id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 08 mei 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.158.423 Rolnummer: A. 169970/IX-5203 Zaak: Arrest 158423 - Accountants en Belastingconsulenten - 08/05/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-05-17 Raadplegingen: 61 - laatst gezien 2026-06-30 18:44 Fiche Arrest nr 158.423 van 8 mei 2006 Beroepen - Accountants en Belastingconsulenten Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 158.423 van 8 mei 2006 in de zaak A. 169.970/IX-
- In zake : Rudy BOECKXSTAENS, die woonplaats kiest bij advocaat P. AERTS, kantoor houdende te GENT, Coupure 5 tegen : het Instituut van de Accountants en de Belastingconsulenten (I.A.B.), dat woonplaats kiest bij advocaat M. LEBBE, kantoor houdende te BRUSSEL, Louizalaan
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE IXe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Rudy BOECKXSTAENS op 6 februari 2006 heeft ingediend om de schorsing te vorderen van de tenuitvoerlegging van “de beslissing van 5 december 2005 van de Commissie van Beroep - Nederlandstalige Kamer - van het Instituut van de Accountants en de Belasting- consulenten, waarbij het hoger beroep van verzoekende partij tegen de beslissing van 2 juni 2003 van de Raad van het Instituut van de Accountants en de Belasting- consulenten als ongegrond werd afgewezen”; Gezien het gelijktijdig ingediende verzoekschrift, waarbij dezelfde verzoekende partij de vernietiging vordert van dezelfde beslissing; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur J. STEVENS; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; Gelet op de beschikking van 6 april 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 24 april 2006; IX-5203-1/7 Gehoord het verslag van staatsraad L. HELLIN; Gehoord de opmerkingen van advocaat I. BOCKSTAELE die, loco advocaat P. AERTS verschijnt voor de verzoekende partij, en van advocaat L. PEETERS die, loco advocaat M. LEBBE verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur L. VERMEIRE; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Over de gegevens van de zaak. Overwegende dat de gegevens van de zaak kunnen worden samengevat als volgt : Verzoeker dient op 26 december 2000 een aanvraag in tot het verkrijgen van de hoedanigheid van intern belastingconsulent. Die aanvraag is gesteund op de overgangsregeling voorzien in artikel 2, tweede gedachtenstreepje, van het koninklijk besluit van 4 mei 1999 betreffende het Instituut van de Accountants en de Belastingconsulenten. Dit houdt in dat de verzoeker moet aantonen dat hij houder is van het diploma bedoeld in dat artikel en dat hij het bewijs levert “gedurende ten minste vijf jaar professionele werkzaamheden te hebben uitgeoefend, waarin hij voldoende vorming heeft verworven om de functie van belastingconsulent, zoals omschreven in artikel 38 van de wet (van 22 april 1999 betreffende de boekhoudkundige en fiscale beroepen), uit te oefenen”. Bij schrijven van 17 december 2001 deelt de verwerende partij aan verzoeker mede dat “de omschrijving van (zijn) beroepsactiviteiten inzake fiscale aangelegenheden over de afgelopen vijf jaar voor het in rubriek vermelde dossier onvoldoende zijn toegelicht”. Om de behandeling van zijn dossier te vergemakkelijken en de erkenningscommissie toe te laten een juist oordeel te vormen van de duur en van de aard van zijn beroepservaring, wordt hem gevraagd om zo spoedig mogelijk een zo gedetailleerd mogelijke omschrijving hieromtrent te laten geworden. Verzoeker antwoordt hierop met een brief van 12 maart 2002 als volgt : IX-5203-2/7 “Ik, ondergetekende, Rudy Boeckxstaens, bevestig hierbij dat ik sedert 20.01.1991 werkzaam ben bij de firma Syndikaat Machiensteen N.V. (behorende tot de groep SWENDEN N.V.). Deze vennootschap is een steen-bakkerij met meer dan 100 werknemers in dienst en vertegenwoordigt een aandeel van circa 25 % van de Belgische markt inzake verkoop van snelbouwbaksteen. In bovenvermelde firma ben ik belast met boekhoudkundige- en fiscale werkzaamheden als hoofd van de administratieve dienst. De fiscale werkzaamheden inzake vennootschapsbelastingen bestaan er reeds meer dan 10 jaar in in het opstellen en verdedigen van de fiscale aangiften inclusief het opstellen van de nodige bijlagen. Ook de maandelijkse B.T.W.- aangiften opstellen, controleren en indienen alsook alle contacten met de administratie behorende tot de normale werkzaamheden. Inzake sociaal recht wordt er, in samenspraak met de loon- en wedde- administratieafdeling nauwlettend op toegezien op een correcte toepassing van de sociale- en fiscale wetten inzake personeelsadministratie. Daarnaast dient er nog aan de fiscale reglementeringen voldaan te worden inzake milieu-, gewest-, provincie- en gemeentebelasting, alsook opvolging van verkeersbelasting m.b.t. personen- en bedrijfswagens (inclusief eurovignet en 30 dagen rittenkaarten). De firma is tevens geabonneerd op diverse fiscale abonnementen, zoals o.a. het Belgisch Staatsblad, fin. management Vl. + Brussel, gereg. aannemers, bull. + com. IB + WIB, fiscoloog, aanschr. kad. reg. dom. cir., de zelfstandige-fiscaal, ... teneinde een permanente fiscale updating te genieten. De werkzaamheden worden verricht in het kader van een voltijdse dienstbetrekking.” In zijn zitting van 30 april 2002 beslist de Erkenningscommissie van het Instituut om verzoeker te horen “om toelichtingen te verschaffen m.b.t. zijn professionele ervaring inzake fiscale aangelegenheden zoals voorzien in artt. 2 en 3 van het K.B. van 4 mei 1999, alsook m.b.t. zijn permanente vorming”. Verzoeker wordt gehoord op 19 mei
- Bij schrijven van 17 juni 2003 wordt hem ter kennis gebracht dat de Raad van het Instituut, na negatief advies van de Erkenningscommissie, op zijn vergadering van 2 juni 2003 heeft beslist hem de hoedanigheid van belastingconsulent niet toe te kennen om de volgende reden : “De kandidaat levert niet het bewijs gedurende ten minste vijf jaar professionele werkzaamheden te hebben uitgeoefend, waarin hij voldoende vorming heeft verworven om de functie van Belastingconsulent, zoals omschreven in art. 38 van de Wet van 22 april 1999 betreffende de boekhoudkundige en fiscale beroepen, uit te oefenen.” Verzoeker tekent op 9 juli 2003 hoger beroep aan tegen deze beslissing. IX-5203-3/7 Hij wordt daarop uitgenodigd om op 12 september 2005 te verschijnen voor de Nederlandstalige Kamer van de Commissie van Beroep. In zitting van 5 december 2005 wordt het hoger beroep door de Commissie van Beroep ontvankelijk doch ongegrond verklaard. Die beslissing luidt als volgt : “Gezien de stukken van het door de Raad samengestelde dossier; Gehoord de appellant in zijn middelen ter zitting van 12 september 2005, waar de zaak werd behandeld en in beraad genomen; Rudy BOECKXSTAENS, die geboren is op 15 september 1965, heeft op 26 december 2000 zijn aansluiting gevraagd als Belastingconsulent in dienst- verband. Volgens zijn aangeven behoort tot zijn functie, vanaf 22 januari 1991 tot op heden, in dienst van één enkele werkgever : “boekhoudkundige en fiscale verwerking van de vennootschappen behorende tot de groep SWENDEN (=Boekhouding + B. T. W. + Ven. Belasting onder leiding van de hoofdboek- houder)”. Hij is houder van een diploma economisch hoger onderwijs van het korte type met volledig leerplan/afdeling boekhouden
(1988)en van een diploma boek- houdkundige expertise
(1991). De Erkenningscommissie bracht een negatief advies uit en de Raad besliste om de hoedanigheid van Belastingconsulent niet toe te kennen. Deze beslissing werd aan betrokkene ter kennis gebracht bij brief van 17 juni
- Betrokkene stelde een niet-gemotiveerd hoger beroep in bij brief van 8 juli
- Dit hoger beroep is ongegrond. Uit de voorgelegde stukken blijkt niet ten genoege van recht dat betrokkene het bewijs levert dat hij gedurende tenminste vijf jaar professionele werkzaamhe- den heeft uitgeoefend waarin hij voldoende vorming heeft verworven om de functie van Belastingconsulent uit te oefenen, dit is te adviseren in alle belastingaangelegenheden, belastingplichtigen bij te staan bij de nakoming van hun fiscale verplichtingen en hun te vertegenwoordigen, mede gelet op de verankering van de activiteiten ten behoeve van één enkele opdrachtgever in een welbepaalde sector en op het feit dat deze activiteiten worden ontplooid onder de leiding van een hoofdboekhouder.” Dit is de bestreden beslissing;
- Over de gegrondheid van de vordering. Overwegende dat luidens artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging kan worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de bestreden beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de akte of het reglement een moeilijk te herstellen en ernstig nadeel kan berokkenen; IX-5203-4/7 2.
- Overwegende dat verzoeker met betrekking tot de tweede voorwaarde aanvoert dat zijn aanvraag tot het toekennen van de hoedanigheid van belastingconsulent kadert in een tijdelijke overgangsperiode zoals vastgelegd in artikel 2 en volgende van het koninklijk besluit van 4 mei 1999 betreffende het Instituut van de Accountants en de Belastingconsulenten; dat die aanvraag diende te worden ingediend binnen een termijn van 18 maanden te rekenen vanaf de inwerkingtreding van de wet van 22 april 1999; dat hij door de bestreden beslissing niet de titel van intern belastingconsulent kan voeren en door de bestreden beslissing evenmin de overgangsperiode vastgelegd in de voornoemde bepalingen kan genieten; dat hij omwille van de bestreden beslissing thans moet voldoen aan de in artikel 19 van de wet van 22 april 1999 betreffende de boekhoudkundige en fiscale beroepen vastgestelde toelatingsvoorwaarden, waaronder onder meer het afleggen van een bekwaamheidsexamen voor een examenjury en het doorlopen van een stage bij het Instituut van de Accountants en de Belastingconsulenten; dat hij omwille van de bestreden beslissing een enorme achterstand oploopt in ervaring en uitoefening van de hoedanigheid van belastingconsulent; dat de uitoefening van zijn taak in dienstverband hieraan geen afbreuk doet; dat het ook voor zijn werkgever belangrijk is, zowel binnen het organigram van de groep SWENDEN en intern als hoofd van de administratie als naar de contacten met de fiscale administratie, dat hij over de hoedanigheid van belastingconsulent kan beschikken; dat de bestreden beslissing ongetwijfeld een negatieve weerslag heeft op zijn verdere beroepsloopbaan; dat een eventuele nietigverklaring van de bestreden beslissing het tijdsverloop geenszins zal goedmaken en de opgelopen achterstand niet zal herstellen; 2.
- Overwegende dat de verwerende partij daarop antwoordt dat indien de bestreden beslissing wordt vernietigd, verzoeker het voordeel van de overgangsregeling behoudt zodat, om dit voordeel te behouden, het niet nodig is dat de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing zou worden geschorst; dat de bestreden beslissing verzoeker niet belet om zijn activiteiten van belastingconsulent verder te zetten en ervaring op te doen; dat men immers niet de titel van belasting- consulent hoeft te hebben om activiteiten van belastingconsulent uit te oefenen; dat de wet van 22 april 1999 enkel de titel van belastingconsulent beschermt zonder een monopolie in te stellen in de zin dat enkel houders van die titel de activiteiten van belastingconsulent mogen uitoefenen; dat het feit dat het voor de werkgever van verzoeker van belang is dat verzoeker over de titel van belastingconsulent beschikt, een nadeel is eigen aan die werkgever en dus bezwaarlijk als een persoonlijk nadeel van verzoeker kan worden beschouwd; dat uit geen enkel element blijkt dat IX-5203-5/7 verzoeker zijn huidige functie riskeert te verliezen om de reden dat de bestreden beslissing hem de titel van belastingconsulent ontzegt; dat ten slotte verzoekers bewering dat de bestreden beslissing een negatieve weerslag zou hebben op zijn verdere beroepsloopbaan, welke enkel kan worden goedgemaakt door een latere nietigverklaring van de bestreden beslissing, geenszins wordt gestaafd; 2.
- Overwegende dat de verwerende partij terecht argumenteert dat, indien de bestreden beslissing vernietigd wordt, verzoeker het voordeel van de overgangsregeling behoudt aangezien verwerende partij opnieuw over zijn aanvraag van 26 december 2000 zal dienen te oordelen rekening houdend met de met het dictum van het vernietigingsarrest verbonden motieven; dat ook met verwerende partij dient vastgesteld dat bezwaarlijk valt in te zien dat “verzoeker een enorme achterstand oploopt in ervaring en uitoefening van de hoedanigheid van belastingcon- sulent door de bestreden beslissing”; dat het immers niet duidelijk is op welke wijze verzoeker in de uitoefening van zijn huidig beroep een enorme achterstand zou oplopen door de titel van belastingconsulent niet te kunnen voeren en dat verzoeker zulks ook niet heeft verduidelijkt; dat voor zover het voeren van de titel van belastingsconsulent voor verzoekers werkgever belangrijk is en de ontstentenis ervan een nadeel zou kunnen opleveren, dergelijk nadeel geen persoonlijk nadeel in hoofde van verzoeker is; dat verzoeker ten slotte ook niet op afdoende wijze aantoont dat de bestreden beslissing een negatieve weerslag zou kunnen hebben op zijn verdere loopbaan; 2.
- Overwegende dat aldus niet is voldaan aan een van de voorwaar- den van artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State; dat die vaststelling volstaat om verzoekers vordering af te wijzen, BESLUIT: Artikel
- De vordering tot schorsing wordt verworpen. Artikel
- De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. IX-5203-6/7 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op acht mei 2000 en zes, door : de HH. L. HELLIN, staatsraad, wnd. kamervoorzitter, W. GEURTS, griffier. De griffier, De voorzitter, W. GEURTS. L. HELLIN. IX-5203-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.158.423 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.201.601 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div