← België

Arrest 157992 - - 27/04/2006

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 27 april 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.157.992 Rolnummer: A. 99066/XII-2912 Zaak: Arrest 157992 - - 27/04/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-05-05 Raadplegingen: 58 - laatst gezien 2026-06-30 18:08 Fiche Arrest nr 157.992 van 27 april 2006 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 157.992 van 27 april 2006 in de zaak A. 99.066/XII-

  1. In zake : Marc FAES, die woonplaats kiest bij advocaat A. Navasartian, kantoor houdende te 1000 Brussel, F. Rooseveltlaan 156 tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de gouverneur van de provincie Antwerpen. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, XIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Marc Faes op 4 januari 2001 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 9 november 2000 van de gouverneur van de provincie Antwerpen houdende intrekking van zijn vergunningen tot het voorhanden hebben van vijf vuurwapens; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgesteld door eerste auditeur-afdelingshoofd P. De Wolf; Gelet op de beschikking van 7 mei 2002 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien het verzoek tot voortzetting van de procedure van verzoeker; Gelet op de beschikking van 30 november 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 10 januari 2006; Gehoord het verslag van kamervoorzitter D. Verbiest; XII-2912-1/9 Gehoord de opmerkingen van advocaat A. Navasartian, die verschijnt voor verzoeker, en van adviseur R. Langerwerf, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van adjunct-auditeur-generaal P. De Wolf; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  2. De gegevens van de zaak. Overwegende dat de gegevens van de zaak kunnen worden samengevat als volgt : 1.
  3. Verzoeker beschikt over vergunningen tot het voorhanden hebben van : - een oorlogswapen Erma, model Ml, kaliber 22; - een verweerwapen geweer Remington, kaliber 22; - een verweerwapen geweer FN, kaliber 22; - een verweerwapen geweer Erma, kaliber 22; - een verweerwapen geweer Rossi, kaliber
  4. 1.
  5. Naar aanleiding van een controle van het centraal wapenregister stelt de politie van Boechout vast dat Louis V. zijn verweerwapen Simson 9 mm flobert aan verzoeker heeft overgedragen en dat deze laatste geen vergunning bezit tot het voorhanden hebben van dat wapen. 1.
  6. Blijkens een proces-verbaal van verhoor verklaart verzoeker op 29 juni 2000 aan de politie van Boechout dat hij voormeld wapen vier jaar eerder van Louis V. ter herstelling heeft ontvangen, dat het niet kon worden hersteld, dat hij het wapen is vergeten terug te geven en dat hij het mocht houden maar is vergeten een vergunning aan te vragen. XII-2912-2/9 1.
  7. In een brief van 4 juli 2000 vraagt de politie van Boechout aan de gouverneur van Antwerpen de mogelijkheid te onderzoeken de wapenvergunningen van verzoeker in te trekken of enige andere maatregel te nemen. In die brief wordt gewag gemaakt van het feit dat verzoeker reeds meer dan vier jaar in het bezit is van een verweervuurwapen zonder de vereiste vergunning. Daarnaast wordt gemeld dat de verzoeker is ingeschreven in Boechout maar “eigenlijk woont bij zijn vriendin in Vorselaar” waar “vermoedelijk” ook de wapens zijn. 1.
  8. Blijkens een proces-verbaal van verhoor verklaart verzoeker op 26 september 2000 aan de politie van Boechout dat hij bij een vriendin te Vorselaar verblijft omdat hij zijn woning in Boechout aan het verbouwen is. De wapens heeft hij opgeborgen in een bewaarmagazijn te Aartselaar. Hij verklaart dat hij het niet opportuun vond zijn wapens in Boechout te laten omdat hij er dikwijls een hele week niet heengaat en er meermaals werd ingebroken. 1.
  9. In een brief van 19 oktober 2000 aan de provinciegouverneur adviseert de procureur des Konings alle vergunningen van verzoeker in te trekken. Als motivering wordt vermeld: “Betrokkene leeft de wapenreglementering niet ernstig na en gelet op zijn precaire en veranderende verblijfstoestand kan zijn wapenbezit moeilijk gecontroleerd worden”. Op 9 november 2000 beslist de gouverneur de voornoemde wapenvergunningen van verzoeker in te trekken. Het besluit wordt als volgt gemotiveerd : “Gelet op het verzoek van de politie van Boechout tot intrekking van de vergunningen tot het voorhanden hebben van de hierna vermelde vuurwapens van de heer Faes Marc, geboren op 25 november 1953 te Lier, en wonende te 2530 Boechout, [...]; Gelet op het schrijven d.d. 19 oktober ll. van de procureur des Konings van Antwerpen, die eveneens van mening is dat de vergunningen moeten worden ingetrokken; Gelet op de wet van 3 januari 1933 op de vervaardiging van, de handel in en het dragen van wapens en op de handel in munitie, gewijzigd bij de wetten van 29 juli 1934, 4 mei 1936, 6 juli 1978, 30 januari en 5 augustus 1991, 9 maart 1995, 24 juni 1996 en 18 juli 1997, hierna wapenwet genoemd, inzonderheid de artikelen 6, § 1, lid 3, en 11, § 2; Gelet op het koninklijk besluit d.d. 20 september 1991 tot uitvoering van voormelde wapenwet, gewijzigd bij koninklijke besluiten van 18 januari 1993, 30 maart 1995, 4 augustus 1996 en 4 februari 1999, inzonderheid de artikelen 9 tot en met 14; Gelet op de gecoördineerde omzendbrief van 30 oktober 1995 en aanvullingen van de minister van Justitie, betreffende de toepassing van de wettelijke en reglementaire bepalingen inzake wapens, inzonderheid de punten 5.9 en 7; XII-2912-3/9 Gelet op de ministeriële omzendbrief van 5 mei 1998 van de minister van Justitie, betreffende het toezicht op het legaal wapenbezit; Gelet op de E.G. richtlijnen 91/477/EEG van 18 juni 1991 en 6903 van 26 juli 1991, ingezonderd artikel 5; Overwegende dat de heer Faes een verweervuurwapen bezat zonder te beschikken over de nodige vergunning; Overwegende dat de politie het wapen ondertussen in beslag heeft genomen (proces-verbaal AN 3666000196/00); Overwegende dat de overige wapens van betrokkene moeilijk kunnen gecontroleerd worden gelet op zijn voortdurende veranderende verblijfplaats; Overwegende dat de houding van de heer Faes onverenigbaar is met het bezit van vuurwapens en het behoud van de openbare orde en de veiligheid de intrekking van de vergunningen vereisen”. Een afschrift van dat intrekkingsbesluit wordt bij aangetekende brief van 13 november 2000 aan verzoeker bezorgd. 1.
  10. In een aangetekende brief van 11 december 2000 aan het arrondissementscommissariaat te Mechelen betwist verzoeker de motieven van de bestreden beslissing en vraagt hij een herziening ervan. Op 29 december 2000 deelt de procureur des Konings aan de gouverneur mee dat zij haar standpunt niet wijzigt omdat hoe dan ook een inbreuk op de wapenwetgeving werd gepleegd en de wapens werden bewaard bij een opslagfirma;
  11. De grond van de zaak. 2.
  12. Overwegende dat verzoeker in het eerste middel een schending van het “evenredigheidsbeginsel” aanvoert; dat hij betoogt dat hij het wapen dat hem werd toevertrouwd vrijwillig naar de politie bracht, dat hij zich bovendien bewust was van het feit dat hij niet vaak in zijn woonplaats aanwezig was, reden waarom hij de wapens waarvoor hem wel een vergunning werd verleend in veiligheid bracht, dat het dan ook “onredelijk” is dat verwerende partij, die de omstandigheden kende, de vergunningen heeft ingetrokken; Overwegende dat verzoeker in de memorie van wederantwoord nader betoogt dat verwerende partij het evenredigheidsbeginsel heeft geschonden door al zijn vergunningen in te trekken omdat hij heeft nagelaten een vergunning aan te vragen voor een wapen dat door een vriend ter herstelling was gegeven, dat verwerende partij niet aantoont hoe de controle werd bemoeilijkt, dat hij zich op het XII-2912-4/9 eerste verzoek van de politie voor controle heeft aangeboden zodat er onmogelijk sprake kan zijn van een moeilijke controle, dat de bestreden beslissing, door meteen de zwaarste sanctie op te leggen zonder een andere mogelijkheid te overwegen, in kennelijke wanverhouding staat tot de begane overtreding; Overwegende dat artikel 6, § 1, tweede lid, van de wet van 3 januari 1933 op de vervaardiging van, de handel in en het dragen van wapens en op de handel in munitie (hierna: de wapenwet) inzake verweerwapens bepaalt hetgeen volgt : “Indien blijkt dat het voorhanden hebben van het wapen de openbare orde kan verstoren, kan de gouverneur van de provincie waar de verzoeker zijn woonplaats heeft de vergunning bij een met redenen omklede beslissing schorsen of intrekken na het advies te hebben ingewonnen van de procureur des Konings van het arrondissement waar de verzoeker zijn woonplaats heeft”; dat artikel 11, § 2, van de wapenwet voor oorlogswapens een gelijkaardige bepaling bevat; Overwegende dat bij de invulling van het begrip openbare orde de gouverneur bij toepassing van de aangehaalde bepaling over een ruime discretionaire bevoegdheid beschikt; dat hij namelijk uit bepaalde feiten mag afleiden dat het voorhanden hebben van het wapen waarvan hij de vergunning schorst of intrekt de openbare orde “kan” verstoren; dat deze discretionaire bevoegdheid weliswaar met de nodige zorgvuldigheid dient te worden uitgeoefend, meer bepaald met naleving van hetgeen verzoeker onder het evenredigheidsbeginsel verstaat; Overwegende dat te dezen uit de stukken blijkt dat verzoeker gedurende vier jaar in het bezit was van een verweervuurwapen waarvoor hij geen vergunning bezat en dat zijn overige wapens werden ondergebracht op een plaats die niet werd gemeld aan de politie van zijn woonplaats; dat de gouverneur, gezien deze vaststellingen, geen gebrek aan een zorgvuldig oordeel mag worden verweten wanneer hij beslist verzoekers wapenvergunningen in te trekken; dat weliswaar meteen de zwaarste sanctie te dezen werd opgelegd, doch dat die sanctie niet in een dergelijke wanverhouding staat tot de vastgestelde tekortkomingen dat het opleggen ervan de grenzen van de beleidsvrijheid die de wapenwet aan de gouverneur verleent te buiten zou gaan; dat het voorhanden hebben van vuurwapens nu eenmaal grote risico’s inhoudt voor de openbare orde en veiligheid zodat een bevoegde overheid mag eisen dat de wapenwet en de uitvoeringsbesluiten ervan scrupuleus en stipt worden nageleefd; dat het middel niet gegrond is; XII-2912-5/9 2.
  13. Overwegende dat verzoeker in een tweede middel stelt dat de “materiële motiveringsplicht” werd geschonden doordat verwerende partij onterecht spreekt over een “voortdurend veranderende verblijfplaats”, dat hij vaak bij zijn vriendin, waar hij zijn professionele activiteit uitoefent, verblijft en dus niet voortdurend van verblijfplaats verandert; Overwegende dat verwerende partij daartegen betoogt dat de procureur des Konings in zijn advies van 19 oktober 2000 verwijst naar verzoekers steeds wijzigende verblijfstoestand, waardoor zijn wapenbezit moeilijk kan worden gecontroleerd, dat ook de politie van Boechout tot deze vaststelling was gekomen, dat verwerende partij op grond van voornoemde adviezen, die melding maken van verzoekers onwettig wapenbezit en van zijn verblijfstoestand, besloot tot het intrekken van zijn vergunningen, dat het feit dat verzoeker geregeld bij zijn vriendin verblijft niets afdoet aan de vaststelling dat de wapens op een ander adres worden bewaard dan het op de vergunning vermelde adres; Overwegende dat verzoeker antwoordt dat de bewering dat hij voortdurend van verblijfplaats verandert niet correct is en niet wordt bewezen, dat verwerende partij niet aantoont welke controle door deze omstandigheid werd bemoeilijkt, dat de argumentatie van verwerende partij geen feitelijke grondslag heeft en bovendien hypothetisch is aangezien hij door gevolg te geven aan het eerste verzoek van de politie heeft aangetoond dat er “geen belemmeringen voorhanden zijn voor een controle”; Overwegende dat ingevolge de materiële motiveringsplicht elke administratieve beslissing moet steunen op rechtens aanvaardbare motieven met een voldoende feitelijke grondslag; dat te dezen in de bestreden beslissing twee motieven worden ingeroepen voor het intrekken van verzoekers wapen-vergunningen; Overwegende dat het eerste motief luidt dat verzoeker een verweervuurwapen bezit zonder te beschikken over de vereiste vergunning; Overwegende dat het vaststaat dat verzoeker gedurende vier jaar een verweervuurwapen bezat zonder over de vereiste vergunning te beschikken; dat bijgevolg de bestreden beslissing berust op een rechtens aanvaardbaar motief met een voldoende feitelijke grondslag; XII-2912-6/9 Overwegende dat als tweede motief wordt opgegeven dat “de overige wapens van betrokkene moeilijk kunnen gecontroleerd worden gelet op zijn voortdurende veranderende verblijfplaats”; Overwegende dat uit de gegevens van het administratief dossier en meer bepaald uit de informatie verstrekt door de gemeentepolitie van Boechout niet blijkt dat verzoeker “voortdurend” van verblijfplaats verandert; dat wel wordt vastgesteld dat hij een vervallen woning in Boechout kocht en zich inschreef in de bevolkingsregisters van Boechout maar eigenlijk bij zijn vriendin in Vorselaar woont; dat daaromtrent de procureur des Konings in zijn advies in ondergeschikte orde opmerkt dat verzoekers wapenbezit moeilijk kan worden gecontroleerd “gelet op zijn precaire en veranderende verblijfstoestand”; dat aldus de term “voortdurende” zo blijkt te zijn bedoeld dat verzoekers hiervoor beschreven verblijfstoestand niet kortstondig maar “voortdurende” is en dat noch hijzelf, noch zijn wapens, op korte termijn weer te vinden zouden zijn in de woning te Boechout; dat bovendien het motief, dat de controle op verzoekers wapenbezit moeilijk is, niet van elke grond is ontbloot; dat immers blijkt dat verzoeker de gemeentepolitie van Boechout niet op de hoogte bracht van het feit dat hij zijn wapens in Aartselaar had opgeborgen; dat voorts de gouverneur verzoekers vergunningen evenzeer zou hebben mogen intrekken op grond van de eerste opgegeven reden alleen zodat de dubbelzinnige formulering van het tweede motief in elk geval, op zichzelf, niet tot nietigverklaring kan leiden; dat ook het tweede middel niet gegrond is; 2.
  14. Overwegende dat verzoeker in een derde middel argumenteert dat de artikelen 6, § 1, tweede lid, en 11, § 2, van de wapenwet werden geschonden aangezien een vergunning tot het voorhanden hebben van een verweer- of oorlogsvuurwapen slechts kan worden ingetrokken als blijkt dat het voorhanden hebben van het wapen de openbare orde kan verstoren, dat de door verwerende partij ingeroepen elementen niet van aard zijn aan te tonen dat de openbare orde kon worden verstoord, dat in elk geval niet wordt gemotiveerd waarom die elementen door verwerende partij als dusdanig worden geïnterpreteerd; Overwegende dat verzoeker in de memorie van wederantwoord nog betoogt dat de argumentatie van verwerende partij dat zijn gedrag de openbare orde kan verstoren niet kan worden gevolgd en “totaal hypothetisch” is, dat hij sinds meerdere jaren houder is van vijf vergunningen, dat hij nooit werd veroordeeld en zich altijd correct heeft gedragen tegenover de ordediensten en de controle, dat in het XII-2912-7/9 verslag van 4 juli 2000 van de politie van Boechout werd vermeld dat hij “[...] gekend [is] als een hard werkend persoon welke omzeggens niet met [hun] diensten in aanraking is geweest, zeker niet in negatieve zin”, dat verwerende partij een manifeste appreciatiefout heeft begaan, dat niet valt in te zien hoe een persoon die vijf wapenvergunningen heeft verkregen en die geen gevaar vormde voor de openbare orde, ineens, omwille van het niet vervullen van een formaliteit met betrekking tot een defect wapen, wel een gevaar vormt voor de openbare orde, dat het betrokken wapen wel vergund was, doch niet op zijn naam, zodat het kon worden geïdentificeerd; Overwegende dat de gouverneur op grond van artikel 6, § 1, tweede lid en artikel 11, § 2, van de wapenwet de vergunning tot het voorhanden hebben van een verweer- of oorlogsvuurwapen kan schorsen of intrekken bij een met redenen omklede beslissing indien blijkt dat het voorhanden hebben van het wapen de openbare orde kan verstoren; dat uit de parlementaire voorbereiding van de wet van 30 januari 1991 tot wijziging van de wapenwet blijkt dat het begrip “openbare orde” in de ruime zin moet worden opgevat, namelijk met inbegrip van de openbare veiligheid, de openbare rust en de openbare gezondheid (Parl. St., Kamer, 1989- 1990, nr. 978/6, blz. 26 en 27); dat tijdens de parlementaire voorbereiding van de wet van 30 januari 1991 tot wijziging van de wapenwet ook werd benadrukt dat het de bedoeling was de samenleving te beschermen tegen geweld en het risico op ongelukken te verminderen (Parl. St., Senaat, 1989-1990, nr. 972/2, blz. 2 en 4; Parl. St., Kamer, 1989-1990, nr. 978/6, blz. 2); dat in de gewijzigde wapenwet en in het uitvoeringsbesluit niet wordt bepaald dat een intrekking of schorsing enkel mogelijk is indien betrokkene werd veroordeeld wegens bepaalde misdrijven; dat evenmin vereist is dat betrokkene de openbare orde reeds zou hebben verstoord met een wapen; dat verzoekers vergunningen werden ingetrokken omdat werd vastgesteld dat hij een wapen bezat zonder vergunning; dat de gouverneur oordeelde dat het niet naleven van de wapenwetgeving door de houder van wapenvergunningen een gevaar inhoudt voor de openbare orde en veiligheid; dat de bestreden beslissing als zodanig dan ook op een rechtens aanvaardbaar motief berust dat steun vindt in de artikelen 6 en 11 van de wapenwet; dat het derde middel niet gegrond is; 2.
  15. Overwegende dat verzoeker in een vierde middel aanvoert dat de bestreden beslissing de formele motiveringsplicht, zoals voorgeschreven door de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurs- handelingen, schendt doordat zij verwijst naar een schrijven van 19 oktober 2000 van XII-2912-8/9 de procureur des Konings terwijl een motivering die louter verwijst naar adviezen die de betrokkene niet ter kennis zijn gebracht, niet afdoende is in de zin van voornoemde wet; Overwegende dat, nu uit de uiteenzetting van het tweede middel blijkt dat verzoeker de materiële motieven van de beslissing kende, het vierde middel, gesteund op de schending van de formele motiveringsplicht, niet dienstig kan worden ingeroepen, nu het doel van de formele motiveringsverplichting zoals voorgeschreven door de voornoemde wet is bereikt, namelijk de betrokkene in staat te stellen om terdege te oordelen of het zin heeft zich tegen de beslissing te verweren op het stuk van de motieven met de middelen die het recht hem ter beschikking stelt, BESLUIT: Artikel
  16. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  17. De kosten van het beroep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van verzoeker. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zevenentwintig april 2006, door de XIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. D. VERBIEST, kamervoorzitter, D. MOONS, staatsraad, G. VAN HAEGENDOREN, staatsraad, Mevr. S. DOMS, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DOMS. D. VERBIEST. XII-2912-9/9 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.157.992 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.