← België

Arrest 157995 - - 27/04/2006

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 27 april 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.157.995 Rolnummer: A. 95990/XII-2778 Zaak: Arrest 157995 - - 27/04/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-05-04 Raadplegingen: 54 - laatst gezien 2026-06-30 18:09 Fiche Arrest nr 157.995 van 27 april 2006 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 157.995 van 27 april 2006 in de zaak A. 95.990/XII-

  1. In zake : Leona VAN VAERENBERGH, die woonplaats kiest bij advocaat F. Keuleneer, kantoor houdende te 1000 Brussel, Verenigingstraat 28 tegen : de VLAAMSE AUTONOME HOGESCHOOL ANTWERPEN, die woonplaats kiest bij advocaat W. Van Caeneghem, kantoor houdende te Antwerpen, Quinten Matsijslei
  2. ---------------------------------------------------------------------------------------------------- --- D E R A A D V A N S T A T E, XIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Leona van Vaerenbergh op 26 september 2000 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van : “- de beslissing BDRV/54/7/29.11.1999 van de Departementsraad van 29 november 1999 waarbij de beslissing omtrent de aanstelling tot hoofd van de vakgroep Duits van het Departement Vertalers en Tolken werd doorverwezen naar het college van vakgroepen, meerbepaald door te stellen dat ‘betreffende de leiding van de vakgroep Duits nog uitspraak zal worden gedaan door het college van vakgroepen’ (stuk 14); - de beslissing BDRV/57/14/04.02.2000 van de Departementsraad van het departement vertalers en tolken van de Hogeschool Antwerpen dd. 4 februari 2000 waarbij mevr. Rita Roggen aanvaard wordt als hoofd van de Vakgroep Duits ten nadele van verzoekster (stuk 17); - de beslissing BDRV/60/8/09.05.2000 van de Departementsraad van het departement vertalers en tolken van de Hogeschool Antwerpen dd. 9 mei 2000 waarbij wordt besloten de beslissing BDRV/57/14/04.02.2000 onverkort te handhaven (stuk 24)”; Gelet op het arrest nr. 95.801 van 23 mei 2001 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden handelingen wordt verworpen; XII-2778-1\8 Gezien het verzoek van de verzoekende partij tot voortzetting van de procedure; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur D. Mareen; Gelet op de beschikking van 19 juli 2005 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memories; Gelet op de beschikking van 16 februari 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 21 maart 2006; Gehoord het verslag van staatsraad G. van Haegendoren; Gehoord de opmerkingen van advocaat J. Flo, die loco advocaat F. Keuleneer verschijnt voor verzoekster, en van advocaat L. Moreau, die loco advocaat W. Van Caeneghem verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur D. Mareen; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State; De gegevens van de zaak
  3. Overwegende dat de gegevens van de zaak kunnen worden samengevat als volgt : Verzoekster is hoogleraar Duits aan het departement vertalers en tolken van de Hogeschool Antwerpen en, tot de aanleiding voor huidig geschil, hoofd van de vakgroep Duits. Die vakgroep wordt gevormd door verzoekster, werkleider- assistent Rita Roggen en werkleider-assistent Marie-Paule Quix. XII-2778-2\8 Op 4 oktober 1999 draagt de vakgroep R. Roggen voor, met twee stemmen tegen een, als hoofd van de vakgroep. Op 29 november 1999 staat een klachtbrief van verzoekster hierover als punt 7 op de agenda van de departementsraad. In die brief formuleert verzoekster het bezwaar dat “de inhoud van mijn functie als hoogleraar uitgehold [wordt]” en vraagt zij dat de departementsraad “mijn taakomschrijving zou bepalen conform de functiebeschrijving van de functiefamilie hoogleraar/gewoon hoogleraar”. De departementsraad beslist : “kennis te nemen van het schrijven van mevrouw Leona van Vaerenbergh, d.d. 29.11.
  4. De raad merkt op dat betreffende de leiding van de vakgroep Duits, nog uitspraak zal gedaan worden door het college van vakgroepen en verwijst, betreffende het opstellen van de taakomschrijving naar de onderhandelingsopdracht die, tijdens de vorige departementsraad, aan het DOC werd gegeven”. Het college van vakgroepen beslist vervolgens op 1 februari 2000, met zeven stemmen voor, een tegen en twee onthoudingen, “om het advies van de vakgroep Duits te volgen”. Op 4 februari 2000 beslist de departementsraad, met verwijzing naar de uitslag van de stemming in de vakgroep Duits en naar het advies van 1 februari 2000 van het college van de vakgroepen : “het advies van het college van vakgroepen d.d. 01.02.2000 te bevestigen en mevrouw Rita Roggen te aanvaarden als hoofd van de vakgroep Duits”. Verzoekster tekent bij gemotiveerd schrijven van haar raadsman protest aan tegen de beslissing van de departementsraad. Op 9 mei 2000 beraadslaagt de departementsraad over het bezwaarschrift van verzoeksters raadsman en beslist uiteindelijk, “met onthouding van mevrouw Rita Roggen, die tijdelijk de vergadering verlaten heeft” : “de beslissing BDRV/57/14/04.02.2000 onverkort te handhaven”; De ontvankelijkheid van het beroep ratione materiae 3.
  5. Overwegende dat verwerende partij opwerpt dat het beroep tegen de eerste bestreden beslissing van de departementsraad onontvankelijk is, dat het XII-2778-3\8 immers een louter voorbereidende beslissing betreft, om de beslissing omtrent de aanstelling tot hoofd van de vakgroep Duits uit te stellen tot na het advies van het college van vakgroepen; Overwegende dat verzoekster in de memorie van wederantwoord verklaart dat de eerste bestreden beslissing “wel degelijk en bij wijze van precedent een bevoegdheidstoewijzing inhoudt ten aanzien van het college van vakgroepen” die door haar wordt bestreden bij het eerste middel van het verzoekschrift; dat zij daar in de laatste memorie nog aan toevoegt dat R. Roggen reeds vanaf 4 oktober 1999 de functie van hoofd van de vakgroep uitoefende, zodat de beslissing van 29 november 1999 “impliciet de aanstelling van mevrouw Roggen als hoofd van de vakgroep bevestigde”; 3.
  6. Overwegende dat de genotuleerde beslissing van de departements- raad op 29 november 1999 enkel een “kennis nemen” is van de klachtbrief van verzoekster en het “opmerken” dat over de kwestie door het college van vakgroepen nog uitspraak gedaan zal worden; dat in de latere beslissing van 4 februari 2000 naar die uitspraak zal worden verwezen als het “advies” van het college van vakgroepen; dat het op 29 november 1999 nog niet om een definitieve, maar om een louter voorbereidende beslissing gaat, zoals verwerende partij terecht opmerkt; dat zij de uitkomst van de later getroffen eindbeslissing in geen enkel aspect determineert; dat onwettigheden die dan aan de beslissing van 29 november 1999 zouden kleven in voorkomend geval kunnen worden aangevoerd om de onwettigheid van de eindbeslissing te argumenteren; dat de eerste bestreden beslissing evenwel geen aanvechtbare rechtshandeling is; dat de exceptie gegrond is; 4.
  7. Overwegende dat verwerende partij in de memorie van antwoord ook het beroep tegen de derde bestreden beslissing onontvankelijk noemt, omdat het om een louter bevestigende beslissing gaat; 4.
  8. Overwegende dat uit de notulen van de departementsraads- vergadering van 9 mei 2000 blijkt dat het bestuur aan de kwestie een nieuw onderzoek en een nieuwe bespreking heeft gewijd, waarbij de argumenten van verzoeksters raadsman werden onderzocht en waarbij de beslissing wordt gehand- haafd, met een aangevulde motivering die niet samenvalt met de motivering in de beslissing van 4 februari 2000, zodat de beslissing van 9 mei 2000 niet als een louter bevestigende beslissing kan worden beschouwd; dat de exceptie wordt verworpen; XII-2778-4\8 dat evenwel ambtshalve wordt vastgesteld, om dezelfde redenen, dat de beslissing van 9 mei 2000 in de plaats is gekomen van de oorspronkelijke beslissing van de departementsraad van 4 februari 2000 en, bijgevolg, de enige bij voorliggend beroep ontvankelijk te bestrijden eindbeslissing is;
  9. Overwegende dat verzoekster in de memorie van wederantwoord en andermaal in de laatste memorie betoogt dat zij ook de impliciete “opheffings- beslissing” aanvecht, namelijk de beslissing waarbij zij van haar opdracht als hoofd van de vakgroep wordt ontheven, beslissing die zij al dan niet terecht leest in de eerste bestreden beslissing; Overwegende, ambtshalve, dat uit de aanstelling van R. Roggen tot hoofd van de vakgroep Duits weliswaar de beslissing blijkt om aan verzoekster die hoedanigheid te ontnemen; dat het evenwel om twee verschillende beslissingen gaat, de eerste expliciet, de andere impliciet; dat verzoekster de uitdrukkelijke nietigverklaring van die impliciete “opheffingsbeslissing” niet in het inleidend verzoekschrift heeft gevorderd, maar die vraag pas in de latere procedurestukken, en dus te laat, heeft te berde gebracht; dat overigens met de eventuele nietigverklaring van de aanstelling van R. Roggen ook de daaruit blijkende “opheffingsbeslissing” uit het rechtsverkeer verdwijnt; Het actueel belang van verzoekster 6.
  10. Overwegende dat verzoekster in de laatste memorie meedeelt dat het college van vakgroepen inmiddels is afgeschaft, dat zijzelf met ingang van 1 oktober 2004 door een beslissing van 23 september 2004 van de departementsraad opnieuw hoofd van de vakgroep is geworden, dat haar te verstaan is gegeven dat deze herbenoeming slechts tijdelijk is gezien zij thans als enige binnen de vakgroep Duits een voltijdse opdracht heeft zodat, bij wijziging in de verlofregeling of de vervulling van vervangingsopdrachten er een zeer reële kans bestaat dat R. Roggen opnieuw hoofd van de vakgroep Duits wordt; Overwegende dat verzoekster betoogt het volgende moreel belang te behouden bij het beroep: eensdeels zou vernietiging door de Raad “een vorm van eerherstel voor verzoekster betekenen”, anderdeels dient in analogie met tucht- maatregelen ook te dezen “het zuivere morele belang van verzoekster erkend te worden”; zij merkt op dat zij eveneens de vernietiging van de “impliciete opheffings- XII-2778-5\8 beslissing” vordert, “het vernietigen van de beslissing verzoekster te ‘ontheffen’ als hoofd van de vakgroep houdt logischerwijs in dat verzoekster opnieuw hoofd van de vakgroep wordt” en de vernietiging zou “het dubbele zuivere morele nadeel - de aantasting van haar goede naam en de persoonlijke vernedering van wat verzoekster enkel als een degradatie kan ervaren - herstellen”; zij stelt nog dat de nieuwe beslissing van 23 september 2004 geen intrekking is van de bestreden beslissingen waarvan zij de gevolgen heeft ondergaan, en evenmin een definitieve beslissing aangezien de deur openstaat voor de (her)benoeming van assisterend personeel als hoofd van de vakgroep eenmaal de “noodzaak” verdwijnt die tot haar huidige aanstelling aanleiding heeft gegeven; Overwegende dat verwerende partij hier in de laatste memorie op reageert en opwerpt dat verzoekster “gelet op de ondertussen gewijzigde situatie, geen enkel belang meer heeft bij de vernietiging van de oorspronkelijke beslissing”; 6.
  11. Overwegende dat het belang, waarvan een verzoekende partij blijk moet geven, dient te bestaan op het ogenblik van het indienen van het annulatie- beroep en dat zij dat belang moet behouden tot aan de uitspraak; dat de aard van het belang weliswaar kan evolueren maar dat verzoekster minstens aannemelijk moet maken dat de gevraagde vernietiging haar nog een concreet voordeel oplevert; dat dit voordeel in beginsel meer moet zijn dan de genoegdoening verbonden met het horen onwettig verklaren van de bestreden beslissing; Overwegende dat het voordeel dat verzoekster met haar beroep oorspronkelijk nastreefde er in bestond om als hoofd van de vakgroep te kunnen fungeren en de daarbij horende taken daadwerkelijk te kunnen uitoefenen; dat de bestreden beslissing van 9 mei 2000, die zulks heeft verhinderd, alleszins is vervangen, voor de toekomst, door een nieuwe beslissing van 23 september 2004 waarbij de departementsraad verzoekster met ingang van 1 oktober 2004 opnieuw als hoofd van de vakgroep aanstelt; dat die beslissing van 23 september 2004 dienvolgens de eerdere beslissing van 9 mei 2000 minstens stilzwijgend heeft opgeheven; Overwegende dat die nieuwe beslissing wel mede “de noodzaak” als beweegreden vermeldt, maar dan toch niet voorwaardelijk is geformuleerd of in de tijd beperkt; dat het in die zin een definitieve beslissing is die, op haar beurt, door een andere, formele beslissing zal moeten worden vervangen, wil verwerende partij XII-2778-6\8 niet verzoekster maar iemand anders als hoofd van de vakgroep aanstellen; dat een dergelijke, in de toekomst te situeren beslissing thans nog hypothetisch is en alleszins op haar beurt in rechte kan worden aangevochten; dat dit betoog van verzoekster niet volstaat om het actueel belang te staven van het beroep tegen de initiële beslissing; Overwegende dat aan verzoekster derhalve door de departementsraad reeds méér is gegeven dan wat zij kon verwachten van een eventueel uit te spreken nietigverklaring door de Raad van State; dat het voordeel dat verzoekster met haar beroep oorspronkelijk nastreefde er immers in bestond, een nieuwe kans te verwerven dat de departementsraad de voordracht van R. Roggen afwijst en, vervolgens, haar als hoofd van de vakgroep behoudt; dat zij ondertussen evenwel opnieuw effectief hoofd van de vakgroep is geworden, zodat zij thans reeds met zekerheid heeft wat een nietigverklaring haar zou kunnen opleveren; Overwegende dat verzoekster nu wel kan betogen dat een annulatie, met retroactieve werking, haar ook bijkomend voordeel kan opleveren; dat de vraag rijst welk voordeel; dat dit voordeel alleszins niet kan zijn dat verzoekster daadwerkelijk voor het verleden de taken van hoofd van de vakgroep zal hebben uitgeoefend; dat de Raad bovendien de vaststelling bijvalt, reeds geschreven in het schorsingsarrest, dat de bestreden beslissing geen wijziging meebrengt in het rechtspositionele ambt van verzoekster, zodat een annulatie ook geen enkele reconstructie van verzoeksters ambtelijke loopbaan vereist; dat daarenboven verzoekster, die in wezen datgene heeft verkregen wat zij oorspronkelijk nastreefde, uit haar nieuwe aanstelling door de departementsraad op het vlak van de morele genoegdoening kan afleiden dat verwerende partij haar geenszins onbekwaam acht om die taken te vervullen; dat, zonder dat de Raad van State zich dan nog hoeft uit te spreken over de vraag of de bestreden handeling, wegens haar in het schorsingsar- rest beschreven geringe impact, wel aan de vereisten voldoet die haar tot een voor vernietiging vatbare rechtshandeling maakt, het “zuiver morele belang” van verzoekster in de concrete omstandigheden van de zaak nog enkel te situeren is in de genoegdoening de bestreden beslissing bij arrest onwettig te horen verklaren; dat dergelijk belang echter geen belang is dat verbonden is aan de nietigverklaring of aan het doen verdwijnen van de bestreden akte uit de rechtsorde, maar een belang dat er uitsluitend in bestaat een middel gegrond te horen verklaren; dat een dusdanig belang een onrechtstreeks belang is dat niet volstaat om een ontvankelijk beroep tot nietigverklaring in te stellen of te handhaven; dat de in de laatste memorie opgewor- pen exceptie gegrond is; dat het beroep tegen de bestreden beslissing niet langer XII-2778-7\8 ontvankelijk is; dat het echter passend voorkomt in de omstandigheden van de zaak, mede in acht genomen dat het verlies aan belang dat de verwerende partij aan verzoekster tegenwerpt, precies om de reden van haar eigen handelen is veroorzaakt, dat de kosten ten laste van de verwerende partij worden gebracht, BESLUIT: Artikel
  12. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  13. De kosten van de vordering tot schorsing en van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 347,06 euro, komen ten laste van de verwerende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zevenentwintig april 2006, door de XIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. D. VERBIEST, kamervoorzitter, J. LUST, staatsraad, G. VAN HAEGENDOREN, staatsraad, Mevr. S. DOMS, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DOMS. D. VERBIEST. XII-2778-8\8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.157.995 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2001:ARR.95.801 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.