← België

Arrest 158407 - - 08/05/2006

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 08 mei 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.158.407 Rolnummer: A. 136347/XIV-15002 Zaak: Arrest 158407 - - 08/05/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-05-24 Raadplegingen: 57 - laatst gezien 2026-06-30 18:42 Fiche Arrest nr 158.407 van 8 mei 2006 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 158.407 van 8 mei 2006 in de zaak A. 136.347/XIV-15.

  1. In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat A. MOSKOFIDIS, kantoor houdende te 3600 GENK, Rootenstraat 21/20 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Binnenlandse Zaken. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Turkse nationaliteit, op 5 mei 2003 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken van 4 maart 2003 tot verwerping van een verzoek tot herziening van de beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken van 25 september 2000 tot weigering van een aanvraag tot vestiging, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de beschikking van 20 mei 2003 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het administratief dossier van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door Auditeur M. STERCK, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de beschikking van 14 februari 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 26 april 2006; XIV-15.002-1/6 Gehoord het verslag van Kamervoorzitter A. BEIRLAEN; Gehoord de opmerkingen van Advocaat P. MEULEMANS die, loco Advocaat A. MOSKOFIDIS verschijnt voor de verzoekende partij en van Advocaat G. COOLSAET die, loco Advocaat C. DECORDIER verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Auditeur M. STERCK; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  2. Over de gegevens van de zaak. Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat: 1.
  3. XXX, van Turkse nationaliteit, komt op 30 april 2000 aan in België met een Schengenvisum C geldig tot 30 juli 2000 en doet een aankomstverklaring te Genk. 1.
  4. Verzoeker treedt op 1 juli 2000 te Gent in het huwelijk met D. Y., van Belgische nationaliteit. 1.
  5. Op 6 juli 2000 dient verzoeker te Gent een aanvraag tot vestiging in. 1.
  6. Op 25 september 2000 neemt de Minister van Binnenlandse Zaken een beslissing tot weigering van vestiging met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.
  7. Op 23 november 2000 dient verzoeker een verzoek tot herziening in van de beslissing tot weigering van vestiging van 25 september
  8. 1.
  9. Verzoekers echtgenote stelt een vordering in om de nietigverklaring van het huwelijk te bekomen bij de rechtbank van eerste aanleg te Tongeren. 1.
  10. Op 15 januari 2003 adviseert de Commissie van Advies voor Vreemdelingen het verzoek tot herziening af te wijzen als ongegrond. 1.
  11. Op 4 maart 2003 neemt de Minister van Binnenlandse Zaken de beslissing tot verwerping van het verzoek tot herziening. Dit is de bestreden beslissing waarvan de motivering luidt als volgt: “(...) XIV-15.002-2/6 VERWERPING VAN EEN VERZOEK TOT HERZIENING Gelet op de artikelen 64 tot en met 67 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gelet op artikel 113, lid 3, van het koninklijk besluit van 8 oktober 1981 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gelet op de vestigingsweigering met bevel om het grondgebied te verlaten binnen de 15 dagen, die op 16.11.2000 betekend aan XXX, geboren te USKUDAR op 29.11.1981, onderdaan van Turkije; Gelet op het verzoek tot herziening dat door de voornoemde vreemdeling via zijn raadsman werd ingediend op 23.11.2000 Gelet op het advies van de Commissie van Advies voor Vreemdelingen van 15.01.2003 die adviseert dat, "het gehuwd zijn op zichzelf geen recht schept om in België te blijven. Er dient een effectieve en duurzame relatie tussen de huwelijkspartners tot stand te komen. Deze kwam niet tot stand in het geval van betrokkene en zijn echtgenote; en aangezien er geen sprake is geweest van een duurzame levensgemeenschap worden de voorwaarden met betrekking tot het recht op verblijf als echtgenoot van een Belg niet vervuld,” het verzoek tot herziening niet gegrond is; Overwegende dat de betrokken vreemdeling zich niet vestigt bij zijn echtgenote, Y. D., geboren te Genk op 09.05.1981; Overwegende dat de vestiging van een vreemdeling die gehuwd is met een Europese Unie-onderdaan, een minimum aan relatie tussen de echtgenoten vereist (Raad van State, arrest nr 53.030 dd. 24 april 1995); Overwegende dat in casu er tussen de beide echtgenoten geen minimum aan relatie is geweest, zodat terecht aan de betrokkene de vestiging werd geweigerd. Het verzoek tot herziening is verworpen. In toepassing van de artikelen 7, eerste lid, 2/ en 66 van de voormelde wet, wordt aan de betrokken vreemdeling bevel gegeven het grondgebied van België, Nederland, Luxemburg, Frankrijk, Duitsland, Spanje, Portugal, Griekenland, Oostenrijk, Italië, Noorwegen, Zweden, Finland, Denemarken en IJsland te verlaten binnen de 15 dagen. (...)”;
  12. Over de gegrondheid van het beroep. 2.1.
  13. Overwegende dat verzoeker als eerste middel aanvoert: “- schending van de motiveringsplicht zoals vereist door de Wet Motivering Bestuurshandelingen dd. 29/07/1991 : Verweerder stelt verkeerdelijk dat er geen duurzame levensgemeenschap zou bestaan hebben tussen verzoeker en zijn echtgenote Mevrouw Y.. De Commissie van Advies baseerde haar negatief advies uitsluitend, zoniet hoofdzakelijk op de eenzijdige en onbetrouwbare beweringen van Mevrouw Y.. Ten onrechte heeft de Commissie van Advies evenwel hieruit afgeleid dat er geen echte en duurzame levensgemeenschap zou zijn en dat de enige reden van het huwelijk voor verzoeker zou zijn om een verblijfsvergunning te verkrijgen. De Commissie van Advies heeft totaal niet geantwoord op de overige opmerkingen die verzoeker had uiteengezet tijdens zijn uiteenzetting op de zitting van 15/01/2003 noch op de schriftelijke nota die hij bij die gelegenheid had neergelegd ter zitting. Doordat de Commissie van Advies in haar advies dd. 15/01/03 helemaal niet geantwoord heeft op de talrijke argumenten van verzoeker (gestaafd a.d.h.v. stavingsstukken genummerd van 1-19) doch zich enkel en alleen gebaseerd heeft op de versie van Mevrouw Y., heeft de Commissie van Advies en vervolgens verweerder zelf, een inbreuk gepleegd op de uitdrukkelijke motiveringsplicht. Het kan niet volstaan om louter te verwijzen naar het feit dat verzoeker niet heeft samengewoond met zijn echtgenote om daarmee vervolgens het integrale relaas van feiten van verzoeker niet in overweging te nemen en te besluiten stellende dat er nooit een duurzame levensgemeenschap zou bestaan hebben ondanks dat verzoeker méér dan XIV-15.002-3/6 voldoende stukken naar voren heeft gebracht om aan te tonen dat er wel degelijk een duurzame levensgemeenschap heeft bestaan. Door alzo te handelen, hebben zowel de Commissie van Advies alsook verweerder de perken van hun beoordelingsbevoegdheid overschreden. De Commissie van Advies kan onmogelijk geldig tot dit besluit komen op grond van een volkomen eenzijdige en (bewust) foutieve weergave van de feiten zoals weergegeven door Mevrouw Y.. Noch de Commissie in haar advies dd. 15/01/03; noch de Minister in zijn bevestigende beslissing dd. 04/03/03 hebben afdoende geantwoord op de door verzoeker bijgebrachte stavingsstukken die hij zowel ter gelegenheid van de zitting van 15/01/03 van de Adviescommissie alsook per schrijven dd. 18/02/2003 nog bijkomend had voorgelegd aan de Minister. Door met geen woord te spreken over de talrijke stavingsstukken (vervat in een geïnventariseerd bundel) die verzoeker alsnog en bijkomend had voorgelegd (zowel op de zitting van 15/01/03 als per schrijven dd. 18/02/2003), schenden de Commissie van Advies alsook de Minister de motiveringsplicht zoals vereist in de Wet Motivering Bestuurshandelingen. Minstens was het voor zowel de Commissie van Advies alsook voor verweerder al te voorbarig om nu reeds , in de huidige stand van het geding conclusies te trekken, aangezien de burgerlijke (echtscheidings)procedure in het kader van de vordering tot nietigverklaring van het huwelijk, ingesteld door Mevrouw Y., nog steeds hangende is en er nog geen beslissing is tussengekomen. Verzoeker van zijn kant heeft een precies, gedetailleerd en omstandige uiteenzetting gedaan aangaande de gebeurtenissen vóór en ná het huwelijk. Uit hoofde van het principe van een goede rechtsbedeling had de Commissie van Advies alsook verweerder een ernstig volledig en behoorlijk onderzoek dienen te wijden aan alle gegevens van het dossier en rekening dienen te houden met de opmerkingen van verzoeker en de door hem aangevoerde feiten. De Commissie van Advies alsook verweerder hebben derhalve een beoordelingsfout minstens een onvolledige beoordeling van de situatie gemaakt. Verzoeker meent dat hij niet het slachtoffer mag worden van verkeerde of gebrekkige interpretaties. Wanneer een bestuurlijke overheid over een appreciatiebevoegdheid beschikt, dient ze deze bevoegdheid uit te oefenen en haar beslissing formeel te motiveren op een zulkdanige wijze dat verzoeker geïnformeerd is over de redenen die de overheid ertoe hebben gebracht om te beslissen zoals ze heeft beslist. Uit de formele motivering van de bestreden beslissing dd. 04/03/03 blijkt alleszins nergens dat het MINISTERIE de bijzondere redenen die verzoeker had ingeroepen ter staving van zijn verzoek tot herziening, wel degelijk onderzocht heeft teneinde te bepalen of deze redenen al of niet de negatieve beslissing dd. 04/03/03 rechtvaardigen.”; 2.1.
  14. Overwegende dat de bestreden beslissing is gebaseerd op het gemotiveerd advies van de Commissie van Advies voor Vreemdelingen dat verzoekers verzoek tot herziening ongegrond acht omwille van het feit dat “het gehuwd zijn op zichzelf geen recht schept om in België te blijven. Er dient een effectieve en duurzame relatie tussen de huwelijkspartners tot stand te komen. Deze kwam niet tot stand in het geval van betrokkene en zijn echtgenote; en aangezien er geen sprake is geweest van een duurzame levensgemeenschap worden de voorwaarden met betrekking tot het recht op verblijf als echtgenoot van een Belg niet vervuld.”; en anderzijds, op de overweging dat verzoeker zich niet vestigt bij zijn Belgische echtgenote D. Y.; dat de Minister van Binnenlandse Zaken er verder op wijst dat “er tussen de beide echtgenoten geen minimum aan relatie is geweest, zodat terecht aan de betrokkene de vestiging werd geweigerd”; dat op basis van het administratief dossier blijkt dat verzoekers niet hebben samengewoond; dat op 21 augustus 2000 (dit is één maand en 21 dagen na het huwelijk) verzoekers echtgenote verklaarde dat XIV-15.002-4/6 verzoeker steeds bij zijn zus en schoonbroer heeft gewoond en dat omwille van onenigheid zij wenste te scheiden (stuk 33); dat uit het verslag van samenwoonst/gezamenlijke vestiging eveneens blijkt dat verzoeker niet met zijn echtgenote samenwoonde (stuk 67); dat ook in de vragenlijst betreffende het verzoek tot herziening verzoekers echtgenote bevestigde dat zij nooit hadden samengewoond (stuk 75); dat verzoeker niet werd aangetroffen op het adres; dat uit navraag bij de bewoners bleek dat verzoeker en zijn echtgenote nooit hebben samengewoond (stuk 78); dat deze gegevens en vaststellingen niet door verzoeker worden weerlegd; dat, ongeacht verzoekers kritiek, de vestiging van een vreemdeling die gehuwd is met een Belgische onderdaan wel degelijk een minimum aan relatie tussen de echtgenoten vereist; dat het vaststaat dat er tussen verzoeker en zijn echtgenote geen dergelijk minimum aan relatie heeft bestaan; dat de Minister van Binnenlandse Zaken dan ook in alle redelijkheid kon stellen dat “er tussen de beide echtgenoten geen minimum aan relatie is geweest, zodat terecht aan de betrokkene de vestiging werd geweigerd”; dat het eerste middel niet gegrond is; 2.2.
  15. Overwegende dat verzoeker als tweede middel aanvoert: “- Schending van het redelijkheidsbeginsel : Verzoeker is van oordeel dat verweerder het evenredigheidsbeginsel miskend heeft. Verweerder heeft onvoldoende rekening gehouden met de door verzoeker bijgebrachte argumenten teneinde zijn verzoek tot herziening gegrond te verklaren. Minstens is er in casu sprake dat er m.b.t. het overheidsoptreden twijfel bestaat. Gelet op de door verzoeker uitgewerkte argumenten in zijn nota dd. 15/01/03 alsook het schrijven dd. 18/02/2003 , kon verweerder niet in redelijkheid komen tot de door haar genomen beslissing. De in het dossier voorhanden zijnde feitelijke gegevens zijn totaal onverenigbaar met het door het Ministerie genomen besluit.”; 2.2.
  16. Overwegende dat uit de bespreking van het eerste middel blijkt dat de Minister van Binnenlandse Zaken op basis van de objectieve gegevens aanwezig in het dossier in alle redelijkheid kon besluiten om het verzoek tot herziening te verwerpen; dat het tweede middel niet gegrond is; 2.3.
  17. Overwegende dat verzoeker als derde middel aanvoert: “- schending van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur en de billijke rechtspleging. Hoewel verzoeker reeds op 23/11/2000 een verzoek tot herziening heeft ingediend, heeft verweerder pas op 04/03/2003 hierop geantwoord, hetgeen veel te laat is. Rekeninghoudend met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur ware het noodzakelijk dat de beslissing van de MINISTER binnen een redelijke termijn van enkele maanden was tussengekomen. Verzoeker heeft zich in die lange tussenperiode immers nog verder geïntegreerd. Verzoeker is inmiddels de Nederlandse taal machtig; hij heeft een opleiding gevolgd en is regelmatig tewerkgesteld als arbeider bij een bedrijf in Genk. Tenslotte heeft verzoeker zeer hechte banden opgebouwd met talrijke inwoners in België.”; XIV-15.002-5/6 2.3.
  18. Overwegende dat verzoeker op 23 november 2000 een verzoek tot herziening indiende; dat twee jaar later (15.01.2003) de Commissie van Advies voor Vreemdelingen haar advies gaf en minder dan twee maanden later (04.03.2003) het verzoek tot herziening werd verworpen; dat verzoeker niet aantoont dat de behandelingen van zijn verzoek onredelijk lang heeft geduurd; dat de vraag dient gesteld welk belang verzoeker heeft bij dit middel aangezien hij onderwijl in België verbleef; dat het tweede middel, indien het al ontvankelijk is, niet gegrond is;
  19. Overwegende dat er grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
  20. De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
  21. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op acht mei tweeduizend en zes, door : de HH. A. BEIRLAEN, kamervoorzitter, C. VERHAERT, griffier. De griffier, De voorzitter, C. VERHAERT. A. BEIRLAEN. XIV-15.002-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.158.407 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.