id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 27 april 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.157.988 Rolnummer: A. 86600/XII-2239 Zaak: Arrest 157988 - - 27/04/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-05-04 Raadplegingen: 56 - laatst gezien 2026-06-30 18:07 Fiche Arrest nr 157.988 van 27 april 2006 - Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 157.988 van 27 april 2006 in de zaak A. 86.600/XII-
- In zake : Willy JACOBS, die woonplaats kiest bij advocaten J. Vercammen, J. Timmermans en V. Van Den Vonder, kantoor houdende te Mechelen, Schuttersvest 4-8 tegen :
- de BURGEMEESTER VAN DE STAD MECHELEN,
- de STAD MECHELEN, die woonplaats kiezen bij advocaat A. Houtekier, kantoor houdende te Mechelen, Battelsesteenweg
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, XIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Willy Jacobs op 7 september 1999 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van de beslissing van 9 juli 1999 van de burgemeester van Mechelen waarbij zijn ongunstige evaluatie van 30 maart 1999 wordt behouden; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgesteld door auditeur H. Colin; Gelet op de beschikking van 4 maart 2003 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memorie van de verwerende partij; Gelet op de beschikking van 3 november 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 20 december 2005; Gehoord het verslag van kamervoorzitter D. Verbiest; XII-2239-1/13 Gehoord de opmerkingen van advocaat D. Van Hemelrijck, die loco advocaat J. Vercammen verschijnt voor verzoeker, en van advocaat A. Huysmans, die loco advocaat A. Houtekier verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur H. Colin; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- De gegevens van de zaak. Overwegende dat de gegevens van de zaak kunnen worden samengevat als volgt : 1.
- Op 1 januari 1979 treedt Willy Jacobs in dienst bij de politie van Mechelen. Op het ogenblik van het nemen van de bestreden beslissing bekleedt hij de graad van agent-hoofdbrigadier en is hij tewerkgesteld in de dienst “verkeer”. 1.
- Op 30 maart 1999 ondertekenen de twee beoordelaars van Willy Jacobs het ontwerp van evaluatieverslag, met als eindbeoordeling “ongunstig”. Wat betreft het criterium “Werkhouding”, dat elf sub-criteria bevat die zijn opgedeeld in 34 items, scoort Willy Jacobs nergens “onvoldoende” of “zeer goed”, hij scoort op 28 items “goed” en op zes items “matig”, namelijk : S op één van de items van het subcriterium “resultaatgerichtheid”; als uitleg wordt vermeld : “moet herhaaldelijk op het goede spoor gezet worden”; S op één van de items van het subcriterium “initiatief’; als uitleg wordt vermeld: “werkt regelmatig aan de gewone arbeidstaak, volgens een opgelegd werkrooster”; S op één van de items van het subcriterium “inzet, doorzetting”; als uitleg wordt vermeld : “werkt eerder traag in vergelijking met anderen”; S op twee items van het subcriterium “kwaliteitszorg”; als uitleg wordt vermeld: “is vlug tevreden, er blijven slordigheidsfouten zitten” en “is van goede wil, maar controleert het eigen werk niet voldoende”; S op het subcriterium “fysieke situatie/psychische situatie”; als uitleg wordt vermeld : “tussen de leeftijd van 50 en 55 jaar en heeft in de loop van de voorbije XII-2239-2/13 drie jaren een langdurige periode van in het totaal meer dan 3 maanden met beperkende arbeidsvoorwaarden gehad”. Wat betreft het criterium “functie-gericht”, dat acht subcriteria bevat die zijn opgedeeld in 18 items, scoort Willy Jacobs opnieuw nergens “onvoldoende” of “zeer goed”, maar scoort hij op 13 items “goed” en op vijf items “matig”, namelijk : S op één van de items van het subcriterium “vaktechnische kennis”; als uitleg wordt gegeven : “is gelijk aan deze die voor de functie nodig is”; S op één van de items van het subcriterium “initiatief/Creativiteit”; als uitleg wordt gegeven : “neemt het initiatief dat verwacht wordt”; S op één van de items van het subcriterium “handelingsvrijheid”; als uitleg wordt gegeven : “probeert een opdracht volledig in te vullen”; S op één van de items van het subcriterium “samenwerking”; als uitleg wordt gegeven : “heeft het soms moeilijk om met anderen samen te werken”; S op het subcriterium “specifieke vaardigheden”; als uitleg wordt gegeven : “zijn gelijk aan deze die voor de functie nodig is”. Willy Jacobs ondertekent dat ontwerp van evaluatieverslag voor kennisneming op 31 maart
- 1.
- Op 7 april 1999 maakt Willy Jacobs gebruik van de bij artikel 87 van het “administratief statuut politiepersoneel” bepaalde mogelijkheid om binnen tien werkdagen opmerkingen te maken en deze aan de beoordelaars af te geven. Hij voert onder meer aan dat hij voordien nooit werd gewezen op de punten die zijn beoordelaars als matig hebben aangeduid en dit noch mondeling, noch schriftelijk, noch door middel van een functioneringsgesprek, dat hij steeds binnen de gestelde termijn zijn werk afleverde en nooit met enig stuk achter stond, dat hij niet betwist dat hij soms vergetelheidsfouten maakte maar zeker niet in de mate zoals het evaluatieverslag het laat overkomen, dat, indien het inderdaad zo zou zijn dat men hem herhaaldelijk op het goede spoor moet zetten, zijn beoordelaars hem daar wel eerder van in kennis zouden hebben gesteld, dat verscheidene plus- en minpunten van de toegekende quotering mekaar tegenspreken, dat hij wenst te vernemen op welke basis de beoordelaars hem met anderen hebben vergeleken om tot het besluit te komen dat hij minder vlug werkt dan de anderen, dat hij gedurende de evaluatieperiode ongeveer twee maanden afwezig was ingevolge ziekte en verlof en XII-2239-3/13 er van deze periode uiteraard nergens prestaties of afgewerkte stukken te bespeuren zijn en dat hij bij zijn weten met niemand onenigheid heeft, uitgezonderd de persoon waar hij een ploeg mee vormt en met wie hij alle dagen samenwerkt. Met een brief van 8 april 1999 delen de beoordelaars aan Willy Jacobs mee dat zij, na het lezen van zijn opmerkingen, van oordeel zijn dat er geen nieuwe elementen zijn aangebracht die een wijziging van de beoordeling kunnen verantwoorden en dat zij hun evaluatie dan ook handhaven. 1.
- Op 19 april 1999 deelt het stadsbestuur aan Willy Jacobs mee dat het zijn recht is om in verband met zijn ongunstige evaluatie te worden gehoord door de arbitragecommissie, verhoor dat zal doorgaan op 23 april
- Op 26 april 1999 delen de beoordelaars mee dat zij, na te zijn gehoord door de arbitragecommissie, hun evaluatie van 30 maart 1999 handhaven. 1.
- Op 11 mei 1999 maakt Willy Jacobs gebruik van de bij artikel 90 van het administratief statuut geboden mogelijkheid om tegen zijn ongunstige evaluatie beroep in te stellen bij de burgemeester. Op 31 mei 1999 wordt hij, bijgestaan door zijn raadsman, gehoord. Blijkens het proces-verbaal van verhoor licht hij de argumenten die vervat zijn in zijn voormelde brief van 7 april 1999 uitvoerig toe, benadrukt hij in het bijzonder dat hij zeker niet minder presteerde dan anderen en nooit opmerkingen op zijn werk kreeg. Hij verklaart voorts de indruk te hebben dat hij wordt gezocht, hetgeen door zijn beoordelaars formeel wordt betwist. Hij vraagt ten slotte een bijkomend verhoor. In het proces-verbaal van dat verhoor dat plaats vindt op 7 juni 1999 stelt de burgemeester vast dat er geen bijkomende, nieuwe argumenten aangebracht zijn bij hetgeen is gesteld naar aanleiding van het verhoor van 31 mei
- Op 9 juli 1999 besluit de burgemeester de ongunstige evaluatie te behouden. Dat besluit luidt als volgt : “De Burgemeester, Gelet op de ongunstige evaluatie d.d. 30.3.1999, betekend op 31.3.
- Gelet op de conclusie van de beoordelaars op 24.3.99, u medegedeeld op 31.3.
- Gelet op uw schriftelijk opmerkingen d.d. 7.4.
- Gelet op de conclusie d.d. 8.4.1999 van de beoordelaars. XII-2239-4/13 Gelet op het onderhoud met de arbitragecommissie op 23.4.1999, overeenkomstig art. 89 van het administratief statuut van het politie personeel. Gelet op de beslissing van 26.4.1999, betekend op 27.4.1999, van de beoordelaars om hun ongunstige evaluatie te behouden. Gelet op het beroep d.d. 4.5.1999 tegen de ongunstige evaluatie. Gelet op het verhoor door de burgemeester op 31.5.1999 en 7.6.
- Overwegende dat de heer Jacobs tijdens dat onderhoor op omstandige wijze de argumenten vervat in het schrijven d.d. 7.4.1999 uiteenzette; dat hij evenwel geen nieuwe en concrete feiten uit de evaluatieperiode aanvoerde die de beoordeling kunnen beïnvloeden. Beslist : de ongunstige evaluatie op uw naam te behouden daar tijdens het verhoor geen nieuwe elementen zijn aangebracht die een wijziging van de beoordeling kunnen verantwoorden”;
- De grond van de zaak. 2.
- Overwegende dat verzoeker in een eerste middel de schending inroept van “de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, het zorgvuldigheidsbeginsel, het beginsel van de materiële motiveringsplicht en het redelijkheidsbeginsel”; dat hij doet gelden dat het ontwerp van evaluatie van 30 maart 1999 een motivering bevat die zeer vaag en algemeen is en dat deze de eindbeoordeling niet schraagt, temeer daar de quotering “matig” meermaals niet wordt ondersteund door de daarbij vermelde uitleg, dat hij aldus matig scoort op het vlak van - “initiatief”, terwijl hij niet bepaald in een sector zit waar initiatief kan worden genomen en de beoordelaars niet verduidelijken welke initiatieflust er zou moeten heersen, - “fysieke situatie”, terwijl het college van burgemeester en schepenen hem een blijvende invaliditeit van 10 % heeft toegekend ten gevolge van een arbeidsongeval, zodat dit element hem niet ten laste kan worden gelegd, - “vaktechnische kennis” en “specifieke vaardigheden”, omdat zijn kennis en vaardigheden gelijk zijn aan die welke voor de functie nodig zijn, zodat de vraag rijst wat men dan nog meer verwacht, - “initiatief”, omdat hij het initiatief neemt dat verwacht wordt, zodat de vraag rijst wat er meer moet zijn dan wat verwacht wordt, - “handelingsvrijheid”, omdat hij probeert een opdracht volledig in te vullen, waarbij opnieuw de vraag rijst wat er dan nog meer wordt verwacht; dat hij doet gelden dat de zes bedoelde motiveringen de quotering “matig” op generlei wijze schragen, zodat de beoordeling, wat betreft “werkhouding”, in feite minstens 4 keer “matig” en 30 keer “goed” zou moeten zijn en wat betreft “functie- XII-2239-5/13 gericht”, 1 keer “matig” en 17 keer “goed”, zodat de evaluatie “gunstig” diende te zijn; Overwegende dat verzoeker voorts betoogt dat zijn beoordelaars hem na zijn uiteenzetting voor de arbitragecommissie zonder enige motivering meedeelden dat zij hun evaluatie handhaafden zodat hij onmogelijk kon achterhalen waarom zijn omstandige argumentatie van tafel werd geveegd en de ongunstige evaluatie werd behouden, dat hij meermaals heeft gewezen op de afwezigheid van een functioneringsgesprek dat personeelsleden de kans biedt kennis te nemen van de concrete gegevens waarop de beoordelaars zich hebben gesteund met betrekking tot hun functioneren in de dienst, dat hem al evenmin op een andere wijze werd verklaard waarom een aantal punten als negatief werden in aanmerking genomen in de ontwerpevaluatie, dat de ontwerpevaluatie zonder bijkomende motivering of verduidelijking in een negatief eindverslag resulteerde, dat zijn ongunstige beoordeling in het kader van het beroep bij de burgemeester zonder enige motivering of enig antwoord op zijn fundamentele opmerkingen werd bevestigd; 2.
- Overwegende dat de verwerende partijen antwoorden dat verzoeker de beoordeling door zijn hiërarchische oversten van de waarde en de professionele geschiktheden van het politiepersoneel betwist, dat de toegekende quoteringen “goed”, “matig” en “ongunstig” zijn gemotiveerd door verzoekers gedragingen, werkwijze en beroepsgeschiktheid en een beoordeling uitdrukken die wellicht strenger kan zijn dan wat hij had verwacht, dat deze beoordeling evenwel toekomt aan de hiërarchische overste en ontsnapt aan de bevoegdheid van de Raad van State, dat volgens de richtlijnen inzake het invullen van het evaluatieformulier een score 5 in de kolom “matig” tot gevolg heeft dat de evaluatie ongunstig is, dat de kritiek die verzoeker maakt en waarbij hij staande houdt dat zijn globale beoordeling “gunstig” diende te zijn, indruist tegen de soevereine appreciatie van het bestuur en niet kan worden aangenomen; Overwegende dat de verwerende partijen voorts argumenteren dat de brief van 26 april 1999 van de beoordelaars aan verzoeker vermeldt dat zij hun evaluatie van 30 maart 1999 handhaven, dat deze beslissing identiek is aan die van 8 april 1999, namelijk dat verzoeker geen nieuwe elementen heeft aangebracht om de evaluatie te wijzigen, zodat deze motieven ook voor de beslissing van 26 april 1999 blijven gelden, dat het feit dat er geen functioneringsgesprek is geweest samenhangt met het van kracht worden van het statuut van het politiepersoneel op XII-2239-6/13 1 januari 1998 en de maatregelen genomen inzake de overgangsperiode, dat de dienstnota van 18 juni 1998 niet voorziet in het houden van functionerings- gesprekken tijdens de overgangsperiode, die bij de inwerkingtreding van het statuut niet werden gehouden bij gebrek aan de nodige tijd, dat het evaluatiegesprek wel werd gehouden, namelijk op het ogenblik dat verzoeker het evaluatieformulier voor ontvangst en kennisname ondertekende, dat volgens de processen-verbaal van de verhoren die in het kader van het beroep werden afgenomen, de zaak grondig werd behandeld, met woord en wederwoord, dat blijkt dat verzoekers argumenten steeds dezelfde zijn, namelijk dat hij de beoordeling van zijn prestaties en de afwezigheid van een functioneringsgesprek betwist, dat de motivering verzoekers kritiek beantwoordt en afdoende is; 2.
- Overwegende dat verzoeker daartegenover onder meer doet gelden dat de Raad van State wel degelijk bevoegd is om na te gaan of een bestuur zijn discretionaire bevoegdheid op een wettige wijze heeft uitgeoefend, dat er te dezen geen functioneringsgesprek is geweest en er ook geen afsprakennota werd opgesteld, dat de evaluatie werd beperkt tot een louter vervolledigen van een standaardformulier vermits de bespreking zoals voorzien in artikel 87 van het administratief statuut nog geen volle minuut heeft geduurd en niet meer was dan een eenzijdige verwoording van wat er reeds te lezen stond in het evaluatieverslag, dat hij voor de burgemeester aanvoerde dat hij nooit op de hoogte werd gebracht van enig disfunctioneren en dat hij bijkomende toelichtingen wenste omtrent zijn ongunstige evaluatie, dat de uiteindelijk door de burgemeester genomen beslissing niets anders doet dan verwijzen naar het onderzoek van het dossier en naar het horen van de partijen, zodat op basis van de inhoud van die beslissing op generlei wijze te achterhalen is waarom de evaluatie uiteindelijk ongunstig bleef, dat de motivering onpersoonlijk is en in algemene bewoordingen werd opgesteld en niet werd toegespitst op de concrete gegevens; 2.
- Overwegende dat de verwerende partijen in hun laatste memorie nog stellen dat de begrippen en dus ook de quoteringen “matig” en “onvoldoende” fundamenteel van mekaar verschillen, dat “matig” in het Groot woordenboek der Nederlandse Taal van Van Dale wordt omschreven als “een redelijke maat maar niet te buiten gaande” terwijl “onvoldoende” wordt gedefinieerd als “niet toereikend [...]”, dat uit het feit dat, wanneer een personeelslid een welbepaald aantal keer “matig” scoort, een ongunstige beoordeling wordt toegekend, niet kan worden afgeleid dat de quotering matig dezelfde betekenis heeft als voldoende, dat de XII-2239-7/13 algemene beoordeling niet noodzakelijk “gelijkstaat” met de individuele beoordelingen, dat het auditoraatsverslag “vervalt in een beoordeling van de opportuniteit der evaluatie”; dat de verwerende partijen voorts doen gelden dat de uitleg die in het evaluatieverslag aan de quotering “matig” voor het item “initiatief” wordt gegeven voldoende is om de score te rechtvaardigen, dat immers verzoeker te weinig initiatief aan de dag legt wanneer een taak buiten de gewone opdrachten valt, dat het verwijt een algemene werkhouding en tekortkoming van verzoeker betreft, dat de quotering “matig” inzake verzoekers “fysieke/psychische situatie” wordt verklaard door de periode van meer dan drie maanden met beperkte arbeidsvoorwaarden die het gevolg was van een arbeidsongeval, dat een dergelijk objectief feit in aanmerking mag worden genomen in het kader van een bevorderingsprocedure; 2.
- Overwegende dat artikel 72 van het voormelde administratief statuut bepaalt dat de evaluatie de beoordeling is van het functioneren van het personeelslid in zijn functie en die evaluatie afweegt in welke mate de vooropgestelde doelstellingen zijn bereikt en het betrokken personeelslid beantwoordt aan de functiebeschrijving; dat artikel 82 bepaalt dat de evaluatie de toetsing inhoudt van de waarde, de geschiktheid, de inzet, de prestaties, de competentie en de verdiensten van het personeelslid, aan de functiebeschrijving van zijn ambt en dat het onderzoek resulteert in een beschrijvend kwalitatief evaluatieverslag; dat de evaluatie luidens artikel 83 steunt op de algemene criteria die door de gemeenteraad worden vastgesteld in bijlage 3 van het statuut en dat voor iedere graad door de gemeenteraad uit de algemene evaluatiecriteria een lijst van functierelevante evaluatiecriteria wordt opgesteld, criteria die worden gedistilleerd uit de functiebeschrijvingen; Overwegende dat de beoordelaars te dezen de verschillende aspecten van verzoekers functioneren tijdens de evaluatieperiode hebben beoordeeld door hem de quotering “onvoldoende”, “matig”, “goed” of “zeer goed” toe te kennen, waarbij zowel een welbepaald aantal quoteringen “matig” als één quotering “onvoldoende” tot een ongunstige evaluatie kunnen leiden; dat immers een totaalscore van vijf in de kolom “matig” op de subcriteria van “werkhouding”, “functiegericht” en “leidinggeven” automatisch tot de globale beoordeling “ongunstig” leidt en zulks ongeacht het aantal behaalde scores “goed” en/of “zeer goed”; dat aldus de quotering “matig” niet mag worden gelijkgesteld met de score “ongunstig” maar wel tot eenzelfde, ongunstig eindresultaat kan leiden zodat dient XII-2239-8/13 te worden besloten dat ook de beoordeling “matig” minstens een negatieve connotatie heeft; dat dienvolgens de quotering “matig” enkel mag worden toegekend indien betrokkene, wat betreft het bedoelde aspect, niet voldoet aan de functiebeschrijving van zijn ambt, en zulks dan moet blijken uit de door de beoordelaars gegeven motivering; Overwegende dat het feit dat de gemeenteraad te dezen een ontwerpevaluatieformulier heeft goedgekeurd waarbij de motivering voor elke score reeds op voorhand wordt vastgesteld, waardoor verzoekers beoordelaars zich ertoe konden beperken na te gaan welke omschrijving zijn werkgedrag het best beschrijft en het overeenstemmende ruitje zwart te maken, de Raad van State niet belet om, wanneer dat ontwerpevaluatieformulier in een concreet geval wordt toegepast en een personeelslid een globale beoordeling “ongunstig” bekomt op basis van een aantal scores “matig”, na te gaan of die motivering, mede in het licht van de door de gemeenteraad vastgestelde statutaire bepalingen, afdoende is, dat wil zeggen, of die motivering pertinent is en de negatieve quotering “matig” verantwoordt; Overwegende dat de beoordelaars te dezen verzoekers functioneren als “matig” hebben beoordeeld, in de eerste plaats omdat zijn “vaktechnische kennis” en “specifieke vaardigheden” gelijk zijn aan degene die voor de functie nodig zijn en omdat hij het “initiatief” neemt dat wordt verwacht; dat hieruit kan worden afgeleid dat verzoeker beantwoordt aan de functiebeschrijving van zijn ambt en, in tegenstelling tot hetgeen de verwerende partijen in hun laatste memorie doen gelden aldus meer dan “matig” verdient; dat bijgevolg de formele motivering van verzoekers scores voor de drie voormelde rubrieken niet afdoende is; Overwegende voorts dat verzoeker volgens het evaluatieformulier regelmatig werkt aan de gewone arbeidstaak volgens een opgelegd werkrooster en probeert een opdracht volledig in te vullen; dat politieagenten, blijkens de functiebeschrijving van de graad van politieagent, belast zijn met de uitvoering van de wettelijk voorgeschreven taken onder leiding van hiërarchisch hoger geplaatsten, met het verrichten van ondersteunende taken ten aanzien van collega’s van de eigen of andere gemeentelijke diensten in opdracht van de dienstoverste en het opnemen van nieuwe taken als gevolg van evoluties in de wetgeving, de reglementering, de circulaires en interne onderrichtingen; dat derhalve een politieagent die regelmatig werkt aan de gewone arbeidstaak volgens een opgelegd werkrooster en die probeert een opdracht volledig in te vullen zich in het licht van de functiebeschrijving van zijn XII-2239-9/13 ambt weliswaar niet in positieve zin, maar al evenmin in negatieve zin onderscheidt zodat ook hier moet worden vastgesteld dat de door de beoordelaars gegeven formele motivering om aan verzoeker een quotering “matig” toe te kennen, niet afdoende is; Overwegende ten slotte dat aan verzoeker de score “matig” wordt toegekend omdat hij tussen de leeftijd van 50 en 55 jaar is en in de loop van de voorbije drie jaren een langdurige periode van in het totaal meer dan 6 maanden met beperkende arbeidsvoorwaarden heeft gehad; dat niet blijkt om welke reden het feit op zich dat verzoeker ingevolge een arbeidsongeval een langdurige periode met beperkende arbeidsvoorwaarden heeft gehad een relevant motief oplevert voor een ongunstige beoordeling op het vlak van “werkhouding”; dat een dergelijk gegeven weliswaar een objectief feit is maar in tegenstelling tot hetgeen de verwerende partijen in hun laatste memorie betogen, niet afdoende om daaruit conclusies af te leiden betreffende zijn werkhouding; Overwegende dat de beoordelaars verzoekers functioneren tevens als “matig” hebben beoordeeld omdat hij herhaaldelijk op het goede spoor moet worden gezet, omdat hij eerder traag werkt in vergelijking met anderen, omdat hij vlug tevreden is en er slordigheidsfouten blijven zitten, omdat hij van goede wil is maar het eigen werk niet voldoende controleert en omdat hij het soms moeilijk heeft om met anderen samen te werken; dat die motivering niet is toegespitst op concrete gegevens over de wijze waarop verzoeker tijdens de evaluatieperiode in zijn functie van agent-hoofdbrigadier heeft gepresteerd en zulks trouwens ook niet kan zijn, vermits het gebruikte standaardformulier de beoordelaars niet toelaat hun quoteringen met concrete informatie te onderbouwen; dat deze motivering toch zou kunnen volstaan op voorwaarde dat uit het administratief dossier blijkt op welke concrete gegevens de beoordelaars zich hebben gesteund om in hun ontwerpevaluatie tot de hierboven vermelde quoteringen te komen; dat verzoeker terecht opmerkt dat het administratief statuut daarvoor een geëigend instrument heeft ingevoerd, namelijk het bij artikel 72 bedoelde functioneringsgesprek, dat tot doel heeft het functioneren en de werkresultaten van het personeelslid te verbeteren en dat resulteert in een afsprakennota tussen het personeelslid en zijn chef; dat de verwerende partij evenwel zelf toegeeft dat dergelijke functioneringsgesprekken niet werden gehouden “bij gebrek aan de nodige tijd”; dat een tweede geëigend instrument het bij artikel 87 van het administratief statuut bedoelde evaluatiegesprek is tijdens hetwelk de ontwerpevaluatie wordt toegelicht en besproken; dat een dergelijk evaluatiegesprek XII-2239-10/13 volgens de verwerende partijen werd gehouden op het ogenblik dat verzoeker het ontwerp van evaluatieverslag voor ontvangst en kennisneming ondertekende; dat dat gesprek volgens verzoeker geen volle minuut heeft geduurd en niet meer inhield dan een “loutere eenzijdige verwoording van wat reeds te lezen stond op het evaluatieverslag”; dat er geen schriftelijke neerslag voorhanden is van dat evaluatiegesprek zodat niet kan worden nagaan of en zo ja, in hoeverre, dat gesprek verzoeker in staat heeft gesteld de in de ontwerpevaluatie gehanteerde algemene formulering te begrijpen; dat het bestuur derhalve meermaals de kans had verzoeker duidelijk te maken welke concrete opmerkingen er waren inzake zijn “algemene werkhouding”; dat van deze mogelijkheid geen gebruik is gemaakt; dat uit de procedure en uit het administratief dossier niet blijkt wat verzoeker concreet wordt verweten; dat nergens blijkt dat verzoeker wist op welke concrete gegevens de beoordelaars zich hadden gesteund om tot de bevinding te komen dat hij gedurende de evaluatieperiode herhaaldelijk op het goede spoor moest worden gezet en dat hij eerder traag had gewerkt in vergelijking met anderen; dat hij integendeel betwist dat hij herhaaldelijk op het goede spoor moest gezet worden en aanvoert dat hij nooit op de hoogte werd gebracht van het feit dat hij niet voldeed en voorts wenst te vernemen op welke punten de beoordelaars een vergelijking hebben gemaakt met anderen om tot de conclusie te komen dat hij minder vlug werkt dan die anderen, waarbij hij opmerkt dat op de dienst “verkeer” niemand hetzelfde takenpakket heeft en hij gedurende de evaluatieperiode ongeveer twee maanden afwezig was ingevolge ziekte en verlof; Overwegende dat artikel 87 van het administratief statuut bepaalt dat de beoordelaars de schriftelijke opmerkingen van het personeelslid voor kennisneming tekenen en onmiddellijk hun conclusie formuleren, conclusie die definitief is behoudens beroep van het betrokken personeelslid of bemiddeling van de arbitragecommissie; dat de conclusie van de beoordelaars dat zij, na het lezen van verzoekers opmerkingen, van oordeel zijn “dat er geen nieuwe elementen zijn aangebracht die een wijziging van de beoordeling kunnen verantwoorden”, niet van aard was verzoeker inzicht te verschaffen in de concrete gegevens waarop de beoordelaars zich hadden gesteund, ook al had hij hierom uitdrukkelijk verzocht; dat voorts het administratief dossier geen schriftelijke neerslag bevat van het verhoor op 23 april 1999 door de arbitragecommissie van verzoeker en van de beoordelaars; dat de beoordelaars luidens artikel 89 van het administratief statuut, nadat de arbitragecommissie met hen en met de beoordeelde contact heeft opgenomen, bepalen of ze hun evaluatie al dan niet handhaven en de beoordeelde op de hoogte XII-2239-11/13 brengen van hun definitieve beslissing; dat door de mededeling van de beoordelaars aan verzoeker dat zij, na te zijn gehoord door de arbitragecommissie, hun evaluatie van 30 maart 1999 handhaven en dat hierdoor de evaluatie ongunstig blijft, de concrete onderbouw van die evaluatie uiteraard nog steeds niet bekend was aan verzoeker; dat zowel verzoeker als zijn beoordelaars in het kader van de beroepsprocedure tot twee maal toe werden gehoord door de burgemeester; dat uit de processen-verbaal van deze hoorzittingen wel blijkt dat verzoeker de reeds in zijn brief van 7 april 1999 vervatte argumenten zeer uitvoerig toelichtte, maar niets wordt veruitwendigd betreffende de concrete onderbouw van de beslissing van de twee beoordelaars, meer bepaald wat betreft hun quotering “matig” op grond van de vaststelling dat verzoeker herhaaldelijk op het goede spoor moet worden gezet en dat hij eerder traag werkt in vergelijking niet anderen; dat zulks evenmin het geval is in de thans bestreden beslissing waarbij de burgemeester verzoekers ongunstige evaluatie bevestigt; dat daarentegen die beslissing gesteund is op de overweging dat verzoeker weliswaar op omstandige wijze de argumenten vervat in zijn brief van 7 april 1999 uiteenzette maar “dat hij evenwel geen nieuwe en concrete feiten uit de evaluatieperiode aanvoerde die de beoordeling kunnen beïnvloeden”, terwijl het, op grond van de argumenten die verzoeker reeds in zijn brief van 7 april 1999 had uiteengezet, niet aan verzoeker maar aan de burgemeester zelf toekwam om te achterhalen op welke concrete feiten de beoordelaars zich hadden gesteund, om, na de zaak zelf ten gronde te hebben onderzocht, verzoekers argumenten te beantwoorden en een eindbeslissing te nemen; Overwegende dat, gelet op hetgeen voorafgaat, moet worden vastgesteld dat verzoekers ongunstige evaluatie van 30 maart 1999, die door de bestreden beslissing wordt bevestigd, gegrond is op elf quoteringen “matig”, dat de formele motivering van zes van deze quoteringen hoe dan ook niet afdoende is, dat ook de motivering van twee andere quoteringen niet als voldoende wordt beschouwd, nu uit het administratief dossier niet blijkt dat verzoeker kon weten op welke concrete gegevens de beoordelaars zich hebben gesteund om tot die twee quoteringen “matig” te komen; dat die concrete onderbouw al evenmin in de bestreden beslissing is veruitwendigd; dat het eerste middel in de besproken mate gegrond is, in zoverre daarin schending wordt ingeroepen van de formele en materiële motiveringsverplichtingen, XII-2239-12/13 BESLUIT: Artikel
- Vernietigd wordt de beslissing van 9 juli 1999 van de burgemeester van Mechelen waarbij de ongunstige evaluatie van 30 maart 1999 van Willy Jacobs wordt behouden. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van de stad Mechelen. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zevenentwintig april 2006, door de XIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. D. VERBIEST, kamervoorzitter, J. LUST, staatsraad, G. VAN HAEGENDOREN, staatsraad, Mevr. S. DOMS, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DOMS. D. VERBIEST. XII-2239-13/13 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.157.988 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.