id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 08 mei 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.158.417 Rolnummer: A. 164609/XIV-23180 Zaak: Arrest 158417 - - 08/05/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-05-24 Raadplegingen: 59 - laatst gezien 2026-06-30 18:43 Fiche Arrest nr 158.417 van 8 mei 2006 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 158.417 van 8 mei 2006 in de zaak A. 164.609/XIV-23.
- In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat W. BOLLEN, kantoor houdende te 3050 OUD-HEVERLEE, Waversebaan 134 A tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Binnenlandse Zaken. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Iraanse nationaliteit, op 26 juli 2005 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van 4 juli 2005 van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen, Eerste Nederlandse Kamer, waarbij wordt geweigerd hem als vluchteling te erkennen; Gelet op de beschikking van 11 augustus 2005 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het verslag opgemaakt door Adjunct-auditeur R. VERCRUYSSEN, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dat verslag aan de partijen; Gelet op de beschikking van 23 januari 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 29 maart 2006; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter A. BEIRLAEN; Gehoord de opmerkingen van Advocaat W. BOLLEN, die verschijnt voor de verzoekende partij en van Advocaat E. MATTERNE, die verschijnt voor de verwerende partij; XIV-23.180-1/6 Gehoord het eensluidend advies van Adjunct-auditeur R. VERCRUYSSEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Over de gegrondheid van het beroep. 1.1.
- Overwegende dat verzoeker als eerste middel aanvoert : “EERSTE MIDDEL : Schending van artikelen 10 en 11 van de Grondwet, schending van het beginsel van de onpartijdigheid juncto artikels 3, 6.
- van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens meer bepaald het beginsel van de onpartijdigheid, Aangezien ten eerste de bestreden beslissing artikel 6.1 EVRM schendt, meer bepaald en in het bijzonder het beginsel van de onpartijdigheid. Dat dit beginsel van onpartijdigheid van toepassing is op de Vaste Beroepscommissie, in se een administratieve rechtbank. Dat het dus niet opgaat te verwijzen naar het EVRM en de al dan niet toepasselijkheid inzake politieke rechten. Dat de rechtspraak van de Raad van State meermaals uitdrukkelijk het beginsel van de onpartijdigheid toepasselijk verklaarde: R.v.St. nr. 47.321, 6 mei 1994, http://www.raadvst-consetat.be(7 januari 2000); R.v.St. nr. 46.852, 1 april 1994, http://www.raadvst-consetat.be (7 januari 2000); R.A.C.E. 1994, z.p. R.v.St. nr. 45.547, 29 december 1993, R.A.C.E. 1993,z.p). R.v.St. nr. 43.425, 23 juni 1993, R.A.C.E. 1993, z.p.: Het beginsel van de onpartijdig- heid dringt zich op aan de administratieve rechtscolleges, en dus aan de Vaste Beroepscommissie voor Vluchtelingen. (R.v.St. nr. 43.425, 23 juni 1993, R.A.C.E. 1993, z.p ; bevestigd door R.v.St. nr. 100.769, 13 november 2001, http://www.raadvst- consetat.be(5 juli 2002); Rev. dr. étr. 2001, afl. 116, 712) Dat dit beginsel enerzijds inhoudt dat de rechter uit zichzelf geen vooroordeel mag hebben omtrent het gelijk of ongelijk van een partij zonder zich te bekommeren om de waarheid; Anderzijds houdt dit in dat er geen enkele twijfel of schijn mag bestaan dat de rechter een vooroordeel zou hebben, zelfs al zou hij zich uit zichzelf alleen bekommeren over de waarheid; Aangezien er dient te worden gewezen op de onderzoeksverplichting die inhoudt dat de Rechtbank verplicht is na te gaan of zij al dan niet een rechterlijke instantie vormt in de zin van artikel 6.1 EVRM telkens dit wordt betwist op basis van een grond die niet onmiddellijk manifest ongegrond lijkt (E.H.R.M. 23 april 1996, Remli, Publ. Cour, 1996, II, 559, §§47 & 48); Dat namelijk bij beschikking dd. 23.05.05 de Vaste Beroepscommissie bij monde van de gemachtigde bijzitter J. Biebaut van de lste Nederlandse Kamer van de Vaste Beroepscommissie de zaak te behandelen als alleensprekend lid. Dat dit veronderstelt dat men het door verzoeker ingediende beroep beschouwt als kennelijk ongegrond. Dat dit derhalve een inhoudelijk oordeel inhoudt over de grond van de zaak; Dat de Vaste Beroepscommissie reeds middels een uitwendige gedraging en uitlating zeer duidelijk heeft laten uitschijnen dat hij niet meer zonder vooringeno- menheid te kunnen oordelen over de zaak. Aangezien dit een subjectieve minstens een objectieve partijdigheid inhoudt. Dat de Europese rechtspraak duidelijk is in haar stelling dat "Justice not only be done, it must also be seen to be done". Dat in casu er een uitwendige schijn bestaat dat het rechtsprekend orgaan niet onpartijdig zou zijn, en dit los van de enige persoonlijke overtuiging van de betrokken rechter. Aangezien de Vaste Beroepscommissie voor de Vluchtelingen optreedt als een rechtscollege. Dat in casu de gemachtigde bijzitter reeds oordeelde over de kwestie en kennis nam van de zaak. XIV-23.180-2/6 Dat de Europese Rechtspraak vereist dat er werkelijk kennis wordt genomen van de zaak en dat hij een bepaalde procedurebeslissing heeft genomen, quod certa est in casu. Dat het verloop voor de Vaste Beroepscommissie voor de Vluchtelingen namelijk twee etappes kan kennen na het indienen van het verzoekschrift (artikel 57/12 Vreemdelin- genwet). Dat de Voorzitter of de door hem gemachtigde bijzitter na inzage van het toegezonden verzoekschrift kan oordelen dat het beroep onontvankelijk of kennelijk ongegrond is. Dat in dat geval deze het beroep zelf kan behandelen als alleensprekend lid (arti- kel 57/14 lid 4 Vreemdelingenwet). Dat dan deze laatste na behandeling ofwel kan oordelen dat het ingediende beroep noch onontvankelijk noch kennelijk ongegrond dan zal het alleenrechtsprekend lid de behandeling van het beroep verwijzen naar een drieledige kamer (artikel 57/12 lid 4). In het andere geval is de zaak definitief beslecht. Indien er geen noodzaak is aan de behandeling als alleensprekend lid, zal de voorzitter of de gemachtigde bijzitter de zaak voor behandeling verzenden naar een drieledige kamer. Aangezien éénieder recht heeft op een eerlijk proces; Dat dit een fundamenteel en internationaal erkend recht is (artikel 6 EVRM en artikel 14 BUPO. Dat in het intern recht de gelijke behandeling van rechten wordt gewaarborgd door artikel 10 en 11 van de Grondwet. Dat hiertoe de rechten en vrijheden behoren die voortvloeien uit voor België bindende internationale verdragsbepalingen die door een akte van instemming in de interne rechtsorde toepasselijk zijn gemaakt en directe werking hebben (Arresten van het Arbitragehof nrs. 14/93; 37/94; 47/96); Dat derhalve ook de wettelijkheid van interne bepalingen wegens schending met artikel 6 EVRM door het Arbitragehof kunnen en moeten worden getoetst; Aangezien het grondwettelijk gelijkheidsbeginsel zich niet per sé verzet tegen een ongelijke behandeling (i.e. differentiatie); Dat het gelijkheidsbeginsel wel verbiedt dat een ongelijke behandeling op willekeurige wijze zou worden toegepast (i.e. discriminatie). Dat derhalve afwijkingen op het gelijkheidsbeginsel (inhoudende dat iedere rechtson- derhorige recht heeft op een gelijke en eerlijke behandeling voor een onpartijdige rechter) enkel gerechtvaardigd zijn voor zover zij berusten op een objectieve en redelijke verantwoording. Dat voor wat betreft de rechtvaardigingstoets dient nagegaan te worden of de afwijking objectief is, een wettig doel nastreeft (legitimiteitsvoorwaarde) en niet kennelijk onevenredig is; Dat derhalve artikel 57/12 van de Wet 15 december 1980 (B.S. 31 december 1980) wet van 15.12.1980 dewelke later gewijzigd nog werd gewijzigd bij Wet dd. 10 juli 1996 (B.S. 5 oktober 1996) en de wet dd. 15 juli 1996 (B.S. 5 oktober 1996)) betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen een wet is en derhalve onder de toetsingsbevoegdheid van het Arbitragehof valt. Dat deze bevoegdheid exclusief toekomt aan het Arbitragehof, Dat voormeld artikel namelijk een soort van filterprocedure invoerde ingegeven door proceseconomische en organisatorische motieven. Aangezien in artikel 191 van de Grondwet staat ingeschreven dat iedere Vreemdeling die zich op het Belgisch grondgebied bevindt de bescherming geniet verleend aan personen en aan goederen, behoudens bij de wet gestelde uitzonderingen. Dat evenwel een verschil in behandeling waardoor een vreemdeling benadeeld wordt, kan enkel door de wetgever worden ingesteld. Artikel 191 Grondwet heeft niet tot doel de wetgever ertoe te machtigen, wanneer hij een dergelijk verschil invoert zich te onttrekken aan de eerbiediging van de fundamentele beginselen die in de Grondwet zijn verankerd. Dat artikel brengt dit trouwens uitdrukkelijk in herinnering door, in het begin ervan, als regel te stellen dat de vreemdeling die zich op het grondgebied bevindt "De bescherming geniet verleend aan personen en goederen". Uit artikel 191 vloeit derhalve geenszins voort dat de wetgever, wanneer hij een verschil in behandeling invoert ten nadele van vreemdelingen, zou vermogen er niet over te waken dat dat verschil niet discriminerend zou zijn, ongeacht de in het geding zijnde beginselen (Arbitragehof, Arrest nr. 61/94, 9 juli 1994, B.S. 9 augustus 1994, B.2.) XIV-23.180-3/6 Dat derhalve artikel 57/12 Vreemdelingenwet geenszins de rechtvaardigingstoets doorstaat. Dat evenmin de legitimiteitsvoorwaarde wordt gerespecteerd. Aangezien dit een verschil in behandeling uitmaakt in vergelijking met andere rechtszoekenden in burgerlijke, fiscale, strafrechtelijke dan wel handelsgeschillen. Dat namelijk men aldaar dergelijke schendingen van het beginsel van de onpartijdig- heid niet duldt om evidente redenen. Dat er geen enkele verantwoording kan worden gegeven voor huidige manifeste schending van de ongelijkheid. Aangezien de sanctie duidelijk is en bestaat in de absolute nietigheid; Dat dit reeds volstaat ter vernietiging van de bestreden beslissing; Dat de andere consideransen van de bestreden beslissing tevens worden behept door dit gebrek aan partijdigheid.”; 1.1.
- Overwegende dat de artikelen 6.1 van het E.V.R.M. en 14 van het BUPO in deze niet van toepassing zijn, aangezien de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen geen uitspraak doet over burgerlijke rechten, noch over de gegrondheid van een strafvervolging; dat de mogelijkheid om als alleenrechtsprekend lid uitspraak te doen, grond vindt in artikel 57/12, vierde lid, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelin- gen; dat deze bepaling luidt als volgt: “Wanneer de voorzitter of de door hem gemachtigde bijzitter, na inzage van het verzoekschrift oordeelt dat het beroep onontvankelijk is of kennelijk ongegrond is, kan hij het beroep zelf behandelen als alleenrechtsprekend lid (...)”; dat deze wetsbepaling er geen twijfel laat over bestaan dat het lid, dat over het onontvan- kelijk of kennelijk ongegrond karakter van het beroep oordeelt, vervolgens zelf dit beroep als alleenrechtsprekend lid kan behandelen; dat het Arbitragehof onder andere in het arrest nr. 81/2002 van 8 mei 2002 (B.S. 10 augustus 2002) van recht heeft gezegd dat artikel 57/12, vierde lid, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, gewijzigd bij de wet van 6 mei 1993, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet schendt; dat het eerste middel, in de mate dat het ontvankelijk is, niet gegrond is; 1.2.
- Overwegende dat verzoeker als tweede middel aanvoert : “TWEEDE MIDDEL: Schending van de formele motiveringsplicht en schending van artikel 3 van de wet van 29 juli 1991 i.v.m. de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen. Aangezien de beslissing dd. 23.05.05 van de Vaste Beroepscommissie voor de Vluchtelingen een flagrante miskenning inhoudt van de feiten die verzoeker aanhaalt en bijgevolg schendt de bestreden beslissing de motiveringsplicht; Dat derhalve de motiveringsplicht andermaal wordt geschonden wegens manifest foutieve motivering in feite en bijgevolg in rechte; Dat men stelt dat verzoekers verklaringen niet voldoen aan de vereiste van mogelijk geloofwaardig en eerlijk in de zin van een terechte vrees voor vervolging; Dat men stelt en aanvaardt dat verzoekers relaas en feitenbeschrijving niet wordt betwist. XIV-23.180-4/6 Dat men evenwel ter zake geen enkel doorslaggevend element aanhaalt betreffende verzoekers relaas om te besluiten dat er geen vrees bestaat in hoofde van verzoeker in de zin van artikel 1, A
(2)van het Verdrag van Genève van 28 juli
- Dat men hiertoe enkel en alleen heeft besloten op algemene grondslag zonder de concrete omstandigheden waarin verzoeker zich bevindt naar behoren te onderzoeken. Dat men dus manifest in gebreke blijft aan te tonen waarom in het concrete geval van verzoeker niet voldaan is aan de voorwaarden van het Verdrag van Genève van 28 juli
- Dat verzoekers relaas nergens wordt geduid als inconsi(s)tent, onjuist of onmogelijk. Dat dergelijke redenering en considerans in strijd is met de Vluchtelingen conventie, artikel 1 A van voormelde Conventie van Genève dd. 28.07.
- Dat verzoekers’ relaas beantwoordt aan alle criteria zoals deze gesteld worden in de Vluchtelingenconventie; Dat de bestreden beslissing derhalve de Vluchtelingenconventie schendt door te stellen dat verzoekers’ asielaanvraag ongegrond is; Dat ten gevolge van dergelijke flagrante schendingen van hogervermelde middelen de bestreden beslissing dient vernietigd te worden.”; 1.2.
- Overwegende dat de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen niet van toepassing is op de beslissingen van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen, vermits zij een administratief rechtscollege is; dat, gelet op het feit dat de bestreden beslissing dateert van 4 juli 2005 ervan dient uitgegaan dat verzoeker in zijn tweede middel verwijst naar deze beslissing en niet naar de beslissing van 23 mei 2005 waarbij enkel tot uitstel van de behandeling van het beroep bij de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen wordt besloten; dat, in de mate het middel ertoe strekt aan te tonen dat de verzoekende partij wel degelijk aan de voorwaarden van artikel 1, A
(2), van het Vluchtelingenverdrag beantwoordt, het niet in aanmerking kan worden genomen, vermits het niet aan de Raad van State toekomt het oordeel van de feitenrechter over de grond van de zaak over te doen; dat de Raad immers geen tweede instantiegerecht is dat de zaak opnieuw ten gronde onderzoekt, en als administratieve cassatierechter enkel de wettigheid van de hem voorgelegde beslissing van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen mag nagaan; dat luidens artikel 14, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State de afdeling administratie in geval van cassatieberoep “niet in de beoordeling van de zaak zelf” treedt; dat uit de bestreden beslissing blijkt dat op afdoende wijze wordt aangegeven waarom de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen van mening is dat de aanvraag om erkenning als vluchteling van verzoeker dient te worden geweigerd, zodat er van schending van de formele motivering van de beslissing geen sprake is; dat de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen van oordeel is dat verzoeker het risico dat hij aanhaalt zelf heeft geschapen tijdens zijn verblijf in België en dat zijn deelname aan bepaalde acties een opportunistisch karakter heeft met als enig doel asiel te verkrijgen; dat hij tevens geen bewijs aanbrengt dat hij een gegronde vrees voor vervolging heeft bij terugkeer; dat dit alles voldoende wordt toegelicht in de bestreden beslissing; dat het uitsluitend de feitenrechter toekomt te oordelen of de door hem gemaakte vaststellingen doen blijken van een gegronde vervolgingsvrees of niet; dat deze beoordelingen door de Raad van State, optredend als administratieve cassatierechter, niet kunnen worden overgedaan; dat het tweede middel, indien het al ontvankelijk is, niet gegrond is; XIV-23.180-5/6 2. Overwegende dat er grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel 1. Het beroep wordt verworpen. Artikel 2. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op acht mei tweeduizend en zes, door : de HH. A. BEIRLAEN, kamervoorzitter, C. VERHAERT, griffier. De griffier, De voorzitter, C. VERHAERT. A. BEIRLAEN. XIV-23.180-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.158.417 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div