← België

Arrest 158309 - Dienst Vreemdelingenzaken - 04/05/2006

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 04 mei 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.158.309 Rolnummer: A. 172452/XIV-25414 Zaak: Arrest 158309 - Dienst Vreemdelingenzaken - 04/05/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-05-08 Raadplegingen: 58 - laatst gezien 2026-06-30 18:33 Fiche Arrest nr 158.309 van 4 mei 2006 Vreemdelingen - Dienst Vreemdelingenzaken Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE nr. 158.309 van 4 mei 2006 in de zaak A. 172.452/XIV-25.

  1. In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat H. VAN VRECKOM, kantoor houdende te 1400 NIJVEL, Rue Saint-André 5 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Binnenlandse Zaken. ------------------------------------------------------------------------------------------------------------ DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, geboren op 8 november 1959 en van Russische nationaliteit, op 28 april 2006 per fax heeft ingediend om bij uiterst dringende noodzakelijkheid de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 27 april 2006 “tot weigering van inoverwegingna- me van een asielaanvraag”; Gelet op de beschikking van 28 april 2006 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, inzonderheid op de artikelen 17 en 18; Gelet op artikel 8 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien de nota van de verwerende partij; Gelet op de beschikking van 28 april 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op woensdag 3 mei 2006 om 11.15 uur; Gehoord het verslag van Staatsraad Ch. BAMPS; Gehoord de opmerkingen van Advocaat I. JANSSENS, die loco Advocaat H. VAN VRECKOM verschijnt voor de verzoekende partij, en van Advocaat E. MATTERNE, die verschijnt voor de verwerende partij; XIV-25.392-1/5 Gehoord het eensluidend advies van Adjunct-auditeur R. VERCRUYSSEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat krachtens artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid kan worden besloten onder de drievoudige voorwaarde dat een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is, dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten akte of verordening kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden akte of verordening een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; Overwegende dat, wat de derde voorwaarde van voormeld artikel 17, §§ 1 en 2, betreft, overeenkomstig artikel 8, § 1, eerste lid, van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, de vordering tot schorsing een uiteenzetting van de feiten dient te bevatten die kunnen aantonen dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de aangevochte akte of het aangevochten reglement de eiser een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; dat de verzoekende partij in principe gegevens dient aan te voeren die enerzijds wijzen op de ernst van het nadeel dat ze ondergaat of kan ondergaan, hetgeen betekent dat zij aanduidingen zal moeten geven omtrent de aard en de omvang van het te verwachten nadeel, en die anderzijds wijzen op de moeilijke herstelbaarheid van het nadeel; dat er dient op te worden gewezen dat bij de beoordeling van het moeilijk te herstellen ernstig nadeel rekening dient te worden gehouden met het feit dat het nadeel specifiek en rechtstreeks moet voortvloeien uit de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing als zodanig; dat hieruit volgt dat moet worden aangetoond dat het besluit of de beslissing waarvan de schorsing wordt gevraagd aan de oorsprong ligt van het nadeel, met andere woorden dient er een causaal verband te bestaan tussen de bestreden beslissing en het vermeende moeilijk te herstellen ernstig nadeel; Overwegende dat de verzoekende partij voor wat het moeilijk te herstellen ernstig nadeel betreft aanvoert wat volgt: “Overwegende dat de eiser de schorsing vraagt van de bestreden beslissing door dit verzoekschrift roept hij ernstige middelen in ter betwisting van deze beslissing; Dat hij ingeval van gedwongen terugkeer naar zijn land van oorsprong, Rusland of in geval van terugkeer naar Polen het risico loopt dat de Russische autoriteiten terug op de hoogte zijn van zijn asielverzoek en dat zijn familieleden in Rusland er terug problemen zullen door krijgen, wat voor hem al een reden was om eens terug te keren naar Rusland nadat hij voor de eerste keer in Polen asiel had aangevraagd; XIV-25.392-2/5 Dat de eiser is vervolgd door de Russische overheden omwille van zijn etnische origine en vermeende politieke opinies en vreest nog te zullen worden vervolgd indien hij zou moeten terugkeren naar Rusland of naar Polen; Dat bovendien de echtgenote en de kinderen van de eiser in België zijn toegelaten tot verblijf in de hoedanigheid van erkende vluchtelingen (stuk 4), zodat de verplichting om terug te keren naar Polen een ongeoorloofde aantasting van het privé-familiaal leven van de eiser zou inhouden, in strijd met het artikel 8 van het EVRM en het artikel 7 van de Verordening 343/2003; Dat in het licht van die omstandigheden de eiser een te groot risico loopt te worden onderworpen aan mensonterende en vernederende behandelingen, terwijl dit in strijd is met artikel 3 van het Europees Vedrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens; Dat de eiser helemaal geen gevaar vormt voor de openbare orde, de openbare veiligheid of gezondheid, wat zijn uitwijzing dus ook niet kan rechtvaardigen; Dat in die mate het ernstig en moeilijk te herstellen nadeel als bewezen moet beschouwd worden;” Overwegende dat in de bestreden beslissing het hierna volgende wordt gesteld: “Naar aanleiding van Uw asielaanvraag van 26/04/2006, heb ik de eer U de volgende beslissing mee te delen. U heeft eerder op 01/03/2006 een asielaanvraag ingediend bij de Belgische autoriteiten. Die aanvraag maakte op 27/03/2006 het voorwerp uit van een vraag tot overname aan de Poolse autoriteiten. De Poolse autoriteiten verstrekten onze diensten op 28/03/2006 een overnameakkoord, wat u op 03/04/2006 betekend werd in een beslissing tot weigering van verblijf met bevel om het grondgebied te verlaten (bijlage 26 quater). Uw asielaanvraag van 01/03/2000 zal worden behandeld door de Poolse autoriteiten. U hebt geen gevolg gegeven aan ons bevel waardoor de Poolse autoriteiten tot nu toe in de onmogelijkheid verkeerden om een beslissing te nemen inzake uw asielaanvraag. Om deze reden nemen de Belgische Instanties geen akte van uw aanvraag van 26/04/
  2. Een nieuwe asielaanvraag kan immers pas ingediend worden na afhandeling van een eerdere aanvraag. Bovendien levert u geen enkel bewijs dat u sedert onze beslissing van 03/04/2006 de territoriale ruimte waarbinnen Verordening 343/2003 wordt toegepast heeft verlaten. Om al die redenen oordeelt de Belgische overheid dat de behandeling van uw asielaanvraag dd. 01/03/2006 in Polen verdergezet moet worden.” Overwegende dat rekening houdende met de aard, inhoud en draagwijdte van de bestreden beslissing, de vaststelling volstaat dat de door de verzoekende partij aangevoerde nadelen, niet voortvloeien uit de thans bestreden beslissing doch uit de eerder genomen beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 3 april 2006 tot weigering van verblijf met bevel om het grondgebied te verlaten (bijlage 26quater); dat voormelde beslissing het gevolg is van een overnameakkoord verstrekt door de Poolse autoriteiten op 28 maart 2006 en aan de verzoekende partij betekend op 3 april 2006 samen met voormelde weigering van verblijf met bevel om het grondgebied te verlaten; dat de terugleiding naar Polen van de verzoekende partij waar haar asielaanvraag verder zal worden behandeld het gevolg is van het feit dat de verzoekende partij oorspronkelijk zelf haar (eerste) asielaanvraag in Polen heeft ingediend; dat de beweringen van de verzoekende partij dat ze bij een terugkeer naar Polen omwille van haar etnische origine en vermeende politieke opinies vreest voor vervolging en dat ze het risico loopt te worden onderworpen aan mensonterende en vernederende behandelingen, wat in strijd is met artikel 3 van het E.V.R.M., louter hypothetisch zijn en door geen enkel concreet element worden gestaafd; dat Polen een volwaardig lid van de Europese Unie is en door dezelfde internationale verdragen als België is gebonden, zodat er geen enkele reden bestaat om aan te nemen dat XIV-25.392-3/5 de verzoekende partij voor de behandeling van haar asielaanvraag minder waarborgen in Polen dan in België zouden genieten; dat waar de verzoekende partij opwerpt dat haar echtgenote en kinderen in België zijn toegelaten tot verblijf in de hoedanigheid van erkende vluchtelingen, zodat de verplichting om terug te keren naar Polen een ongeoorloofde aantasting van haar privé en familiaal leven uitmaakt en in strijd is met artikel 8 van het E.V.R.M. en het artikel 7 van de Verordening 343/2003, enerzijds de verwijzing volstaat naar voorgaande analyse en anderzijds de vaststelling volstaat dat over betreffend gegeven door de verzoekende partij geen enkel bewijs wordt aangevoerd in haar verzoekschrift, noch enige melding hieromtrent over werd gemaakt naar aanleiding van haar eerste asielaanvraag; dat in zoverre de verzoekende partij opwerpt dat ze eventueel gedwongen zal moeten terugkeren naar haar land van oorsprong Rusland, dient te worden vastgesteld dat, enerzijds, ook deze vermeende grief niet voortvloeit uit de bestreden beslissing en anderzijds, haaks staat op haar eerdere handelwijze waarbij ze verklaarde vrijwillig te willen terugkeren naar Rusland; Overwegende dat niet is voldaan aan de derde van de door artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State opgelegde voorwaarden; dat deze vaststelling volstaat om de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid af te wijzen, BESLUIT: Artikel
  3. De vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt verworpen. Artikel
  4. De kosten worden in beraad gehouden. XIV-25.392-4/5 Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op vier mei tweeduizend en zes, door : Mevr. Ch. BAMPS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. A. DE SMET, griffier. De griffier, De voorzitter, A. DE SMET. Ch. BAMPS. XIV-25.392-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.158.309 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.