auditeur M. STERCK, op grond van artikel 23 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen; Gelet op de beschikking van 16 januari 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op woensdag 22 maart 2006 om 10.00 uur; Gehoord het verslag van Staatsraad Ch. BAMPS; Gehoord de opmerkingen van Advocaat Ph. JANSSENS, die verschijnt voor de verzoekende partij, en van Advocaat C. DECORDIER, die verschijnt voor de verwerende partij; XIV-19.774-1/8 Gelet op de persoonlijke verschijning van de verzoekende partij; Gehoord het eensluidend advies van Auditeur M. VAN LIMBERGEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Over de feitelijke gegevens van de zaak. 1.
- XXX heeft op 28 januari 2000 een regularisatieaanvraag ingediend op basis van de wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van bepaalde categorieën van vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het Rijk (Regularisatiewet), meer in het bijzonder op basis van artikel 2, 4/. 1.
- Op 7 november 2002 is de verzoekende partij door de Commissie voor Regularisatie, in aanwezigheid van een Advocaat, gehoord. 1.
- Op 13 november 2003 heeft de Kamer van de Commissie voor Regularisatie een ongunstig advies verleend betreffende de aanvraag van de verzoekende partij. Dit advies bevat de volgende overwegingen: “(...) Gelet op de beschikking van 16 oktober 2002 van Mw. Carla Vercammen, Vice-eerste- voorzitter van de Commissie, met toewijzing van de behandeling van dit ingediende verzoek tot regularisatie aan de Nederlandstalige kamer op de zitting van 7 november
- Op deze zitting verscheen de verzoekende partij in persoon en werd bij bijgestaan door zijn raadsman mr. Philippe Janssens advocaat aan de balie van Antwerpen en die gehoord werd met bijstand van een tolk. De procedure verliep mondeling zoals voorzien bij artikel 10 § 1 van het koninklijk besluit van 5 januari
- Voorafgaand aan deze zitting heeft de verzoekende partij kennis kunnen nemen van de nota van het onderzoekssecretariaat van 26 september 2000 en waarin stond dat het bij de aanvraag gevoegde dossier onvolledig was zodat de aanvraag met een negatief advies voor beslissing werd overgemaakt aan de Minister op grond van artikel 12 § 1 van de Wet van 22 december
- Betrokkene beschikte, na het ter kennis brengen van dit advies op de wijzen bepaald in de artikelen 10 en 13 van dezelfde wet, vanaf de tussenkomst van de gemeentepolitie bedoeld in voornoemde artikelen over een termijn van drie dagen om zijn standpunt uiteen te zetten aan de minister, en dit per aangetekende brief. Uit het dossier blijkt dat dit advies door de politie van Antwerpen op 30 oktober 2000 op de verblijfplaats van verzoeker is overgegaan tot het afgeven van het bericht van kennisgeving van dat advies. Zijn reactie werd aan de Minister reeds overgemaakt op 11 oktober 2000 door zijn raadsman mr. Frans Smeets advocaat aan de balie van Antwerpen. In dat aangetekend schrijven van 11 oktober 2000 trok hij er de aandacht op dat betrokkene ervan overtuigd was dat hij zijn onafgebroken aanwezigheid in België vanaf 1989 kon aantonen met getuigenverklaringen van mensen uit zijn buurt en van medische verzorging. Hij wees er op dat hij onder de naam Mohamed Ben Mohamed in Merksplas verbleven had in de jaren '93- '94 en er voor diabetes zijn behandeld geworden en waarbij toen ongetwijfeld vingerafdrukken werden genomen. Hierdoor achtte hij zich bekend bij een openbare dienst. De Commissie kon, zoals voorzien is in artikel 14 § 1 van het koninklijk besluit van 5 januari 2000 betreffende de samenstelling en de werking van de Commissie voor Regularisatie, kennis nemen van een dossier van betrokkene bij de Dienst Vreemdelingenzaken met het nummer 4.995.023 en welk dossier verband hield met diens verblijf in het Rijk zodat ook betrokkene al die gegevens reeds kende. Dit is evenwel een volledig leeg dossier zodat daaruit geen enkel element kan afgeleid worden. XIV-19.774-2/8 Verzoeker heeft als ongehuwde onder de naam XXX, te Nador in Marokko geboren op 29 juli 1960 voor zijn aanvraag tot regularisatie van verblijf het artikel 2,4' van de wet van 22 december 1999 ingeroepen hetzij humanitaire redenen kunnen laten gelden en duurzame sociale bindingen in het land ontwikkeld hebben. Als woonplaatskeuze gaf hij hierbij op het adres Eliaertstraat 32 te 2140 Antwerpen en als feitelijke verblijfplaats gelijkvloers Lange Scholiersstraat 106 te 2060-Antwerpen. Bij het inroepen van dit artikel moest de betrokken vreemdeling volgens artikel 9,9* van de Wet van 22 december 1999 het bewijs leveren van een bestendige aanwezigheid in België die teruggaat tot meer dan zes jaar, of tot meer dan vijf jaar voor een gezin met minderjarige kinderen die op 1 oktober 1999 in België verblijven en die de leeftijd hebben om naar school te gaan, en/of in voorkomend geval het bewijs leveren van een wettig verblijf in België en/of een schriftelijke verklaring waaruit blijkt dat in de loop van vijf jaar voorafgaand aan de aanvraag geen bevel gekregen was om het grondgebied te verlaten. Als een relevant wettig verblijf worden niet beschouwd, het verblijf op grond van een toeristenvisum, het verblijf waartoe de kandidaat-vluchtelingen in afwachting van een beslissing over de ontvankelijkheid van hun asielaanvraag zijn toegelaten en het verblijf waartoe studenten gemachtigd zijn. Uit de gegevens waarvan de Commissie kennis kon krijgen blijkt dat de huisarts Zouhair Elarbi uit Borgerhout-Antwerpen reeds op 16 december 1999 attesteerde dat hij betrokkene sinds 1993 kende van raadpleging maar geeft verder geen enkel détail over een medische begeleiding. Deze verklaring verwijst naar een kennismaking met betrokkene in 1993 maar kan hiermede andere geloofwaardig te maken elementen niet voldoende genoeg aantonen. Verzoeker kan zelf niet verklaren waarom hij reeds op die dag dergelijke verklaring gevraagd had aan deze arts en zeer kort daarna van huisarts veranderde. Want dokter P. De Stoop van Artsen Zonder Grenzen verklaarde op 18 januari 2000 dat betrokkene bij hen op raadpleging kwam vanaf 24 december 1999, en dus niet voor 1 oktober
- De vzw Markant, Centrum Algemeen Welzijnswerk uit Antwerpen verklaart op een op 10 oktober 2000 gedateerd attest dat verzoeker XXX sinds 24 december 1999 in behandeling is op het consultatiebureau van dokter Kris Keersmaekers en medisch gevolgd wordt voor een sedert 1994 bestaande diabetes mellitus. En er is eveneens nog een gedrukt formulier met een door dokter A. Ajnaoui uit Borgerhout ondertekende verklaring waarop in handschrift ingevuld werden de datum van '15/12/99' alsook de vermelding dat hij op raadpleging komt sinds '1995' tot op heden. Deze stukken zouden er in ieder geval kunnen op wijzen dat verzoeker geen blijvend of volledig vertrouwen kan stellen in een door hem geraadpleegde arts. Verzoeker gaf aan de Commissie ook kennis van een arbeidsovereenkomst met proefperiode van zeven dagen vanaf 4 februari 1990 bij de Nv Berco Pluimveeslachterij Boechoutsesteenweg 44 te 2140-Borsbeek maar verschaft geen verdere informatie van wat er na de proefperiode gebeurd is zelfs kan hij niet echt overtuigen dat die proefperiode ook echt effectief werd aangevangen en wat via de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid zeker te bewijzen moest zijn. En andere stukken die verzoeker bijkomend ter beoordeling voorlegt hebben dan weer betrekking op de periode die volgde op het indienen van zijn verzoek tot regularisatie van verblijf. De oorspronkelijk neergelegde kopij van zijn Marokkaanse identiteitskaart DL801322 was volgens de eerste bladzijde ervan geldig van 07.06.1989 tot 06.06.1999 met als woonplaats A.. Ter zitting kon kennis genomen worden van een nieuwe te Antwerpen afgeleverde Marokkaanse identiteitskaart met nummer DL.801.322 geldig van 18.04.2000 tot 17.04.
- Ter zitting kon eveneens kennis worden genomen van zijn Marokkaans paspoort L.699983 dat hem te Antwerpen was afgeleverd door het Consulaat van Marokko ter vernieuwing van zijn paspoort nr 633718 serie DE en op dat consulaat werd hij slechts op 31 januari 2000 geïmmatriculeerd onder nummer 47.
- Hieruit kan dus worden besloten dat verzoeker, wanneer hij zijn aanvraag tot regularisatie heeft ingediend op 27 januari 2000 het toen beter vond niets te vermelden over het paspoort dat hij toen in bezit moet gehad hebben en wellicht was dit omdat hij niet wilde dat de Belgische overheden kennis konden krijgen van alle gegevens welke dat paspoort kon verstrekken. Dit nieuwe paspoort was geldig van 1 februari 2000 tot 31 januari 2001 en de Commissie kon niet vaststellen dat verzoeker daarna nog behoefte gevoeld had om zijn paspoort te laten verlengen. Volgens een verklaring van de Federale Overheidsdienst Justitie, directoraat-generaal Uitvoering Straffen en Maatregelen, Strafinrichting Merksplas, Steenweg op Wortel nr 1 te é0-Merksplas kon er van een opsluiting van betrokkene onder de door hemzelf opgegeven aliasnaam van XXX niets teruggevonden worden zodat die bewering als ongeloofwaardig moet, aanzien worden. Bij het indienen van zijn verzoek tot regularisatie van verblijf heeft verzoeker zijn verklaring ondertekend dat hij ongehuwd was. Ter zitting bevestigt hij noch vrouw noch kinderen te hebben zodat een probleem van een gezinshereniging zich later dan ook niet zal kunnen voordoen bij verzoeker. Verzoeker vertelt dat hij een oom heeft in Brussel, sinds 1989 naar België kwam omwille van economische omstandigheden en hier dan in de tuinbouw heeft gewerkt. Tot ondersteuning van deze bewering legt hij een foto voor. Deze foto zelf kon evenwel niets met zekerheid aantonen. Verzoeker bezorgt ook twee te Antwerpen opgenomen foto's waarop de datum van XIV-19.774-3/8 14 augustus 1997 voorkomt. Verzoeker legt ook getuigenissen voor om dit bevestigd te zien maar deze blijven voor de Commissie evenwel inhoudelijk nogal vaag en blijven ontoetsbaar maar ze tonen wel aan dat deze personen hun sympathie voor verzoeker lieten blijken. Voorgelegde uittreksels van een zichtrekening 750-953931609 op naam van Alphonse Van Minnebruggen bij de bank An-Hyp, gedateerd van augustus 1998 tot november 1998 , vermelden alleen 'huur Baghdad Ceresstraat Borgerhout'. Bij het dossier werd kopij gevoegd van een "Verklaring van Gekendheid" afkomstig van het departement voor burgerlijke stand en bevolking van de Stad Antwerpen, waarop door een onbekend gebleven ondertekenaar geschreven werd dat hij zich op 4, 5 en 6 oktober 1999 aangemeld had om zich kenbaar te maken aan de stedelijke diensten met het oog op het verkrijgen van informatie betreffende een eventuele regularisatie van verblijf. Uit verder onderzoek is gebleken dat de genaamde Ahriwil Bagdad met adres Ceresstraat 14 te 2140- Antwerpen zich op 12 oktober 1999 zich als alleenstaande had aangeboden als kandidaat voor regularisatieprocedure. Hierbij is wel een verschil op te merken bij de schrijfwijze van de familienaam terwijl bij het toch niet veel daarna indienen van het regularisatieverzoek ook een ander adres werd vermeld. Uit de aan de Commissie voorgelegde stukken blijkt dat verzoeker na het indienen van zijn aanvraag tot regularisatie van verblijf de kans gegrepen heeft om toe te treden tot het officiële arbeidscircuit en zich daarmee in de Belgische maatschappij wilde inschakelen. Over betrokkene is ook niets ongunstig bekend geraakt aan de Commissie. Aan de Commissie wordt een op datum van 7.11.02 gedateerde in handschrift geschreven en ondertekende verklaring voorgelegd waarin staat dat hij in de vijf jaar voorafgaand aan de aanvraag tot regularisatie geen bevel heeft gekregen het land te verlaten. Deze verklaring zal inhoudelijk wel juist zijn vermits zijn dossier 4.995.093 niets bevat en er evenmin een ander DVZ dossier bekend geraakte op een mogelijke aliasnaam. Toch kan er niet voldoende geloofwaardig worden gemaakt dat verzoeker de duur van een ononderbroken verblijf van zes jaar voorafgaand aan het indienen van zijn verzoek bereikt heeft zodat de duur van het werkelijk geloofwaardige verblijf in het land te kort is om op basis van de duur ervan tot een regularisatie te kunnen komen. De door de wetgever voor regularisatie op deze rechtsgrond vereiste termijn beloopt voor verzoeker immers zes jaar continu verblijf in het Rijk. Zelfs meer dan twee en een half jaar na het indienen van zijn verzoek tot regularisatie moet de Commissie bij verzoeker een gebrek aan kennis vaststellen van een in België officieel gesproken taal is ook dit is een element dat niet wijst op een zich inleven in dit land waarbij hij nochtans wil doen geloven dat hij er reeds gedurende een lange periode ononderbroken verbleef. Van een zich willen inleven in de Belgische samenleving zijn ook nu nog te weinig tekenen waarneembaar of aanwijzingen vast te stellen. Het blijft ook vanzelfsprekend dat alle tot einde januari 2000 ingediende aanvragen tot regularisatie op grond van gelijkheid dienen behandeld te worden hetgeen betekent dat er voor alle aanvragen rekening moet worden gehouden met de elementen van de situatie zoals deze zich eind januari 2000 voordeed voor de verzoekende partij zo niet zou er mogelijkheid bestaat dat verzoekers die op de eerste zittingen van de Commissie voor behandeling van hun verzoek werden opgeroepen in een nadeliger situatie zouden vertoefd hebben dan diegenen die veel later voor de Commissie konden verschijnen. Aangezien deze vaststellingen hebben geleid tot het hiernavolgend advies dat, na beraadslaging, uitgebracht wordt overeenkomstig artikel 17 van het Koninklijk Besluit van 5 januari 2000 betreffende de samenstelling en de werking van de Commissie voor Regularisatie en houdende de uitvoering van de Wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van verblijf van bepaalde categorieën van vreemdelingen, verblijvend op het grondgebied van het Rijk (Belgisch Staatsblad van 10 januari 2000 p.588-592) en volgens artikel 19 in werking getreden op 10 januari
- OM DEZE REDENEN brengt de Nederlandstalige Kamer van de Commissie voor Regularisatie, na onderzoek op tegenspraak, een ongunstig advies betreffende de aanvraag tot regularisatie van verblijf ingediend door XXX. (...)”. 1.
- Op 24 november 2003 heeft de Advocaat van de verzoekende partij een brief met bijkomende stukken gericht tot de minister van Binnenlandse Zaken. 1.
- Op 7 januari 2004 antwoordt de Adviseur-generaal van de Dienst Vreemdelingenzaken, gemachtigde van de minister van Binnenlandse Zaken, dat bij het XIV-19.774-4/8 nemen van een eindbeslissing in dit dossier, rekening zal worden gehouden met de elementen die de verzoekende partij heeft meegedeeld. 1.
- Op 18 maart 2004 heeft de minister van Binnenlandse Zaken de aanvraag tot regularisatie verworpen door zich aan te sluiten bij de overwegingen van het advies van de Commissie voor Regularisatie. Dit is de bestreden beslissing, die luidt als volgt: “(...) De Kamer van de Commissie voor Regularisatie heeft mij, overeenkomstig de wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van sommige categorieën van vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het Rijk, gevat met een ongunstig advies voor beslissing inzake uw aanvraag tot regularisatie, door U ingediend bij de Burgemeester te ANTWERPEN, op 28/01/2000 en dat het nummer 20602000012804274 draagt. Ik heb beslist dit advies, waarvan ik de overwegingen onderschrijf en als de mijne overneem, en waarvan U in bijlage een kopie vindt, te volgen. Overeenkomstig artikel 14 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State beschikt U over 30 dagen om een verzoekschrift tegen deze beslissing in te dienen. (...).”
- Over de gegrondheid van de zaak. 2.
- Overwegende dat de verzoekende partij een eerste middel aanvoert dat als volgt luidt: “2.
- Eerste middel : schending van art. 2 en 3 van de Wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van administratieve bestuurshandelingen. 2.1.
- Algemeen. Dat de bestreden beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken een beslissing van bestuurshandeling uitmaakt zodat deze overeenkomstig de wet op de uitdrukkelijke motivering van de administratieve bestuurshandelingen dient te worden gemotiveerd; Dat bijgevolg de Minister van Binnenlandse Zaken zijn beslissingen op gemotiveerde wijze dient te nemen en dat zulks niet geschied is; Dat dit niet geschied is, minstens op een zeer gebrekkige wijze, moge o.m. blijken uit de hierna (2.1.2.) opgesomde vergissingen en fouten in de bestreden beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken; Dat het Hof van Cassatie geoordeeld heeft n.a.v. schending van het grondwettelijk principe inzake de motivering van rechtelijke beslissingen dat de motivering een wezenlijke waarborg tegen willekeur is en geldt als bewijs dat de voorgelegde middelen zorgvuldig onderzocht werden en de uitspraak beredeneerd werd; (Cass. 12 mei 1932, “Pas,” 1932, I, 166); Dat dit principe eveneens werd opgenomen in de Grondwet m.n. onder art. 149 van de Grondwet; Dat kan besloten worden dat indien een bestuurshandeling niet degelijk gemotiveerd werd, zulks leidt tot het gemis van een wezenlijke waarborg tegen willekeur en zulks geldt als bewijs dat de Minister van Binnenlandse Zaken de hem voorgelegde middelen niet zorgvuldig onderzocht heeft en zijn uitspraak niet beredeneerd heeft; Dat er in casu enerzijds sprake is van een onjuiste, en anderzijds manifest gebrek aan motivering in de beslissing, wat ertoe leidt te besluiten dat de aan de Minister van Binnenlandse Zaken voorgelegde middelen niet zorgvuldig onderzocht werden; 2.1.2.Betreffende de onjuiste gebrekkige of ontbrekende motivering van de bestreden beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken, beslissing overeenkomstig de wet van 29 juli 1991 (voornoemd). Dat verzoeker op 24.11.2003 een brief heeft gericht aan de Minister van Binnenlandse Zaken betreffende de regularisatieaanvraag. Dat verzoeker op 7.01.2004 een brief van de Federale Overheidsdienst Binnenlandse Zaken terugkreeg met als antwoord: “Uw brief van 24.11.2003 gericht aan Dhr. P. Dewael, Minister van Binnenlandse Zaken betreffende de regularisatieaanvraag van de heer Ahriaouil Bagdad heb ik goed ontvangen. Ik kan u verzekeren dat met de door u aangehaalde elementen zal rekeningen gehouden worden met betrekking tot het nemen van een eindbeslissing in dit dossier.” XIV-19.774-5/8 Dat de beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken echter als volgt motiveert: “Ik heb beslist dit advies, waarvan ik de overwegingen onderschrijf en als de mijne overneem, en waarvan u in bijlage een kopie vindt, te volgen.” Er werd dus op geen enkele wijze rekening gehouden met de door verzoeker aangehaalde argumenten, aangezien de brief van 18.03.2004 op geen enkele wijze niet de minste wijzing naar de argumentatie van verzoeker maakt, laat staan beantwoordt. Dat de Minister van Binnenlandse Zaken op de door verzoeker ontwikkelde en ingeroepen argumentatie op geen enkele wijze antwoordt.” 2.
- Overwegende dat de verwerende partij in de memorie van antwoord het volgende repliceert: “2.1 Betreffende een eerste middel van de verzoekende partij. Verzoeker laat zijn eerste middel berusten op een vermeende schending van de artikelen 2 en 3 van de Wet dd. 29.07.1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen. Dienaangaande stelt de verwerende partij bij lezing van de toelichting van het eerste middel evenwel vast dat verzoeker daarin slaagt de motivering van de in casu bestreden beslissing deels weer te geven, waarmee hij blijk geeft kennis te hebben van de motieven vervat in de bestreden beslissing. Als zodanig spreekt verzoeker zich dan ook tegen als hij stelt de motivering van de door hem bedoelde akte manifest gebrekkig te achten, terwijl hij perfect bij machte blijkt om de motieven van die akte weer te geven in zijn middelen en uit te leggen waarom hij deze beschouwt als niet afdoende. De verwerende partij is dan ook van oordeel dat o.b.v. deze vaststelling dient te worden besloten dat verzoeker het vereiste belang ontbeert bij de betrokken kritiek (cf. R.v.St. nr. 47.940, 14.06.1994, Arr. R. v. St. 1994, z.p.). De formele motiveringsplicht vervat in de wetsartikelen waarvan verzoeker de schending aanvoert, heeft immers geen ander doel dan het in kennis stellen van de bestuurde van de redenen die ten grondslag liggen aan de te zijnen of te haren opzichte genomen bestuursbeslissing, zodanig dat deze in staat is om te oordelen of het zinvol is om daartegen op te komen met de ter beschikking staande rechtsmiddelen (R.v.St. nr. 60.751, 04.07.1996, TB.P. 1996, 698), terwijl de voormelde vaststelling impliceert dat deze wettelijke doelstelling is bereikt. In casu is aan deze vereiste terdege voldaan. De door verzoeker kennelijk als gebrekkig gemotiveerde overwegingen die, (tezamen met de vermelding van de toepasselijke wetsbepaling) de motivering van de bestreden beslissing uitmaken, volstaan derhalve om de bestreden beslissing ten genoege van recht met motieven te onderbouwen. De overwegingen laten verzoeker immers toe om te achterhalen om welke redenen zijn aanvraag tot regularisatie door de Minister van Binnenlandse Zaken werd afgewezen, zodat het doel is bereikt dat met het bestaan van de betrokken formele motiveringsverplichting wordt beoogd. Er is in casu wel degelijk afdoende geantwoord op de door verzoeker in het kader van zijn aanvraag tot regularisatie voorgelegde elementen door in de bestreden beslissing deze uitvoerig te behandelen, getuige het omstandig advies. Verzoekers kritiek, dewelke feitelijke grondslag mist, kan aan het bovenstaande geen afbreuk doen. Bovendien, en in antwoord op verzoeker kritiek, laat de verwerene partij nog gelden dat de naleving van de formele motiveringsplicht geen verband houdt met de inhoudelijke juridische of feitelijke correctheid van de tot uitdrukking gebrachte motieven (cf. wat inhoudelijke juridische correctheid betreft, naar analogie, Cass., 10.01.1979, Arr. Cass. 1978-79, 522; alsook wat feitelijke correctheid betreft: R.v.St. nr. 44.948, 18.11.1993, Arr. R. v.St. 1993, z.p.; Antwerpen, 16.06.1998, F.J.F. 1998, 693). Waar verzoeker klaarblijkelijk het tegenovergestelde aanneemt, nu deze stelt dat er sprake is van een "onjuiste" motivering of dan "vergissingen en fouten" is zijn toelichting niet afgestemd op de rechtsregels waarvan hij de schending opwerpt, zodat deze in rechte faalt. Gelet op het bovenstaande is de verwerende partij de mening toegedaan dat verzoekers eerste middel onontvankelijk, ministens ongegrond is.” 2.
- Overwegende dat de verzoekende partij in de memorie van wederantwoord het volgende uiteenzet: XIV-19.774-6/8 “Dat verwerende partij op geen enkele wijze antwoordt op het argument van concluant, nl. dat verzoeker op 24.11.2003 een brief heeft gericht aan de Minister van Binnenlandse Zaken betreffende de regularisatieaanvraag. Dat verzoeker op 7.1.2004 een brief van de Federale Overheidsdienst Binnenlandse Zaken terugkreeg met als antwoord : ' Uw brief van 24.11.2003 gericht aan Dhr. P. Dewael, Minister van Binnenlandse Zaken betreffende de regularisatieaanvraag van Dhr. Ahriouil Bagdad heb ik goed ontvangen. Ik kan u verzekeren dat met de door u aangehaalde elementen zal rekening gehouden worden met betrekking tot het nemen van de eindbeslissing in dit dossier.' Dat de Minister van Binnenlandse Zaken zijn motivering echter beperkt tot : ' Ik heb beslist dit advies, waarvan ik de overwegingen onderschrijf en als de mijne overneem, en waarvan u in bijlage een kopie vindt, te volgen.' Op geen enkele wijze werd dan ook rekening gehouden met de door verzoeker aangehaalde argumenten aangezien de beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken op geen enkele van de in de brief van 24.11.2003 zoals door verzoeker aan de Minister van Binnenlandse Zaken gericht , werd geantwoord. Dat dan ook op de door verzoeker ontwikkelde en ingeroepen argumentatie op geen enkele wijze wordt geantwoord. Dat evenmin door verwerende partij thans in memorie hierover enige uitleg wordt gegeven.” 2.
- Overwegende dat de verzoekende partij in het eerste middel de schending aanvoert van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen; Overwegende dat de in de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen vervatte uitdrukkelijke motiveringsplicht tot doel heeft de belanghebbende in kennis te stellen van de redenen waarom de desbetreffende administratieve overheid tot de bestreden beslissing is gekomen zodat hij in staat is te weten of het aangewezen is zich tegen die handeling te verweren met de middelen die het recht hem verschaft; dat hij m.a.w. kan nagaan of de overheid is uitgegaan van gegevens die in rechte en in feite juist zijn, of zij die correct heeft beoordeeld, en of zij op grond daarvan in redelijkheid tot de bestreden beslissing is kunnen komen; Overwegende dat, hoewel de minister van Binnenlandse Zaken in beginsel niet verplicht is om te antwoorden op argumenten die hem na het advies van de Commissie voor Regularisatie ter kennis worden gebracht, in casu uit het schrijven van 7 januari 2004 blijkt dat de minister van plan was om rekening te houden met de brief van de Advocaat van de verzoekende partij van 24 november 2003; dat in het schrijven van de Adviseur-generaal van de Dienst Vreemdelingenzaken, gemachtigde van de minister, van 7 januari 2004 gericht tot de Advocaat van de verzoekende partij, immers wordt overwogen “met de door u aangehaalde elementen zal rekening gehouden worden met betrekking tot het nemen van een eindbeslissing in dit dossier”; Overwegende dat de minister van Binnenlandse Zaken op 18 maart 2004 een beslissing neemt betreffende de regularisatieaanvraag van de verzoekende partij; dat hij dit als volgt formuleert “Ik heb beslist dit advies, waarvan ik de overwegingen onderschrijf en als de mijne overneem, en waarvan U in bijlage een kopie vindt, te volgen.”; dat hieruit niet kan worden afgeleid dat de minister, in welke zin dan ook, rekening heeft gehouden met de argumenten van de verzoekende partij vervat in de brief van 24 november XIV-19.774-7/8 2003; dat in casu niet kan worden aanvaard dat deze motivering afdoende is; dat het eerste middel gegrond is, BESLUIT: Artikel
- Vernietigd wordt de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 18 maart 2004 tot weigering van regularisatie van de verzoekende partij op basis van de wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van sommige categorieën van vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het Rijk. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verwerende partij. Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op zesentwintig april tweeduizend en zes, door : Mevr. Ch. BAMPS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. A. DE SMET, griffier. De griffier, De voorzitter, A. DE SMET. Ch. BAMPS. XIV-19.774-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.157.957 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.