← België

Arrest 158404 - - 08/05/2006

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 08 mei 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.158.404 Rolnummer: A. 143349/XIV-17344 Zaak: Arrest 158404 - - 08/05/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-05-24 Raadplegingen: 54 - laatst gezien 2026-06-30 18:42 Fiche Arrest nr 158.404 van 8 mei 2006 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 158.404 van 8 mei 2006 in de zaak A. 143.349/XIV-17.

  1. In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat V. VEREECKE, kantoor houdende te 8310 BRUGGE, Baron Ruzettelaan 178 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Binnenlandse Zaken. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Iraanse nationaliteit, op 30 oktober 2003 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken van 10 september 2003 houdende een bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de beschikking van 5 november 2003 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het administratief dossier van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door Auditeur M. STERCK, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de beschikking van 14 februari 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 26 april 2006; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter A. BEIRLAEN; XIV-17.344-1/4 Gehoord de opmerkingen van Advocaat I. OGER die, loco Advocaat V. VEREECKE verschijnt voor de verzoekende partij en van Advocaat G. COOLSAET die, loco Advocaat E. MATTERNE verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Auditeur M. STERCK; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  2. Over de gegevens van de zaak. Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat: 1.
  3. XXX, van Iraanse nationaliteit, komt op 30 december 2000 in België binnen waar zij zich op 5 januari 2001 vluchteling verklaart. Deze asielaanvraag wordt op 8 februari 2001 afgesloten met een bevestigende beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. Bij arrest nummer 106.504 van 13 mei 2002 wordt het beroep tegen de voormelde beslissing verworpen door de Raad van State. 1.
  4. Op 5 februari 2002 dient verzoekster een tweede asielaanvraag in. Deze asielaanvraag wordt op 2 juli 2003 afgesloten met een beslissing van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen houdende weigering van de erkenning van de hoedanigheid van vluchteling. Bij arrest nummer 136.677 van 26 oktober 2004 wordt het beroep tegen de voormelde beslissing verworpen door de Raad van State. 1.
  5. Op 11 december 2001 dient verzoekster een aanvraag om machtiging tot voorlopig verblijf in op basis van artikel 9, derde lid van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet). Bij beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken van 22 mei 2002 wordt de voormelde aanvraag onontvankelijk verklaard. 1.
  6. Op 10 september 2003 neemt de Minister van Binnenlandse Zaken een beslissing houdende een bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. Dit bevel wordt op 30 september 2003 aan verzoekster ter kennis gebracht. Dit is de bestreden beslissing: “(...) BEVEL OM HET GRONDGEBIED TE VERLATEN - Model B In uitvoering van de beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken meegedeeld op 10/09/2003 wordt aan XXX, geboren te Noushahr, op 21/10/1977 van Iraanse nationaliteit, het bevel gegeven om uiterlijk op 30/10/03 het grondgebied van België te verlaten, evenals het grondgebied van Denemarken, Duitsland, Finland, Frankrijk, Griekenland, IJsland, Italië, Luxemburg, Nederland, Noorwegen, Oostenrijk, XIV-17.344-2/4 Portugal, Spanje en Zweden, tenzij hij (zij) beschikt over de documenten die vereist zijn om er zich naar toe te begeven. REDEN VAN DE BESLISSING: x art. 7, al. 1-2/ van de wet van 15 december 1980; verblijft langer in het Rijk dan overeenkomstig artikel 6 bepaalde termijn of slaagt er niet in het bewijs te leveren dat deze termijn niet overschreden werd " regelmatig verblijf verstreken sedert x werd niet erkend als vluchteling (K.B. van 8 oktober 1981 - Art. 77) "de aangehaalde reden kan niet als hoogdringende noodzakelijkheid aanzien worden om een verlenging te overwegen, vermits er geen attest van een geneesheer-specialist bijgevoegd is. Indien dit bevel niet opgevolgd wordt, loopt hij (zij) gevaar, onverminderd rechtsvervolging overeenkomstig artikel 75 van de Wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, naar de grens te worden geleid en te dien einde te worden opgesloten gedurende de periode die strikt noodzakelijk is voor de uitvoering van de maatregel, overeenkomstig artikel 27 van dezelfde wet. (...)”;
  7. Over de ontvankelijkheid van het beroep. Overwegende dat uit de voor de Raad van State beschikbare gegevens, welke telefonisch werden bevestigd door de Dienst Vreemdelingenzaken, blijkt dat verzoekster zich op 5 december 2003 voor de derde maal vluchteling heeft verklaard en dat deze asielaanvraag op 17 december 2004 afgesloten werd met een beslissing van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen houdende weigering van de erkenning van de hoedanigheid van vluchteling; dat tegen de voormelde beslissing verzoekster een beroep tot nietigverklaring heeft ingediend bij de Raad van State; dat deze zaak ter griffie is gekend onder het nummer A. 159.950/XIV-21.780; dat op 1 februari 2005 de Minister van Binnenlandse Zaken een beslissing houdende een bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten nam; dat dit bevel op 24 maart 2005 aan verzoekster ter kennis werd gebracht; dat uit de voorgaande gegevens blijkt dat ná het bestreden bevel de nieuw ingediende asielaanvraag van verzoekster ontvankelijk werd bevonden; dat dit tot gevolg heeft dat het bestreden bevel niet meer kan worden uitgevoerd, gelet op de gewijzigde verblijfssituatie; dat het gegeven dat de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen op 17 december 2004 de derde asielaanvraag van verzoekster alsnog ongegrond heeft bevonden, geen afbreuk doet aan het gegeven dat het bestreden bevel niet meer kan worden uitgevoerd; dat dit overigens blijkt uit het feit dat de Minister van Binnenlandse Zaken op 1 februari 2005 een nieuw bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten heeft genomen dat is gesteund op de voormelde beslissing van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen van 17 december 2004; dat bijgevolg dient vastgesteld dat verzoekster geen belang meer heeft bij de eventuele vernietiging van het bestreden bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten, aangezien dit bevel niet meer ten uitvoer kan worden gelegd; dat het beroep derhalve niet meer ontvankelijk is bij gebrek aan het vereiste actueel belang;
  8. Overwegende dat er grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake XIV-17.344-3/4 geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
  9. De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
  10. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op acht mei tweeduizend en zes, door : de HH. A. BEIRLAEN, kamervoorzitter, C. VERHAERT, griffier. De griffier, De voorzitter, C. VERHAERT. A. BEIRLAEN. XIV-17.344-4/4 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.158.404 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.