← België

Arrest 158038 - - 27/04/2006

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 27 april 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.158.038 Rolnummer: A. 129705/XIV-12716 Zaak: Arrest 158038 - - 27/04/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-05-23 Raadplegingen: 60 - laatst gezien 2026-06-30 18:11 Fiche Arrest nr 158.038 van 27 april 2006 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 158.038 van 27 april 2006 in de zaak A. 129.705/XIV-12.716. In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat A. CATSOULIS, kantoor houdende te 2650 EDEGEM, Mechelsesteenweg 210 tegen : de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, geboren op 19 juli 1966 en van Soedanese nationaliteit, op 25 november 2002 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 29 oktober 2002 tot bevestiging van de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken van 11 februari 2002 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten, naar de verzoekende partij aangetekend verstuurd op 29 oktober 2002; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de beschikking van 29 november 2002 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op de artikelen 4 en 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, d.d. 1 juli 2004, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit, en overgemaakt aan de bevoegde kamer op 5 juli 2004; Gelet op de kennisgeving van dat verslag aan de partijen; XIV-12.716-1/11 Gelet op de beschikking van 19 december 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op woensdag 8 februari 2006 om 14.00 uur; Gehoord het verslag van Staatsraad D. MOONS; Gehoord de opmerkingen van Advocaat A. CATSOULIS, die verschijnt voor de verzoekende partij, en van Attaché D. HANOULLE, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Adjunct-auditeur M. VAN LIMBERGEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; 1. Overwegende dat de voornaamste gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.1. De verzoekende partij komt België binnen op 31 december 2001 en verklaart zich vluchteling op 3 januari 2002. 1.2. Op 11 februari 2002 neemt de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken een beslissing tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.3. Op 29 oktober 2002 bevestigt de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze beslissing. De bevestigende beslissing van de Commissaris-generaal, die de bestreden beslissing uitmaakt, is als volgt gemotiveerd : “(...) Op basis van de elementen uit uw dossier, bevestig ik de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse zaken waarbij u het verblijf op het grondgebied werd geweigerd. Steunend op artikel 52 van de vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag bedrieglijk is. Buiten dit criterium steun ik mij op de volgende grond, voorzien in art. 52 van de Vreemdelingenwet: kennelijk ongegrond. De motieven waarop ik mijn beslissing baseer, vindt u op de volgende pagina’s. Ik meen bovendien dat u in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat u ontvlucht bent, en waar volgens uw verklaring, uw leven, uw fysieke integriteit of uw vrijheid in gevaar zou verkeren. (...) Mijn beslissing is gebaseerd op de volgende motieven: U verklaarde de Soedanese nationaliteit te bezitten, te behoren tot de Danagla-etnie en geboren te zijn in Marawi. U groeide op in Khartoum. Van 1983 tot 1987 studeerde u in Irak journalistiek aan de universiteit van Bagdad. Van juni 1993 tot december 1994 volbracht u uw militaire dienstplicht. In 1995 begon u als leraar te werken op de volksschool te Sennar. Rond augustus 1997 werd u overgeplaatst naar de staatsschool “Wadi Sayedna” in Omdurman. In het begin van 1998 sloot u zich aan bij een (illegale) onderwijsvakbond. Op 10 augustus huwde u met M (O.V. nr. 5.174.338 – C.G. nr. 02/10395B). Toen u op 21 oktober 1999 samen met 3 XIV-12.716-2/11 andere vakbondsleden aan het vergaderen was, vielen plots 6 veiligheidsagenten binnen. Jullie werden meegenomen naar een u onbekende plaats. U werd er ondervraagd over de documenten die in beslag genomen waren bij de inval en over de onderwijsvakbond. Na 3 weken detentie diende u een document te ondertekenen waardoor u er zich toe verbond niet meer deel te nemen aan politieke activiteiten. De volgende dag werd u vrijgelaten. Op 10 juli 2000 werd uw dochtertje Razan geboren. In het begin van november 2001 ontving u op school een oproep om u aan te sluiten bij de “PDF” (Popular Defense Forces), meer bepaald bij het regiment “Al Fath Al Moubin” dat zou worden ingezet aan het front. U weigerde hierop in te gaan en op 6 november 2001 werd u samen met een aantal andere leraren (van verschillende scholen uit de regio) die net als u weigerden de PDF te vervoegen, ontslagen. De onderwijsvakbond stelde een communiqué op over het ontslag van de leraren, die weigerden in te gaan op de oproep van de PDF, en het werd verspreid. 4 dagen na uw ontslag kwamen 3 veiligheidsagenten u 's nachts thuis oppikken. Ze brachten u naar een u onbekende plaats, waar ze u opgesloten. De veiligheidsagenten verdachten u er (onterecht) van meegewerkt te hebben aan het communiqué dat de onderwijsvakbond had opgesteld. Tijdens uw detentie werd u mishandeld en uw gezondheid ging zodanig achteruit dat u op aanraden van de gevangenisdokter overgebracht werd naar een hospitaal. Toen u na ongeveer 5 dagen hospitalisatie nog enkele analyses moest laten uitvoeren in het laboratorium van het hospitaal, bleek dat daar een kennis van u, Atif Attaïb, werkte. Aangezien uw bewaker buiten aan de deur postgevat had, had u de kans om uw wedervaren aan Atif te vertellen. Na het aanhoren hiervan besloot Atif u te helpen. Hij pretendeerde dat men een urinestaal van u wilde. De bewaker vergezelde u naar het toilet, maar u slaagde erin ongezien door het raam te ontkomen. U vluchtte naar een verwant, Ahmed Abdiin, die in de buurt van het hospitaal woonde. Zijn zoon Yasser bracht u anderhalf uur later per wagen naar een andere verwant, Mahmoud Abdiin, die in Wad Madani woonde. Eén van uw vrienden, Mohamed Al Dush, die in Khartoum op familiebezoek was, hoorde van uw problemen. Hij bracht uw vrouw en kind vanuit Khartoum naar Port Sudan en pikte u onderweg (in Wad Madani) op. Op 13 december 2001 gingen u, uw echtgenote en jullie dochtertje 's nachts aan boord van het schip Al Obeid. Na 8 dagen stapten jullie in Tripoli (Libië) over op de boot “Al Jaref”. Op 3 januari 2002 vroegen u en uw echtgenote asiel aan in België. Vooreerst kan worden opgemerkt dat uw activiteiten binnen de lerarenvakbond en uw arrestatie (op 21 oktober 1999) in dit verband op sommige punten weinig overtuigend zijn. U stelde voor het Commissariaat-generaal (p.15) dat de vergaderingen van deze vakbond in privé- huizen van leraars werden gehouden en dat er ook 3 of 4 keer bij u thuis een vergadering werd gehouden. Dit is merkwaardig, omdat uw echtgenote tijdens haar verhoor door het Commissariaat-generaal verklaarde (dd. 1 maart 2002) (p. 10) dat zij niet veel afweet van de vergaderingen die u in het kader van de lerarenvakbond hield, omdat zij geheim waren en dat zij niet weet waar deze vergaderingen plaatsvonden. U beweerde voor het Commissariaat- generaal (p. 16-17) dat u met een aantal andere leraars op 21 oktober 1999 werd gearresteerd en dat de veiligheidsagenten die toen binnenvielen een verslag van de vergadering vonden in verband met de achterstand in betaling van de lonen. Op de vraag van het Commissariaat- generaal of de veiligheidsdiensten toen nog andere documenten hadden gevonden, antwoordde u (p. 9) dat dit niet het geval was. Nochtans verklaarde uw echtgenote tijdens haar verhoor door het Commissariaat-generaal (p. 9) dat de veiligheidsagenten op de lerarenvergadering van 21 oktober 1999 pamfletten had gevonden, en voegde ze eraan toe dat de veiligheidsdiensten dachten dat deze pamfletten waren gefotokopieerd in het computercentrum waar uw vrouw werkte. Verder verklaarde uw echtgenote tijdens haar verhoor door het Commissariaat-generaal (p. 10) dat u naar aanleiding van uw arrestatie op 21 oktober 1999 werd vastgehouden in een “ghost house” in de wijk van de luchthaven van Khartoum. Dit is uiterst merkwaardig, aangezien u zelf voor het Commissariaat-generaal (p. 17-18) verklaarde de precieze locatie (in Khartoum) van de plaats waar u werd opgesloten niet te kennen, omdat u er geblinddoekt werd naartoe gebracht (p. 17) en ook geblinddoekt werd toen u uit uw detentieoord werd weggebracht (p. 18). U verklaarde overigens ook voor het Commissariaat-generaal (p. 18) dat uw echtgenote niet op hoogte was van de plaats waar u toen werd vastgehouden. Uw verklaring voor het Commissariaat-generaal (p. 18) dat u na uw arrestatie uw activiteiten voor de lerarenvakbond verderzette is opmerkelijk, omdat u tegelijk voor het Commissariaat-generaal verklaarde dat jullie werden gesurveilleerd, en dat u zelfs zeer concreet weet dat jullie in het oog gehouden werden door leden van de veiligheidsdienst. Niet alleen kan hierbij de vraag gesteld worden waarom jullie jullie activiteiten dan niet (tijdelijk) stopzetten, maar kan men zich ook afvragen waarom de veiligheidsdiensten jullie dan niet opnieuw heeft opgepakt, vermits jullie bijeenkomsten hetzelfde doel hadden als voordien. In verband met uw arrestatie in november 2001, ten gevolge van uw weigering om in te gaan op een oproeping van de PDF zijn uw verklaringen en deze van uw echtgenote ook uiteenlo- pend. Uw echtgenote verklaarde in dat verband voor het Commissariaat-generaal (p. 13) dat er op de deur werd geklopt; dat u de deur opendeed en dat er 3 personen in burgerkleding binnenkwamen met badges van de veiligheidsdienst. Toen u tijdens het interview door het Commissariaat-generaal werd gevraagd wie bij uw arrestatie in november 2001 de deur van uw woning opendeed, antwoordde u echter dat deze open was (zie uw verhoor door het Commissariaat-generaal (p. 6)). U verklaarde tijdens hetzelfde verhoor ook (p. 7) dat de XIV-12.716-3/11 personen die u toen thuis kwamen arresteren geen identificatie toonden. Naar aanleiding van uw arrestatie in 11 november 2001 verklaarde uw echtgenote voor het Commissariaat-generaal dat leden van de veiligheidsdienst bij jullie thuis langskwamen en dat iedereen reeds sliep op het ogenblik van hun komst (p. 13). U verklaarde daarentegen voor het Commissariaat-generaal (p. 6-7) dat u TV keek toen de veiligheidsdiensten naar uw huis kwamen en dat uw echtgenote ook nog niet sliep. Tevens zijn uw verklaringen over de overtreding van de kledingvoorschriften van uw vrouw, in strijd met deze van uw echtgenote. Uw echtgenote stelde tijdens haar verhoor door het Commissariaat-generaal (p. 3-4) dat zij de “hijab”-kledingvoorschriften (waarbij een vrouw zodanig moet gekleed zijn dat alleen de handen en het gezicht (maar niet de haren) zichtbaar zijn) respecteerde op alle openbare plaatsen, ook al ging dit tegen haar principes in. Het is dan ook uiterst merkwaardig dat u voor het Commissariaat-generaal verklaarde dat uw echtgenote de 2de maal dat zij werd gearresteerd, wegens inbreuk op de kledingvoorschriften, de sluier niet droeg (p. 19). Wanneer u door de interviewer van het Commissariaat-generaal werd gevraagd of uw echtgenote enkel bij die 2 gelegenheden de sluier niet droeg, dan wel nooit de sluier droeg, antwoordde u (p. 19) dat uw echtgenote de islamitische klederen nooit droeg, wat volledig ingaat tegen de bewering van uw echtgenote voor het Commissariaat-generaal (cfr. supra) dat zij in het openbaar de kledingvoorschriften wel respecteerde. Ook voor de Dienst Vreemdelingenzaken verklaarde u dat uw echtgenote normaal gezien op straat traditionele kledij diende te dragen, maar dat zij weigerde dat te doen (zie uw verhoor door de Dienst Vreemde- lingenzaken (dd. 7 februari 2002) (pt. 42)). Verder verklaarde uw echtgenote voor het Commissariaat-generaal (p. 4 en 6) dat zij een eerste maal werd gearresteerd en gestraft wegens overtreding van de kledingvoorschriften in november 1995 en een tweede maal op 22 oktober 2001, terwijl u voor de Dienst Vreemdelingenzaken stelde (zie uw verhoor door de Dienst Vreemdelingenzaken (pt. 42)) dat uw echtgenote een eerste keer in oktober 1999 werd gearresteerd en gestraft, maar dat u zich het tijdstip van haar tweede arrestatie niet kan herinneren. Voor het Commissariaat-generaal verklaarde u dan weer (p. 19) dat u niet weet wanneer uw echtgenote voor de eerste keer werd gearresteerd, maar dat uw echtgenote de tweede maal werd gearresteerd op de tweede dag van uw tweede detentie, die volgens uw eerdere verklaringen tijdens hetzelfde verhoor door het Commissariaat-generaal plaatsvond in november 2001 (p. 6). Daarenboven zijn uw verklaringen over de mogelijke besnijdenis van uw dochtertje ook afwijkend van deze van uw echtgenote. Uw echtgenote stelde voor de Dienst Vreemdelingenza- ken (verhoor dd. 7 februari 2002) (pt. 42) en het Commissariaat-generaal (p. 17) dat haar familie in september 2001 besloten had om alle kinderen binnen de familie, waaronder jullie dochtertje, te laten besnijden. Voor het Commissariaat-generaal verklaarde uw echtgenote dat zij en u zich daartegen verzetten (p. 17), maar dat uw moeder en de moeder van uw echtgenote toen voor de besnijdenis van uw dochtertje waren. Nochtans antwoordde u ontkennend op de vraag van het Commissariaat-generaal of uw familie reeds gevraagd had om jullie dochter te besnijden en voegde u eraan toe dat zij nog te jong was om besneden te worden (p. 13). Uit het voorgaande blijkt dat de waarachtigheid van uw verklaringen over het feit dat er nog geen concrete voorstellen zouden zijn geweest over de besnijdenis van uw dochtertje in twijfel kan worden getrokken. Voornoemde incoherente verklaringen laten toe om de geloofwaardigheid van de door u ingeroepen asielmotieven in twijfel te trekken. Het door u voorgelegde nationaliteitsbewijs en de huwelijksakte (dd. 10 augustus 1998) van u en uw echtgenote, doet geen afbreuk aan voorgaande opmerkingen, vermits noch uw identiteit, noch uw huwelijkse staat in twijfel wordt getrokken. Voor wat betreft het attest van het Iraakse “Ministry of Higher Education & Scientific Research”, als bewijs dat u gradueerde aan de Universiteit van Bagdad en bijhorende studieresultaten, kan worden opgemerkt dat deze irrelevant zijn in het kader van uw asielaanvraag. Tenslotte bevat uw verzoekschrift tot instelling van een dringend beroep geen enkel ander element dat vermag de weigeringsbeslissing van de Dienst Vreemdelingenzaken te wijzigen. (...).”. 2.1. Overwegende dat verzoeker in een eerste middel de schending aanvoert van artikel 471 bis van het Strafwetboek; Overwegende dat verzoeker aanvoert dat de “vermeende tegenstrijdighe- den (...) het gevolg zijn (van) uitlokking door de ambtenaar (...), (die) erin gedreven (

  1. is)om aan de hand van zeer verfijnde ondervragingstechnieken verklaringen uit te lokken, die (...) de betrokkene niet heeft bedoeld”; dat verzoeker stelt dat deze ondervraagmethode wordt XIV-12.716-4/11 gelijkgesteld met foltering in de zin van artikel 471 van het Strafwetboek; dat verzoeker uiteenzet dat noch de vragen, noch de wijze van ondervraging, in het gehoorverslag of in de bestreden beslissing zijn weergegeven, waardoor iedere vorm van controle door de Raad van State of door de partijen, onmogelijk wordt gemaakt; dat verzoeker aanvoert “dat de ambtenaar steeds dezelfde vragen (...) stelde wat na herhaalde malen de ondervraging psychologisch overmatig zwaar belast”, en dat “een dergelijke wijze van ondervraging (...) (
  2. in)strijd (...) (
  3. is)met art. 417 bis S.W.”; dat verzoeker tenslotte stelt dat “de verklaringsvrij- heid (...) door de duur en de wijze van verhoor op ernstige wijze in het gedrang (wordt) gebracht”; Overwegende dat artikel 471 bis van het Strafwetboek niet bestaat en dat de artikelen 468 tot en met 476 van het Strafwetboek de regelgeving bevatten in verband met “diefstal door middel van geweld of bedreiging gepleegd en afpersing”; dat deze artikelen niets te maken hebben met wat verzoeker aanvoert in zijn eerste middel, zodat het eerste middel faalt naar recht; dat daaraan wordt toegevoegd dat de nota van de verwerende partij perfect uitlegt in welke hoedanigheid en op welke wijze de ambtenaar-interviewer tewerk gaat op het Commissariaat-generaal; dat de inhoud van de nota, wat dit aspect betreft, wordt beaamd en als uitdrukkelijk herhaald wordt beschouwd; Overwegende dat het eerste middel ongegrond is; 2.2. Overwegende dat verzoeker in een tweede en een derde middel de schending aanvoert van de artikelen 52, §1, 2/ en 62 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet), en van de artikelen 1, 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen; Overwegende dat verzoeker aanvoert dat de in de bestreden beslissing vastgestelde tegenstrijdigheden “louter details (zijn) en (...) geen ernstige element (bevatten) om de oprechtheid van de verklaring in het gedrang te brengen”; dat verzoeker deze tegenstrijdigheden, die hij wijt aan “een misvatting in hoofde van de ambtenaar”, weerlegt; dat verzoeker stelt dat verzoekers echtgenote geen kennis had van het feit dat er een geheime vergadering heeft plaatsgevonden in hun woning, “precies omwille van het feit dat deze vergadering geheim (werd) gehouden (...), ook voor de echtgenote van vertoger”; dat verzoeker uiteenzet dat zijn echtgenote, op het ogenblik van de vergadering, bij haar familie was; dat verzoeker aanvoert dat zijn echtgenote nooit heeft verklaard dat de veiligheidsagen- ten, bij zijn aanhouding d.d. 21 oktober 1999, pamfletten hebben gevonden; dat verzoeker stelt dat zijn echtgenote bij benadering weet waar hij werd opgesloten, omdat “dit gegeven algemeen geweten is onder de bevolking van Khartoum”; dat verzoeker betoogt dat hij zijn activiteiten na zijn arrestatie van 21 oktober 1999 heeft gestaakt omdat hij werd geobser- veerd en omdat hij geen risico’s meer wou nemen; dat verzoeker aanvoert dat zijn XIV-12.716-5/11 echtgenote, waar zij verklaarde dat iedereen sliep op het ogenblik dat de agenten binnenvie- len, enkel haar schoonouders en haar dochter bedoelde; dat verzoeker uiteenzet dat de agenten burgerkledij droegen en dat zij zich slechts op uitdrukkelijk verzoek van zijn echtgenote identificeerden; dat verzoeker aanvoert dat hij nooit heeft verklaard dat zijn echtgenote de traditionele kledij niet respecteert op openbare plaatsen, vermits zij hiervoor zou worden aangehouden en gestraft; dat verzoeker betoogt nooit te hebben verklaard dat zijn echtgenote in oktober 1999 werd gearresteerd wegens miskenning van de kledijvoor- schriften, en stelt dat het een materiële vergissing betreft; dat verzoeker tenslotte aanvoert dat de Commissaris-generaal geen rekening heeft gehouden met alle elementen van de zaak; Overwegende dat, wat de ingeroepen schending van de motiverings- plicht betreft, de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen tot doel heeft betrokkene een zodanig inzicht in de motieven van de beslissing te verschaffen, dat hij of zij in staat is te weten of het zin heeft zich tegen die beslissing te verweren met de middelen die het recht hem of haar verschaft; dat uit de verzoekschriften blijkt dat verzoeker de motieven van de bestreden beslissing kent, zodat het doel van de uitdrukkelijke motiveringsplicht in casu is bereikt; dat hetzelfde geldt voor de aangevoerde schending van artikel 62 van de Vreemdelingenwet; dat verzoeker bijgevolg de schending van de materiële motiveringsplicht aanvoert, zodat dit onderdeel van het middel vanuit dit oogpunt wordt onderzocht; Overwegende dat de Vluchtelingenconventie aan de verdragsluitende staten een ruime appreciatiebevoegdheid geeft, meer in het bijzonder voor wat betreft de organisatie van een procedure met betrekking tot het onderzoek naar de ontvankelijkheid van een asielaanvraag; dat van deze bevoegdheid door de Belgische wetgever werd gebruik gemaakt middels artikel 52 van de Vreemdelingenwet; dat voormeld artikel aan de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen de mogelijkheid biedt een asielaanvraag onontvankelijk te verklaren op grond van een aantal criteria en de verblijfswei- gering genomen door de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken te bevestigen; dat één van de onontvankelijkheidsgronden de “kennelijke ongegrondheid” is; dat een asielaanvraag kennelijk ongegrond is wanneer de vreemdeling geen gegevens heeft aangebracht dat er, wat hem betreft, ernstige aanwijzingen bestaan van een gegronde vrees voor vervolging; dat de Commissaris-generaal een asielaanvraag tevens onontvankelijk kan verklaren omdat zij bedrieglijk is; dat het gaat om aanvragen die valse inlichtingen bevatten, essentiële feiten verhelen of gegrond zijn op documenten die vals of vervalst zijn; dat volgens de rechtspraak van de Raad van State het bedrieglijk karakter onder meer kan worden vastgesteld wanneer tegenstrijdigheden worden aangetoond ten opzichte van gebeurtenissen van algemene bekendheid of tussen verschillende stukken en verklaringen van de asielzoeker geput uit het administratief dossier; dat, zoals blijkt uit de integrale weergave van de bestreden beslissing onder punt 1.3. van huidig arrest, de Commissaris- XIV-12.716-6/11 generaal in casu tot de kennelijke ongegrondheid en de bedrieglijkheid van verzoekers asielaanvraag heeft besloten omdat: - verzoekers verklaringen betreffende zijn activiteiten binnen de lerarenvakbond en zijn arrestatie op 21 oktober 1999, op sommige punten weinig overtuigend zijn; dat verzoeker op het Commissariaat-generaal verklaarde dat de vergaderingen van de lerarenvakbond in de privé-woningen van leraren werden gehouden, en dat er 3 of 4 vergaderingen bij hem thuis werden georganiseerd; dat verzoekers echtgenote op het Commissariaat-generaal evenwel verklaarde dat zij geen weet heeft van vergaderingen die verzoeker in het kader van de lerarenvakbond bij hen thuis heeft gehouden; - verzoeker op het Commissariaat-generaal verklaarde dat hij met een aantal andere leraars op 21 oktober 1999 werd gearresteerd en dat de agenten een verslag van de vergadering vonden in verband met de achterstand in betaling van de lonen; dat verzoeker, op de vraag van het Commissariaat-generaal of de veiligheidsdiensten nog andere documenten hadden gevonden, antwoordde dat dit niet het geval was; dat verzoekers echtgenote op het Commissariaat-generaal evenwel verklaarde dat de agenten op de vergadering van 21 oktober 1999 pamfletten hadden gevonden, en dat zij dachten dat deze pamfletten in het computercentrum waar verzoekers echtgenote werkte, waren gefotokopieerd; - verzoekers echtgenote op het Commissariaat-generaal verklaarde dat verzoeker naar aanleiding van zijn arrestatie op 21 oktober 1999 werd vastgehouden in een “ghost house” in de wijk rond de luchthaven van Khartoum; dat verzoeker op het Commissariaat-generaal evenwel verklaarde dat hij de precieze locatie van de plaats waar hij werd opgesloten niet kende, omdat hij er geblinddoekt naartoe werd gebracht; dat verzoeker stelde dat hij ook geblinddoekt werd weggebracht; dat verzoeker op het Commissariaat-generaal bovendien uitdrukkelijk verklaarde dat zijn echtgenote niet wist waar hij werd vastgehouden; - verzoekers verklaring op het Commissariaat-generaal, naar luid waarvan hij zijn activiteiten voor de lerarenvakbond na zijn arrestatie voortzette, opmerkelijk is, omdat hij ook verklaarde dat hij en zijn echtgenote door de veiligheidsdiensten werden gesurveilleerd; dat de vraag kan worden gesteld waarom zij hun activiteiten niet hebben stopgezet, en waarom de veiligheidsdiensten hen niet opnieuw hebben opgepakt, vermits de bijeenkomsten hetzelfde doel hadden als voorheen; - de verklaringen van verzoeker en zijn echtgenote betreffende verzoekers weigering om in te gaan op een oproeping van de PDF en de daaruit voortvloeiende arrestatie, verschillen; dat verzoekers echtgenote op het Commissariaat-generaal verklaarde dat er op de deur werd geklopt, dat verzoeker de deur opendeed en dat drie 3 personen, in burgerkledij en met badges van de veiligheidsdienst, binnenkwamen; dat verzoeker op het Commissariaat- generaal evenwel verklaarde dat de deur reeds was geopend en dat de personen die hem kwamen arresteren geen identificatie toonden; - dat verzoekers echtgenote, betreffende verzoekers arrestatie op 11 november 2001, op het Commissariaat-generaal verklaarde dat iedereen sliep op het ogenblik dat de veiligheids- dienst langskwam; dat verzoeker op het Commissariaat-generaal evenwel verklaarde dat hij televisie aan het kijken was, en dat ook zijn echtgenote nog niet sliep; XIV-12.716-7/11 - de verklaringen van verzoeker en zijn echtgenote betreffende de overtreding van de kledingvoorschriften door deze laatste, niet met elkaar in overeenstemming zijn; - verzoekers verklaringen omtrent de mogelijke besnijdenis van zijn dochtertje eveneens afwijken van de verklaringen van verzoekers echtgenote; - voornoemde incoherente verklaringen toelaten om de geloofwaardigheid van de door verzoeker ingeroepen asielmotieven in twijfel te trekken; Overwegende dat verzoeker geen enkel concreet element aanbrengt ter staving van zijn argumenten; dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen de asielaanvraag van verzoeker op een individuele wijze heeft beoordeeld en zijn beslissing heeft genomen met in achtname van alle relevante feitelijke gegevens van de zaak; dat de Commissaris-generaal in casu heeft besloten tot de kennelijke ongegrondheid en de bedrieglijkheid van verzoekers asielaanvraag omdat de verklaringen van verzoeker en van zijn echtgenote tegenstrijdigheden en ongerijmdheden bevatten die de geloofwaardigheid van zijn asielrelaas fundamenteel aantasten; dat, waar verzoeker bepaalde overwegingen van de bestreden beslissing tracht te weerleggen door deze te wijten aan een misvatting in hoofde van de ambtenaar, of door te stellen dat het een materiële vergissing betreft, verzoeker een verklaring post factum geeft, die de tegenstrijdigheden echter niet opheft; dat van een kandidaat-vluchteling mag worden verwacht dat hij voor de diverse asielinstanties coherente en gedetailleerde verklaringen aflegt; dat verzoeker derhalve niet kan worden gevolgd waar hij aanvoert dat zijn echtgenote geen kennis had van het feit dat er een geheime vergadering heeft plaatsgevonden in hun woning, “precies omwille van het feit dat deze vergadering geheim (werd) gehouden (...), ook voor de echtgenote van vertoger”, alsook waar hij aanvoert dat zijn echtgenote, waar zij verklaarde dat iedereen sliep op het ogenblik dat de agenten binnenvielen, enkel haar schoonouders en haar dochter bedoelde, en waar verzoeker uiteenzet dat de agenten burgerkledij droegen en dat zij zich slechts op uitdrukkelijk verzoek van zijn echtgenote identificeerden; dat de overwegingen waarop de bestreden beslissing steunt, bevestigd worden door de stukken van het administratief dossier, meer bepaald door de verslagen van de opeenvolgende verklaringen die verzoeker en zijn echtgenote hebben afgelegd voor de Dienst Vreemdelingenzaken en op het Commissariaat-generaal; dat verzoeker en zijn echtgenote deze verslagen hebben beaamd, en aldus te kennen hebben gegeven dat ze overeenstemmen met de inlichtingen die zij hebben verstrekt, en dat deze inlichtingen oprecht zijn; dat, waar verzoeker stelt dat zijn echtgenote bij benadering weet waar hij werd opgesloten omdat “dit gegeven algemeen geweten is onder de bevolking van Khartoum”, blijkt dat verzoeker zich beperkt tot algemeenheden en beweringen, doch nalaat deze de staven met een begin van bewijs; dat verzoeker zich voor het overige beperkt tot het herhalen van zijn asielmotieven, en tot het formuleren van theoretische uiteenzettingen, hypothesen en vage beweringen, zonder deze concreet te betrekken op de vaststellingen van de bestreden beslissing, noch op zijn persoonlijke situatie; dat verzoeker zijn grief geenszins ondersteunt met concrete en pertinente gegevens en derhalve niet aannemelijk maakt dat de Commissaris-generaal niet op goede gronden tot de bestreden beslissing is gekomen; XIV-12.716-8/11 Overwegende dat de bestreden beslissing steunt op ter zake dienende, deugdelijke, afdoende en pertinente motieven; Overwegende dat het tweede en het derde middel ongegrond zijn; 2.3. Overwegende dat verzoeker in een vierde middel de schending aanvoert van artikel 33 van het Internationaal Verdrag betreffende de status van vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951 (Vluchtelingenconventie), en van artikel 3 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden, ondertekend op 4 november 1950 te Rome, en goedgekeurd bij de wet van 13 mei 1955 (E.V.R.M.); Overwegende dat verzoeker aanvoert dat hij, in geval van verwijdering van het grondgebied van het Rijk, het risico loopt om het slachtoffer te worden van willekeurig geweld, in het kader van een gewapend conflict of als gevolg van stelselmatige en algemene schendingen van de mensenrechten in Soedan, terwijl “de overheid (...) verplicht (
  4. is)om geen verwijdering van een aanvrager te doen naar een land wanneer er gegronde redenen bestaan om aan te nemen dat deze het reële risico loopt om te worden onderworpen aan een behandeling die strijdig is met artikel 3 EVRM of artikel 33 Vluchtelingenverdrag”; Overwegende dat, wat de schending van artikel 33 van de Vluchteling- enconventie betreft, deze verdragsbepaling een verbod tot uitzetting of terugleiding inhoudt dat enkel betrekking heeft op beslissingen op grond waarvan de vreemdeling, die zich vluchteling heeft verklaard of als dusdanig is erkend, verplicht zou worden naar zijn land van herkomst terug te keren; dat in casu erkende vluchtelingen en eveneens kandidaat- vluchtelingen zich tevens dienen te beroepen op artikel 56 van de Vreemdelingenwet; dat verzoeker dit artikel niet heeft ingeroepen, zodat de schending van voormeld artikel 33 niet dienstig kan worden aangevoerd; Overwegende dat uit de analyse van het vierde middel blijkt dat verzoeker het niet aannemelijk maakt dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen niet op goede gronden tot de kennelijke ongegrondheid en de bedrieglijkheid van de asielaanvraag van verzoeker heeft besloten; dat hij niet aantoont dat de bestreden beslissing, die niet behept is met een onwettigheid, artikel 3 van het E.V.R.M. schendt; Overwegende dat het vierde middel, in al zijn onderdelen, ongegrond is; XIV-12.716-9/11 2.4. Overwegende dat verzoeker in een vijfde middel de schending aanvoert van artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden, ondertekend op 4 november 1950 te Rome, en goedgekeurd bij de wet van 13 mei 1955 (E.V.R.M.); Overwegende dat verzoeker aanvoert dat het recht op verdediging een fundamenteel recht is en als een algemeen beginsel wordt beschouwd dat op onderhavige procedure van toepassing is; dat verzoeker stelt dat zijn recht op inzage van het dossier werd miskend; dat verzoeker uiteenzet dat hij geen kennis heeft van de elementen van het dossier op basis waarvan de bestreden beslissing is genomen, zodat de rechten van verdediging op manifeste wijze werden geschonden; Overwegende dat, waar verzoeker een schending aanvoert van artikel 6 van het E.V.R.M., blijkt dat de procedure voor het Commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen vooralsnog een administratieve en geen jurisdictionele procedure is, zodat de rechten van verdediging niet onverkort van toepassing zijn; Overwegende dat het vijfde middel ongegrond is; 3. Overwegende dat de verzoekende partij geen middel heeft aangevoerd dat tot de nietigverklaring van de bestreden beslissing kan leiden; dat er derhalve grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel 1. De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. XIV-12.716-10/11 Artikel 2. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op zevenentwintig april tweeduizend en zes, door : de H. D. MOONS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. A. DE SMET, griffier. De griffier, De voorzitter, A. DE SMET. D. MOONS. XIV-12.716-11/11 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.158.038 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.