← België

Arrest 158202 - - 03/05/2006

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 03 mei 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.158.202 Rolnummer: A. 149817/XIV-19067 Zaak: Arrest 158202 - - 03/05/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-05-23 Raadplegingen: 59 - laatst gezien 2026-06-30 18:29 Fiche Arrest nr 158.202 van 3 mei 2006 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 158.202 van 3 mei 2006 in de zaak A. 149.817/XIV-19.

  1. In zake : XXX wonende te B. tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Binnenlandse Zaken. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, geboren op 20 juni 1979 en van ex- Joegoslavische nationaliteit, op 23 maart 2004 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken van 8 december 2003 waarbij de aanvraag om machtiging tot voorlopig verblijf op basis van artikel 9, derde lid, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen zonder voorwerp wordt verklaard, aan de verzoekende partij ter kennis gebracht op 27 februari 2004; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de artikelen 4 en 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door Auditeur M. STERCK, d.d. 14 november 2005, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit, en overgemaakt aan de bevoegde kamer op 18 november 2005; Gelet op de kennisgeving van dat verslag aan de partijen; Gelet op de beschikking van 10 januari 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op woensdag 22 februari 2006 om 10.00 uur; XIV-19.067-1/5 Gehoord het verslag van Staatsraad D. MOONS; Gehoord de opmerkingen van Advocaat J. VANDERPUTTEN die, loco Advocaat M. SAMPERMANS, verschijnt voor de verzoekende partij, en van Advocaat E. MATTERNE, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-Afdelingshoofd R. VANDER ELSTRAETEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  2. Overwegende dat de voornaamste gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
  3. XXX heeft op 29 januari 2000 via zijn moeder een regularisatieaanvraag ingediend op basis van de wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van bepaalde categorieën van vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het Rijk (Regularisatiewet). 1.
  4. Op 29 oktober 2001 heeft de Minister van Binnenlandse Zaken de aanvraag tot regularisatie verworpen door zich aan te sluiten bij de overwegingen van het advies van de Commissie voor Regularisatie. Het beroep tegen deze beslissing werd verworpen bij arrest nr. 114.345 van 9 januari 2003 van de XIVde kamer van de Raad van State. 1.
  5. Op 4 juli 2002 dient verzoeker samen met zijn ouders en broers en zussen een aanvraag in om machtiging tot voorlopig verblijf op basis van artikel 9, derde lid, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet). 1.
  6. Op 8 december 2003 neemt de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken de beslissing waarbij deze aanvraag zonder voorwerp wordt verklaard. Dit is de bestreden beslissing, die als volgt is gemotiveerd: “(...) In toepassing van art. 9, alinea 3, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, deel ik U mede dat dit verzoek zonder voorwerp is geworden. Deze kandidaat is ingeschreven bij de Regularisatiecommissie en heeft een negatieve beslissing gekregen inzake zijn aanvraag tot regularisatie op grond van de wet van 22/12/
  7. Artikel 16 § 1 van deze wet verbiedt immers, wanneer de Regularisatiecommissie is gevat met een verzoek (wat hier het geval is onder nr. 3740200012900047), het indienen van een aanvraag om machtiging tot verblijf krachtens art.
  8. 3 van de wet van 15/12/
  9. Dit verbod geldt niet tot een eventuele verwerping van een verzoek, maar zolang genoemde wet van 22/12/1999 van kracht is. XIV-19.067-2/5 (...).”.
  10. Over de ontvankelijkheid. Overwegende dat het Auditoraatsverslag een exceptie inhoudt, waardoor dient te worden nagegaan of verzoeker belang heeft bij het beroep tegen de beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken van 8 december 2003, waarbij de machtiging tot verblijf op basis van artikel 9, derde lid, van de Vreemdelingenwet zonder voorwerp wordt verklaard; dat uit de stukken van het administratief dossier blijkt dat verzoeker op 29 januari 2000 een regularisatieaanvraag heeft ingediend op basis van de wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van sommige categorieën van vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het Rijk (Regularisatiewet); dat deze aanvraag op 29 oktober 2001 door de Minister van Binnenlandse Zaken werd verworpen; dat artikel 16 van de Regularisatiewet als volgt luidt: “(...) De indiening van een aanvraag op grond van artikel 2 verbiedt de aanvrager om een aanvraag in te dienen op grond van artikel 9, derde lid van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen. De indiening, na de inwerkingtreding van deze wet, van een aanvraag op basis van artikel 9, derde lid van voornoemde wet van 15 december 1980 verbiedt de aanvrager om, gelijktijdig of daarna, een aanvraag in te dienen op grond van artikel
  11. (...).”. Overwegende dat de Raad van State reeds eerder heeft beslist dat de tekst van artikel 16 van de Regularisatiewet “duidelijk is en op het eerste gezicht geen beperking in de tijd stelt met betrekking tot het verbod om een latere regularisatieaanvraag in te dienen”; dat het Arbitragehof, naar aanleiding van een prejudiciële vraag van de Raad van State, in het arrest nr. 103/ 2003 van 22 juli 2003 overweegt dat: “(...) Het (...) juist (is) dat de vreemdeling wiens regularisatieaanvraag, ingediend op grond van de wet van 22 december 1999, werd verworpen, nadien evenmin vermag een nieuwe procedure in te leiden op grond van artikel 9, derde lid, van de wet van 15 december 1980, zelfs wanneer hij meent zich te kunnen beroepen op buitengewone omstandigheden die van die aard zijn dat zij kunnen verantwoorden dat hij zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning van meer dan drie maanden niet heeft ingediend bij de Belgische diplomatieke of consulaire post die bevoegd is voor zijn verblijfplaats of zijn plaats van oponthoud in het buitenland. Die onmogelijkheid is (...) het gevolg van een keuze inzake de te volgen procedure die door de vreemdeling zelf (...)(wordt) gemaakt en waarvan de gevolgen door de wet (...) (zijn) bepaald. De in artikel 16 besloten maatregel is van die aard dat hij een einde kan maken aan een voortdurende indiening van nieuwe verblijfsaanvragen op grond van artikel 9, derde lid. (...) Die bepaling kan (...) evenmin als onevenredig worden beschouwd. Enerzijds, verhindert niets immers de vreemdeling om, met toepassing van artikel 9, tweede lid, van de wet van 15 december 1980, een nieuwe verblijfsaanvraag in te dienen bij de Belgische diplomatieke of consulaire post die bevoegd is voor zijn verblijfplaats of zijn plaats van oponthoud in het buitenland; anderzijds, indien de vreemdeling onwettig in België verblijft, wordt zijn toestand niet minder onwettig door het feit dat die toestand voortduurt. (...).”. XIV-19.067-3/5 Overwegende dat uit het voorgaande volgt dat bij een eventuele vernietiging van de bestreden beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken van 8 december 2003, waarbij de aanvraag om machtiging tot voorlopig verblijf op basis van artikel 9, derde lid, van de Vreemdelingenwet zonder voorwerp wordt verklaard, de verwerende partij niets anders vermag dan opnieuw dezelfde beslissing te nemen; dat derhalve een eventuele vernietiging van de bestreden beslissing aan verzoeker geen nut kan opleveren; dat verzoeker geen belang heeft bij de vorderingen; Overwegende dat het beroep tot nietigverklaring onontvankelijk is bij gebrek aan het rechtens vereiste belang; dat dit eveneens geldt voor de vordering tot schorsing; dat bijgevolg de exceptie opgeworpen in het Auditoraatsverslag gegrond is, BESLUIT: Artikel
  12. De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden onontvankelijk verklaard. Artikel
  13. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. XIV-19.067-4/5 Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op drie mei tweeduizend en zes, door : de H. D. MOONS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. A. DE SMET, griffier. De griffier, De voorzitter, A. DE SMET. D. MOONS. XIV-19.067-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.158.202 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.