id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 08 mei 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.158.416 Rolnummer: A. 164671/XIV-23204 Zaak: Arrest 158416 - - 08/05/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-05-24 Raadplegingen: 57 - laatst gezien 2026-06-30 18:42 Fiche Arrest nr 158.416 van 8 mei 2006 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 158.416 van 8 mei 2006 in de zaak A. 164.671/XIV-23.
- In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat K. VERSTREPEN, kantoor houdende te 2060 ANTWERPEN, Rotterdamstraat 53 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Binnenlandse Zaken. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Iraanse nationaliteit, op 26 juli 2005 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van 13 juni 2005 van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen, Eerste Nederlandse Kamer, waarbij wordt geweigerd hem als vluchteling te erkennen; Gelet op de beschikking van 11 augustus 2005 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het verslag opgemaakt door Adjunct-auditeur R. VERCRUYSSEN, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dat verslag aan de partijen; Gelet op de beschikking van 23 januari 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 29 maart 2006; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter A. BEIRLAEN; Gehoord de opmerkingen van Advocaat A. HAEGEMAN die, loco Advocaat K. VERSTREPEN verschijnt voor de verzoekende partij en van Advocaat E. MATTERNE, die verschijnt voor de verwerende partij; XIV-23.204-1/5 Gehoord het eensluidend advies van Adjunct-auditeur R. VERCRUYSSEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Over de gegrondheid van het beroep. 1.
- Overwegende dat verzoeker als enig middel aanvoert : “Schending van de motiveringsplicht, in het bijzonder de schending van de artikel 57/22 van de Wet betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen van 15 december 1980: 1.
- De tegenpartij motiveert haar beslissing dat er in hoofde van verzoeker "geen vrees voor vervolging in de zin van artikel 1, A
(2)van het Verdrag van Genève van 28 juli 1951 kan worden in aanmerking genomen" met volgende argumenten: “[...]dat appellant het aangehaalde risico voor vervolging zelf geschapen heeft tijdens zijn verblijf in België en dat zijn uiterst laattijdig oppositioneel engagement [...] wijst op het opportunistische en gedongen karakter van zijn acties in België [...]”; "Dat appellant geen enkel bewijs bijbrengt dat mensen in zijn situatie bij terugkeer naar Iran vervolgd werden"; "[...] dat er in [...] beslissing van het Immigration Appeals Tribunal op gewezen wordt dat rekening moet gehouden worden met het feit dat activiteiten na de vlucht niet noodzakelijk zullen leiden tot een reëel risico in het land van herkomst, ofwel omdat de overheden in het land van herkomst er niet van op de hoogte zijn, ofwel omdat het opportunistische karakter van deze activiteiten voor eenieder duidelijk is [...] 1.
- Deze door tegenpartij gehanteerde motivering mag dan al iets zeggen over de oorsprong van verzoekers vrees vervolgd te worden en over de waarschijnlijkheid van een toekomstige vervolging, ze vermag echter niet de gegrondheid van verzoekers vrees voor vervolging in de zin van de Conventie van Genève te ondergraven. De bestreden beslissing is gebaseerd op onjuiste en niet ter zake doende argumenten, zodat ze dan ook als onvoldoende gemotiveerd moet worden afgedaan en bijgevolg vernietigd dient te worden. 2.
- Om de gegronde vrees voor vervolging te beoordelen in het geval van een zgn. réfugié sur place, gaat het er immers in de eerste plaats om na te gaan of de acties die een persoon buiten het eigen land heeft ondernomen van die aard zijn dat ze door de eigen overheid gekend zijn, en dat ze aanleiding kunnen geven tot een vervolging in de zin van de Conventie van Genève: "Une personne peut devenir un réfugié « sur place » de son propre fait, par exemple en raison des rapports qu'elle entretient avec des réfugiés déjá reconnus comme tels ou des opinions politiques qu'elle a exprimés dans le pays ou elle résidé. La question de savoir si de tels actes suffisent à établir la crainte fondée de persécution doit étre résolue à la suite d 'un examen approfondi des circonstances. En particulier il y a lieu de vérifier si ces actes sont arrivés à la connaissance des autorités du pays et de quelle manière ils pourraient être jugée par elles." (randnr. 96, Guide des procédures et critères à appliquer pour déterminer le statut de réfugié). In de bestreden beslissing ontkent de tegenpartij niet dat de acties bij de Iraanse overheid bekend zijn. Er zijn foto's waaruit blijkt dat de acties vanuit de Iraanse ambassade gefilmd werden, en de deelname van verzoeker aan de acties wordt niet betwist. Bovendien verwijst tegenpartij zelf naar de door verzoeker neergelegde brief van de Iraanse ambassadeur aan de Minister van Buitenlandse Zaken waarin die duidelijk zijn mening - en dus die van de Iraanse autoriteiten- uiteenzet. Aan de belangrijkste voorwaarde om als 'refugié sur place' erkend te worden, is aldus voldaan, namelijk het feit dat de overheid van zijn land van herkomst op de hoogte is van zijn daden in het gastland. XIV-23.204-2/5 2.
- Door verzoeker opportunisme en laattijdigheid te verwijten wat betreft zijn politiek engagement, schendt tegenpartij dan ook haar motiveringsplicht. Het is namelijk niet enkel onjuist om te twijfelen aan de oprechtheid van verzoekers verontwaardiging ten opzichte van het Iraans regime en aan diens gedrevenheid om de oppositie te steunen, het doet bovenal helemaal niet ter zake. Tegenpartij voegt hiermee immers een ongeoorloofde voorwaarde toe aan wat de Conventie van Genève vereist om iemand als vluchteling te erkennen: in het geval van een 'réfugié sur place' wordt nergens vereist dat zijn engagement al in het land van herkomst of op een ander specifiek ogenblik in het gastland moet zijn aangegaan, net zomin als goede trouw vereist wordt. 2.
- In de hierboven vermelde brief van de Iraanse ambassadeur worden de deelnemers aan de acties bovendien geassocieerd met de MKO, die een 'groupuscule terroriste' genoemd wordt. Hieruit blijkt duidelijk hoe de Iraanse overheid over de actievoerders denkt. Iemand van sympathieën voor de MKO betichten is mogelijks al een voldoende aanleiding om vervolgd te worden in Iran. Het volstaat niet te verwijzen naar een tekort aan bewijs van vervolging van actievoerders bij hun terugkeer in Iran: het gaat hier niet louter om de terugkeer van een actievoerder, maar wel degelijk om een vluchteling die beschuldigd worden van sympathie voor een oppositiebeweging die als terroristisch afgedaan wordt en wiens leden herhaaldelijk het slachtoffer werden van vervolging en onmenselijke behandeling door het huidige Iraans regime. Toch onderzoekt en beantwoordt tegenpartij dit argument niet en kan ze dus niet uitsluiten dat verzoeker bij een terugkeer naar zijn land van herkomst vervolgd dreigt te worden, laat staan dat ze de gegrondheid van zijn vrees onderuit haalt.
- Concluderend kan dan ook gesteld worden dat de hoger geciteerde argumenten van tegenpartij in de bestreden beslissing niet vermogen de gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Conventie van Genève bij verzoeker te ontkrachten. Tegenpartij geeft dit trouwens zelf expliciet toe door te stellen dat verzoeker het "risico voor vervolging zelf geschapen heeft" en ook dat "activiteiten na de vlucht niet noodzakelijk zullen leiden tot een reëel risico". Enerzijds erkent tegenpartij aldus dat er een 'risico voor vervolging' is - dit in tegenspraak met haar eigen latere conclusie. Anderzijds kan ze net zomin als bevestigen, uitsluiten dat die vervolging 'reëel' zal worden: tegenpartij geeft dus toe dat de mogelijkheid van vervolging reëel is, hoewel dit niet eens vereist is om te kunnen gewagen van een gegronde vrees voor vervolging. De reden om iemand het vluchtelingenstatuut toe te kennen is te voorkomen dat iemand vervolgd zou kunnen worden, zodat dan ook de gegrondheid van de vrees op vervolging beoordeeld dient te worden, eerder dan de vervolging zelf op de waarschijn- lijkheid van zijn voltrekking te toetsen. In het tegenovergestelde geval zou het zo goed als onmogelijk zijn iemand als vluchteling te erkennen, daar men slechts uitsluitsel over zijn vervolging zou kunnen krijgen bij een terugkeer naar het land van herkomst. De bestreden beslissing van tegenpartij is dan ook onvoldoende en incorrect gemotiveerd en aldus strijdig met de bepalingen van artikel 57/22 van voornoemde Wet van 15 december 1980;”; 1.
- Overwegende dat in de mate het middel ertoe strekt aan te tonen dat verzoeker wel degelijk aan de voorwaarden van artikel 1, A
(2), van het Vluchtelingenver- drag beantwoordt, het niet in aanmerking kan worden genomen, vermits het niet aan de Raad van State toekomt het oordeel van de feitenrechter over de grond van de zaak over te doen; dat de Raad immers geen tweede instantiegerecht is dat de zaak opnieuw ten gronde onderzoekt en als administratieve cassatierechter enkel de wettigheid van de hem voorgelegde beslissing van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen mag nagaan; dat luidens artikel 14, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State de afdeling administratie in geval van cassatieberoep “niet in de beoordeling van de zaak zelf” treedt; dat de proceduregids van het Hoog Commissariaat voor de vluchtelingen bij de Verenigde Naties geen juridisch bindend karakter heeft; dat uit de bestreden beslissing blijkt dat verzoekers eerste asielaanvraag werd verworpen en hij een tweede asielaanvraag heeft XIV-23.204-3/5 ingediend waarbij hij zich in wezen beroept op het “refugié sur place”-principe; dat in de bestreden beslissing deze tweede aanvraag wordt verworpen; dat uit de bestreden beslissing blijkt dat verzoeker niet als vluchteling wordt erkend omdat geen vervolgingsvrees kan worden in aanmerking genomen; dat de beslissing inzonderheid rust op volgende vaststellingen: gelet op een eerdere asielaanvraag wordt vastgesteld dat hij geen nieuwe elementen over de feiten in zijn land van herkomst bijbrengt en dat de bevoegdheid van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen bijgevolg beperkt is tot de beoordeling van zijn activiteiten in België en de mogelijke gevolgen hiervan bij een eventuele terugkeer naar Iran; verzoekers deelname aan acties in België kaderde volledig binnen een reactie op de negatieve beoordeling van zijn eerste asielaanvraag, zodat het aangehaalde vervolgingsrisico zelf werd geschapen en zijn oppositioneel engagement een opportunistisch en gedongen karakter heeft met als enig doel het verkrijgen van asiel; verzoeker brengt geen enkel bewijs bij dat hij omwille van de algemene situatie in Iran een gegronde vrees voor vervolging heeft omwille van zijn activiteiten in België, noch dat personen die in een gelijkaardige situatie verkeerden als verzoeker bij terugkeer naar Iran vervolgd werden; een Duits document wordt niet in overweging genomen omwille van het ontbreken van een vertaling in de taal van de rechtspleging; Nederlandse krantenknipsels worden niet in aanmerking genomen omwille van het feit dat het onvolledige en gedeeltelijk onleesbare fotokopieën betreft, zonder objectieve bevestiging door middel van rapporten opgesteld door mensenrechtenorganisaties en/of internationale organisaties; de ongeloofwaardigheid van de verklaringen met betrekking tot de ondervraging van verzoekers echtgenoot in Iran met betrekking tot zijn activiteiten in België en het ontbreken van elk begin van bewijs hiervan; dat in de motivering van de bestreden beslissing deze vaststellingen omstandig worden toegelicht; dat deze vaststellingen en de appreciatie die eraan wordt gegeven door de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen niet kennelijk onredelijk voorkomen en niet kennelijk foutief zijn; dat het feit dat rekening wordt gehouden met de algemene toestand in het land van herkomst en het bestaan van eerdere oppositionele activiteiten van verzoeker in het land van herkomst of voordat zijn eerste asielaanvraag werd verworpen, niet als onredelijk kan worden beschouwd; dat het uitsluitend de feitenrechter toekomt te oordelen
(1)met welk opzet verzoeker deelnam aan bepaalde acties van de Iraanse oppositie in België,
(2)of hij bij terugkeer een vervolgingsrisico loopt en
(3)of hij nieuwe elementen heeft aangevoerd in vergelijking met zijn eerste asielaanvraag; dat de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelin- gen niet met absolute zekerheid dient te bewijzen dat de verklaringen van de vreemdeling niet met de werkelijkheid stroken, maar er zich toe kan beperken vast te stellen dat zijn verklaringen dermate in strijd zijn met algemeen bekende informatie dat eraan in redelijkheid geen geloof kan worden gehecht; dat de aangevochten beslissing aldus afdoende met redenen is omkleed; dat in de mate het enig middel ontvankelijk is, het niet gegrond is; XIV-23.204-4/5
- Overwegende dat er grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
- Het beroep wordt verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op acht mei tweeduizend en zes, door : de HH. A. BEIRLAEN, kamervoorzitter, C. VERHAERT, griffier. De griffier, De voorzitter, C. VERHAERT. A. BEIRLAEN. XIV-23.204-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.158.416 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div