id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 03 mei 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.158.213 Rolnummer: A. 130808/VII-35502 Zaak: Arrest 158213 - - 03/05/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-05-16 Raadplegingen: 61 - laatst gezien 2026-06-30 18:29 Fiche Arrest nr 158.213 van 3 mei 2006 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE nr. 158.213 van 3 mei 2006 in de zaak A. 130.808/VII-35.502 In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat H. DE PONTHIERE, kantoor houdende te 8900 IEPER, Lombaardstraat 23 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken. DE WND. VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Kongolese nationaliteit, op 20 december 2002 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van het bevel om het grondgebied te verlaten van 29 november 2002, aan de verzoekende partij ter kennis gebracht op dezelfde dag; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de beschikking van 9 januari 2003 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op de artikelen 4 en 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur M. STERCK , op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dit verslag aan de partij; Gelet op de beschikking van 10 maart 2006 waarbij de terechtzitting wordt bepaald op 19 april 2006; VII-35.502-1/5 Gehoord het verslag van staatsraad E. BREWAEYS; Gehoord de opmerkingen van advocaat H. DE PONTHIERE, die verschijnt voor de verzoekende partij van advocaat S. DE VRIEZE, die, loco advocaat E. MATTERNE, verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd R. VANDER ELSTRAETEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; In het verslag stelt de auditeur de toepassing voor van artikel 26 van het hoger genoemde koninklijk besluit. Uit het dossier en de processtukken blijkt dat de zaak zonder verdere voorafgaande maatregelen, in een verkorte procedure, kan worden behandeld zoals voorzien door dit artikel.
- De feiten. 1.
- De verzoekende partij kwam België binnen op 8 december 2001 en verklaarde zich op 12 december 2001 vluchteling. 1.
- Op 27 december 2001 nam de minister van Binnenlandse Zaken een beslissing tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.
- Op 20 juni 2002 nam de commissaris-generaal de beslissing tot weigering van erkenning van de hoedanigheid van vluchteling. Op 17 oktober 2002 verwierp de Vaste Beroepscommissie het beroep van de verzoekende partij. Het beroep, tot nietigverklaring bij de Raad van State bekend onder het nr. G/A 130.808/E-9.658, is nog hangende. 1.
- Op 28 maart 2002 diende de verzoekende partij een aanvraag om machtiging tot verblijf in toepassing van artikel 9, derde lid van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet) in bij de burgemeester van Ieper. Op 27 november 2002 nam de minister van Binnenlandse Zaken de beslissing tot weigering van de machtiging tot verblijf en een beslissing houdende een bevel om het grondgebied te verlaten. VII-35.502-2/5 "(...) Reden van de beslissing betrokkene verblijft langer in het Rijk dan de overeenkomstig art. 6 bepaalde termijn of slaagt er niet in het bewijs te leveren dat hij deze termijn niet overschreden heeft. (wet van 15 december 1980 - art. 7, alinea 1, 2/); (...).”. Dit is de bestreden beslissing.
- Beoordeling. 2.
- De verzoekende partij roept een eerste middel in dat als volgt is gesteld: “Schending van de artikelen 6 en 7 van de Wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, van artikel 26 van het Koninklijk Besluit van 8 oktober 1981 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen en van artikel 1 van het Ministerieel Besluit van 17 mei 1995 houdende delegatie van bevoegdheid van de minister, inzake de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen. Doordat de bestreden beslissing weliswaar een stempel draagt van de stad Poperinge, maar ondertekend werd door Josiane Lesage, die noch Burgemeester is van de stad, noch een beambte is die rechtsreeks gezag uitoefent op het bureau dat inzake vreemdelingen bevoegd is; Terwijl, De hierboven aangeduide bepalingen vereisen dat een bevel om het grondgebied te verlaten, zou worden genomen door de Minister van binnenlandse zaken of door zijn gemachtigden; Dat niet voorzien wordt door het Ministerieel besluit dat het bevel eveneens zou kunnen worden ondertekend door ‘de gemachtigde schepen’, dus ‘een gemachtigde van een gemachtigde’, ook al omdat uit niets blijkt voor welke daden deze schepen dan wel gemachtigd zou zijn; Dat het bevel bijgevolg uitgaat van een terzake onbevoegde overheid en dus nietig is;”; Het gemeentebestuur zorgt voor kennisgeving van het bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten, in uitvoering van een beslissing die door de minister van Binnenlandse Zaken werd genomen. Het middel is niet gegrond. 2.
- In een tweede middel wordt het volgende betoogd: “Afgeleid uit de schending van de artikelen 3, 13 en 14 van het Verdrag van 4 november 1950 tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, goedgekeurd bij wet van 13 mei 1955, van de artikelen 2 en 3 van de Wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen en van de artikelen 10, 11 en 191 van de Grondwet; Doordat bij de bestreden administratieve beslissing overgegaan wordt tot verwijdering van de verzoekende partij van het Belgische grondgebied, Terwijl, De verzoekende partij een verhaal heeft ingesteld bij de Raad van State tegen de beslissing van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen; Dat krachtens de hiervoor vermelde bepalingen, iedere burger, weze hij Belg of vreemdeling, die in België verblijft, het recht heeft op daadwerkelijke rechtshulp en VII-35.502-3/5 dat wanneer een bij wet voorziene jurisdictionele beroepsmogelijkheid materieel niet meer effectief kan worden uitgeoefend, zulks een ongeoorloofde discriminatie inhoudt; Dat de verzoekende partij dan ook niet van het grondgebied kan worden verwijderd (behoudens dwingende redenen van openbaar belang, die in casu niet worden ingeroepen), zolang de Raad van State zich niet heeft uitgesproken over het verhaal dat werd aanhangig gemaakt; Dat wanneer de bestreden beslissing zou worden uitgevoerd, zulks zou betekenen dat de verzoekende partij zou worden teruggestuurd naar Kongo, terwijl helemaal niet wordt aangetoond dat zulks in de huidige omstandigheden op een veilige wijze zou kunnen geschieden; Dat de verzoekende partij riskeert opnieuw terecht te komen in een gevangenis en opnieuw te worden gefolterd, minstens te worden blootgesteld aan onmenselijke behandelingen;”; De omstandigheid dat de verzoekende partij eventueel van het grondgebied wordt verwijderd, belet haar niet haar annulatieberoep tegen de beslissing van de Vaste Beroepscommissie verder te zetten. Zij is immers niet verplicht persoonlijk te verschijnen voor de Raad van State. Bovendien heeft een beroep bij de Raad van State in beginsel geen schorsende kracht zodat geen rechtsregel de verwerende partij verhindert om een bevel te geven om het grondgebied te verlaten. De bewering dat er in het land van herkomst een ernstig risico op onmenselijke behandeling bestaat wordt niet door concrete gegevens gestaafd. Het middel is niet gegrond.
- De verzoekende partij heeft geen gegrond middel tot nietigverklaring aangevoerd. Er is derhalve grond om toepassing te maken van artikel 26 van het hoger genoemde koninklijk besluit zodat de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing, als accessorium van het beroep tot nietigverklaring, samen met dit beroep wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
- De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. VII-35.502-4/5 Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op drie mei tweeduizend en zes, door de H. E. BREWAEYS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. L. SCHWEIGER, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, L. SCHWEIGER. E. BREWAEYS. VII-35.502-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.158.213 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div