id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 08 mei 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.158.428 Rolnummer: A. 163064/IX-4934 Zaak: Arrest 158428 - - 08/05/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-05-12 Raadplegingen: 56 - laatst gezien 2026-06-30 18:45 Fiche Arrest nr 158.428 van 8 mei 2006 - Beslissing : Afstand Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 158.428 van 8 mei 2006 in de zaak A. 163.064/IX-
- In zake : Eric VERMEULEN, die woonplaats kiest bij advocaat I. EXELMANS, kantoor houdende te KALMTHOUT, Kapellaan 9/1 tegen : de stad Antwerpen. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE IXe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Eric VERMEULEN op 4 juni 2005 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van de beslissing van 1 april 2005 van de burgemeester van de stad Antwerpen waarbij hem de zware tuchtstraf van het ontslag van ambtswege wordt opgelegd; Gelet op het arrest nr. 152.207 van 5 december 2005 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing wordt verworpen; Gelet op de kennisgeving van dit arrest aan de verzoekende partij op 12 december 2005; Gelet op het verzoek tot voortzetting van 12 januari 2006; Gelet op de kennisgeving aan de verzoekende partij, op grond van artikel 15ter, § 1, van het koninklijk besluit van 5 december 1991 tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State, dat de kamer de afstand van geding zal uitspreken, tenzij de verzoekende partij binnen een termijn van vijftien dagen vraagt om te worden gehoord; Gelet op het schrijven van de verzoekende partij van 6 februari 2006, waarbij zij vraagt om te worden gehoord; IX-4934-1/3 Gelet op de beschikking van 14 maart 2006, houdende oproeping van de partijen om te verschijnen op 24 april 2006; Gehoord het verslag van staatsraad A. VANDENDRIESSCHE; Gehoord de opmerkingen van advocaat I. EXELMANS, die verschijnt voor de verzoekende partij, en van advocaat C. DE WOLF die, loco advocaat P. VAN DER STRATEN verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het behalve wat de kosten betreft eensluidend advies van auditeur H. COLIN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat naar luid van artikel 17, § 4ter, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, ten aanzien van de verzoekende partij een vermoeden van afstand van geding geldt wanneer zij, nadat de vordering tot schorsing van een akte of een reglement is afgewezen, geen verzoek tot voortzetting van de rechtspleging indient binnen een termijn van dertig dagen die ingaat met de kennisgeving van het arrest; dat in het onderhavige geval, blijkens de ondertekening van het bericht van ontvangst, de raadsvrouw van verzoeker, bij wie woonplaats gekozen was, het arrest waarbij de vordering tot schorsing afgewezen werd, op 12 december 2005 ontvangen heeft; dat de termijn waarbinnen verzoeker de voortzetting van de procedure kon vragen verstreek op woensdag 11 januari 2006; dat de raadsvrouw van verzoeker de vraag tot voortzetting op 12 januari 2006 aangetekend ter post verzonden heeft; dat de vraag tot voortzetting derhalve laattijdig ingediend is en er reden is om ten aanzien van verzoeker toepassing te maken van het onweerlegbaar vermoeden van afstand van geding; Overwegende dat de raadsvrouw van verzoeker ter terechtzitting vraagt dat het verzoek tot voortzetting toch als regelmatig ingediend beschouwd zou worden omdat er sprake is van een onoverkomelijke dwaling, doordat de brief die de Raad van State haar heeft laten geworden en die zij op 12 december 2005 ontvangen heeft, als datum van opmaak 13 december 2005 vermeldt en haar cliënt, niet wetende wanneer de zending van de Raad van State bij haar was ingekomen, met die datum rekening gehouden heeft toen hij bij zijn syndicale organisatie advies inwon en de termijn berekende waarbinnen hij de procedure moest voortzetten; IX-4934-2/3 Overwegende dat, zelfs indien verzoeker wegens de vermelding van een verkeerde datum op de brief van de Raad van State in de waan geweest kan zijn dat hij de mogelijkheid had om tot 12 januari 2006 om de voortzetting van de procedure te vragen en dit in zijnen hoofde als een onoverwinnelijke dwaling beschouwd zou kunnen worden, zijn raadsvrouw bij wie hij woonplaats gekozen heeft en die de zending van de Raad van State voor ontvangst afgetekend heeft, niet naar die dwaling kan verwijzen om te verantwoorden waarom zij zelf de vraag tot voorzetting laattijdig ingediend heeft, BESLUIT: Artikel
- De afstand van het geding wordt vastgesteld. Artikel
- De kosten van de vordering tot schorsing en van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 350 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op acht mei 2000 en zes, door : de HH. A. VANDENDRIESSDCHE, staatsraad, wnd. kamervoorzitter, W. GEURTS, griffier. De griffier, De voorzitter, W. GEURTS. A. VANDENDRIESSCHE. IX-4934-3/3 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.158.428 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.150.289 ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.152.207 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.