← België

Arrest 158422 - - 08/05/2006

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 08 mei 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.158.422 Rolnummer: A. 162861/XIV-22645 Zaak: Arrest 158422 - - 08/05/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-05-24 Raadplegingen: 54 - laatst gezien 2026-06-30 18:43 Fiche Arrest nr 158.422 van 8 mei 2006 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 158.422 van 8 mei 2006 in de zaak A. 162.861/XIV-22.

  1. In zake : XXX, wonende te 3000 LEUVEN, tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Binnenlandse Zaken. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Afghaanse nationaliteit, op 13 mei 2005 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van 30 maart 2005 van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen, Tweede Nederlandse Kamer, waarbij wordt geweigerd hem als vluchteling te erkennen; Gelet op de beschikking van 7 juni 2005 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het verslag opgemaakt door Adjunct-auditeur R. VERCRUYSSEN, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dat verslag aan de partijen; Gelet op de beschikking van 23 januari 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 29 maart 2006; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter A. BEIRLAEN; Gehoord de opmerkingen van de verzoekende partij, die persoonlijk verschijnt, en van Advocaat E. MATTERNE, die verschijnt voor de verwerende partij; XIV-22.645-1/5 Gehoord het eensluidend advies van Adjunct-auditeur R. VERCRUYSSEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  2. Over de gegrondheid van het beroep. 1.1.
  3. Overwegende dat verzoeker als eerste middel aanvoert : “6.
  4. Eerste middel: Schending van het beginsel van behoorlijk bestuur, meer bepaald van de zorgvuldigheidsnorm Aangezien het beginsel van behoorlijk bestuur, uitgewerkt in de formele zorgvuldig- heidsnorm, inhoudt dat de overheid, en dus de verwerende partij, moet oog hebben voor het zorgvuldig verzamelen van gegevens, het zorgvuldig gebruik van adviezen en het horen of plegen van overleg met betrokkenen; Aangezien immers de desbetreffende overheid volledig moet ingelicht zijn over alle belangrijke elementen die een beslissing kunnen beïnvloeden; Aangezien de verwerende partij heeft gemeend dat verzoeker onvoldoende elementen aanhaalt waaruit blijkt dat hij een gegronde vrees voor vervolging dient te koesteren in zijn land van herkomst; Aangezien de bestreden beslissing ten onrechte twijfelt aan het feit dat verzoeker problemen zou hebben gehad in Afghanistan; dat de bestreden beslissing zich daarvoor baseert op enkele vermeende contradicties en/of onregelmatigheden die terug te vinden zijn doorheen de verschillende verhoren die werden afgenomen van verzoeker; Aangezien sommige van de feiten echter dateren van 2002 wat onlosmakelijk voor gevolg heeft dat de gebeurtenissen onmogelijk nog precies voor de geest kunnen worden gehaald; Aangezien de Vaste Beroepscommissie nochtans niet twijfelt aan het feit dat er zich in november 2002 problemen en schermutselingen hebben voorgedaan op de universiteit van Kabul; Aangezien verzoeker bovendien op de zitting van de Vaste Beroepscommissie een aantal uittreksels uit diverse kranten en tijdschriften heeft neergelegd waarin zijn relaas wordt bevestigd; Aangezien verzoeker wel degelijk een coherent en geloofwaardig verhaal naar voren brengt; dat zijn vervolging door de autoriteiten van het land meer dan aannemelijk lijkt, gegeven de concrete informatie die verzoeker bij brengt; Aangezien verwerende partij twijfels heeft omtrent de problemen van verzoeker omwille van het feit dat verzoeker dit op geen enkele concrete manier kan aantonen, dat verzoeker zich terecht afvraagt op welke concrete manier dit dan wel zou kunnen worden aangetoond, dat het uiteindelijk niet zo onlogisch is dat verzoeker dit nauwelijks of niet kan aantonen; Dat in de meeste gevallen wanneer iemand moet vluchten voor vervolging deze dit zal doen in de grootste verwarring; dat er bijgevolg geen tijd is om bewijzen te verzamelen en mee te nemen; Aangezien, ook al ligt de bewijslast bij verzoeker, er ook nog zoiets bestaat als de taak om alle pertinente feiten te onderzoeken en te evalueren, ook door de behandelaar van de asielaanvraag, of zelf de nodige bewijzen proberen te verzamelen; Aangezien het kan zijn dat er geen sluitend bewijs kan worden voorgelegd; dat in dat geval, als het asielrelaas van verzoeker coherent en geloofwaardig schijnt, hem het voordeel van de twijfel moet worden toegekend, tenzij er duidelijke redenen zijn die zich hiertegen verzetten. Aangezien van verwerende partij mag worden verwacht dat op zorgvuldige wijze gegevens zouden verzameld worden, quod non; Aangezien de verwerende partij duidelijk niet de nodige inspanningen heeft gedaan om de specifieke toestand van verzoeker te analyseren. XIV-22.645-2/5 Aangezien de verwerende partij haar zorgvuldigheidsplicht heeft geschonden en de beslissing om die reden moet worden nietig verklaard;”; 1.1.
  5. Overwegende dat het uitsluitend de feitenrechter toekomt te oordelen of de door hem vastgestelde tegenstrijdigheden in de opeenvolgende verklaringen van betrokkene niet te verklaren zijn door problemen tijdens de verhoren met de tolken, of de vastgestelde contradicties dermate belangrijk zijn dat erdoor de geloofwaardigheid van het asielrelaas wordt aangetast en of aan de voorgelegde stukken bewijswaarde kan worden toegekend; dat deze beoordelingen door de Raad van State, optredend als administratieve cassatierechter, niet kunnen worden overgedaan; dat luidens artikel 14, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, de afdeling administratie in geval van cassatieberoep niet in de beoordeling van de zaak zelf treedt; dat in het licht van de vastgestelde tegenstrijdigheden en onjuistheden in verzoekers verklaringen omtrent de gebeurtenissen die cruciaal waren in zijn asielrelaas de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen haar appreciatiebevoegdheid niet kennelijk te buiten is gegaan toen ze tot de ongeloofwaardigheid van dit relaas besloot; dat het bij de verwerping van het beroep volstaat - zoals de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen in voorliggend geval heeft gedaan - aan te geven op grond van welke objectieve gegevens ze van oordeel is dat geen gegronde vrees voor vervolging in aanmerking kan worden genomen; dat in het licht van de door haar gedane vaststellingen (met name tegenstrijdige verklaringen met betrekking tot algemeen bekende feiten en verzoekers studieperiode, alsmede zijn verklaringen voor de Dienst Vreemdelingenzaken) de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen geenszins kennelijk onredelijk is wanneer zij oordeelt dat dergelijke tegenstrijdigheden betreffende wezenlijke elementen verhinderen geloof te hechten aan het asielrelaas; dat de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen niet met absolute zekerheid dient te bewijzen dat de verklaringen van de vreemdeling niet met de werkelijkheid stroken, maar er zich toe kan beperken vast te stellen dat zijn verklaringen dermate in strijd zijn met algemeen bekende informatie dat eraan in redelijkheid geen geloof kan worden gehecht; dat het eerste middel, in de mate dat het ontvankelijk is, niet gegrond is; 1.2.
  6. Overwegende dat verzoeker als tweede middel aanvoert : “6.
  7. Tweede middel. schending van het redelijkheidsbeginsel en de motiveringsplicht Aangezien de overwegingen die verwerende partij maakt om aan te tonen dat de verklaringen van verzoeker niet geloofwaardig zijn, om bijgevolg te besluiten dat er geen gegronde vrees is in de zin van de Conventie van Genève, niet adequaat en afdoende zijn, dat zij immers niet van die aard zijn dat zij volstaan om de aanvraag van verzoeker bedrieglijk te verklaren in de zin van de Conventie van Genève; Dat de bestreden beslissing immers onvoldoende duidelijk maakt waarom en hoe de verklaringen van verzoeker leiden tot de conclusie dat er geen gegronde vrees is; Dat de motieven van een dergelijke conclusie moeten worden betrokken op het geheel van het relaas van verzoeker en zich niet mogen beperken tot de opsomming van een aantal onwaarschijnlijkheden en onvolledigheden, Dat er in casu sprake is van een schending van het redelijkheidsbeginsel en de motiveringsplicht;”; XIV-22.645-3/5 1.2.
  8. Overwegende dat de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen in de bestreden beslissing duidelijk aangeeft waarom in hoofde van verzoeker geen vervolgings- vrees in de zin van de Vluchtelingenconventie kan worden vastgesteld, zoals reeds gebleken is bij de bespreking van het eerste middel; dat het tweede middel niet gegrond is; 1.3.
  9. Overwegende dat verzoeker als derde middel aanvoert : “6.
  10. Derde middel: schending van de hoorplicht Aangezien verzoeker bovendien tijdens de zitting van de Vaste Beroepscommissie d.d. 30 maart 2005 diende vast te stellen dat hij een aantal van zijn grieven niet naar voren mocht brengen; Aangezien verzoeker kennis heeft van het feit dat de Vaste Beroepscommissie niet het ganse asielverhaal opnieuw doorneemt met de asielaanvrager, maar slechts een aantal cruciale, eventueel betwiste, elementen naar boven haalt; Aangezien desondanks mag verondersteld worden dat verzoeker tijdens een verhoor zelf ook de nodige aanvullingen kan doen die volgens hem van belang zijn om het geheel van de feiten beter te kaderen; Aangezien verzoeker daar niet de gelegenheid toe kreeg op de zitting van de Vaste Beroepscommissie en dat derhalve sprake is van een schending van het hoorrecht; dat de beslissing om die reden moet worden nietig verklaard;”; 1.3.
  11. Overwegende dat uit het administratief dossier blijkt dat verzoeker werd gehoord op de zitting van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen; dat op het zittingsblad geen voorbehoud werd vermeld met betrekking tot het verloop van deze zitting zodat mag worden geconcludeerd dat hij alle noodzakelijk geachte opmerkingen heeft kunnen formuleren tijdens de zitting; dat bovendien moet worden vastgesteld dat verzoeker in het middel niet duidelijk maakt welke essentieel geachte aanvullingen en opmerkingen hij niet heeft kunnen geven tijdens de zitting van de Vaste Beroepscommissie voor vluchteling- en; dat het derde middel, in de mate dat het ontvankelijk is, niet gegrond is;
  12. Overwegende dat er grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
  13. Het beroep wordt verworpen. XIV-22.645-4/5 Artikel
  14. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op acht mei tweeduizend en zes, door : de HH. A. BEIRLAEN, kamervoorzitter, C. VERHAERT, griffier. De griffier, De voorzitter, C. VERHAERT. A. BEIRLAEN. XIV-22.645-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.158.422 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.