← België

Arrest 158429 - - 08/05/2006

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 08 mei 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.158.429 Rolnummer: A. 65661/IX-1414 Zaak: Arrest 158429 - - 08/05/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-05-16 Raadplegingen: 56 - laatst gezien 2026-06-30 18:46 Fiche Arrest nr 158.429 van 8 mei 2006 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 158.429 van 8 mei 2006 in de zaak A. 65.661/IX-

  1. In zake : Roger DEBRIE, wonend te WIJGMAAL, Rotselaarsesteenweg 104 tegen : Belgacom. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Roger DEBRIE op 21 september 1995 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van de beslissing van onbekende datum van de directie van Belgacom, waarbij hem de beoordeling “onvoldoende” wordt toegekend; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd W. VAN NOTEN; Gelet op de beschikking van 1 oktober 1998 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memorie van verzoeker; Gelet op de beschikking van 10 februari 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 24 april 2006; Gehoord het verslag van staatsraad L. HELLIN; IX-1414-1/8 Gehoord de opmerkingen van verzoeker, van advocaat I. MARTENS, die verschijnt voor verzoeker, en van advocaat T. VAN DE GEHUCHTE, die loco advocaat L. DE SCHRIJVER verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd W. VAN NOTEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  2. Over de gegevens van de zaak. Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
  3. Verzoeker is gekwalificeerd werkman (lasser-installateur) bij de dienst aansluitingen. 1.
  4. Tijdens de maanden juni tot augustus 1994 ontvangt Belgacom een aantal schriftelijke klachten van klanten over de wijze waarop verzoeker zijn taak vervult. 1.
  5. Uit het onderzoek van de klachten blijkt dat verzoeker een "allesbehalve klantvriendelijke houding" aanneemt. Op 2 september 1994 besluit zijn sectiechef in een evaluatieverslag : "betrokkene kan vanaf heden niet meer ingezet worden in een functie waarbij hij in rechtstreeks contact komt met de klant. Bovendien zou ik voorstellen, naast een strafmaatregel, aan de betrokkene ook een onvoldoende te geven". 1.
  6. Op 8 december 1994 bevestigt het gewesthoofd van het gewest Mechelen dat aan verzoeker de beoordeling "onvoldoende" moet worden toegekend. 1.
  7. Op 13 maart 1995 beslist de inspecteur-adviseur-generaal dat aan verzoeker met ingang van 7 oktober 1994 de beoordeling "onvoldoende" wordt toegekend. De beslissing is als volgt gemotiveerd : IX-1414-2/8 "- Schriftelijke klacht van een klant waarvoor de heer Debrie op 30 mei 1994 te Wespelaar een telefoonlijn heeft aangesloten. De betrokken klant beklaagt zich over de werkwijze waarop deze aansluiting plaatsvond. Ons personeelslid weigerde een werkput te maken en dreigde de straat open te breken om de aansluitingskabel te kunnen bereiken. Dit was echter niet nodig aangezien de telefoonkabel ook bereikbaar was vanuit een in het voetpad te graven put. De werkput werd niet door de heer Debrie zelf gegraven maar door een buurman van de klant, terwijl ons personeelslid een middagpauze nam van 12u00 tot 13u
  8. Uiteindelijk legde de heer Debrie een kabel vanaf de centrale leiding tot in de kelder van de klant. De kabel vanuit de kelder tot in de woonkamer werd door de klant zelf gelegd. Na zijn werkzaamheden heeft de heer Debrie verzuimd de werkput weer dicht te maken. Ingevolge dit alles weigerde de klant de aansluitingskosten te betalen. Na grondig onderzoek bleek de klacht gegrond en werd vastgesteld dat het imago van BELGACOM werd geschaad. - Daarna werden nog verschillende klachten ontvangen van klanten met betrekking tot de allesbehalve klantvriendelijke houding van ons personeelslid, w.o. het niet vakkundig uitvoeren van een kabelbeschadiging op 16 augustus 1994 te Linden en een andere klacht van een klant te Kampenhout bij wie op 19 augustus 1994 onnodige graafwerken werden voorgesteld. - Op 25 augustus 1994 werd het herstel aan een beschadigde kabel te Sint- Pieters-Rode niet goed uitgevoerd. - Op 31 augustus 1994 werd vastgesteld dat er bij het maken van een aansluiting te Lubbeek een bestaande klant buiten dienst werd gesteld. - De heer Debrie kan niet meer worden ingezet in een functie waarbij hij in rechtstreeks contact komt met een klant. - Bovendien wordt de dagtaak regelmatig laattijdig aangevangen." 1.
  9. Verzoeker stelt beroep in bij de raad van beroep. 1.
  10. Op 15 mei 1995 oordeelt de raad van beroep met acht stemmen tegen vier "dat de toekenning van het signalement ‘onvoldoende’ in onderhavige zaak zich niet opdringt". De beslissing is als volgt gemotiveerd : "Overwegende dat er bij de ten laste van verzoeker aangehaalde feiten herhaaldelijk gesteund wordt op en verwezen wordt naar vermoedens zonder hieromtrent een daadwerkelijke bewijsvoering aan te brengen; Overwegende dat het ter zake samengestelde dossier op een eerder oppervlakkige wijze samengesteld werd en de tenlasteleggingen aantoont; Overwegende dat aan de heer Debrie R. reeds op 11 oktober 1994 een berisping werd opgelegd voor de thans voorliggende feiten". 1.
  11. Op 24 juli 1995 beslist het bevoegde lid van het directiecomité dat aan verzoeker de beoordeling "onvoldoende" wordt toegekend. Dit is de bestreden beslissing, die luidt als volgt : "Overwegende dat ten aanzien van de heer Debrie R.M.J., gekwalificeerd werkman, het signalement ‘onvoldoende’ werd toegekend door het Gewest Mechelen in toepassing van artikel 165, §3, 10/ van het administratief perso- neelsstatuut; IX-1414-3/8 Overwegende dat de heer Debrie R.M.J. beroep heeft ingesteld tegen het op 7 oktober 1994 toegekende signalement ‘onvoldoende’; Overwegende dat de Raad van Beroep in zitting van 15 mei 1995 met 8 stemmen tegen 4 een gunstig advies heeft uitgebracht voor de verzoeker en de mening is toegedaan dat de toekenning van het signalement ‘onvoldoende’ zich niet opdringt; Overwegende dat de toekenning van het signalement ‘onvoldoende’ gesteund wordt op het feit dat betrokkene op een ontoereikende wijze zijn taken van lasser bij de dienst ‘aansluitingen’ volbrengt wat reeds veelvuldige klachten van klanten heeft teweeggebracht; Overwegende dat de heer Debrie R.M.J. door zijn allesbehalve klantvriendelijke optreden en het niet vakkundig en slordig uitoefenen van zijn taken het imago van BELGACOM heeft geschaad; Overwegende dat hij door zijn negatieve houding niet meer in contact kan komen met de kliënteel; Rekening houdend met alle voormelde elementen wordt hem het signalement ‘onvoldoende’ toegekend.” Deze beslissing wordt op 21 augustus 1995 aan verzoeker ter kennis gebracht.
  12. Over de gegrondheid. 2.1.
  13. Overwegende dat verzoeker in een eerste middel aanvoert dat de bestreden beslissing in strijd is met het advies van de raad van beroep aangezien die oordeelt dat de ten laste gelegde feiten steunen op vermoedens zonder dat er daadwerkelijke bewijzen werden aangebracht; dat volgens hem de bestreden beslissing zich tot de opsomming van een aantal feiten beperkt, zonder dat blijkt waarom van het advies van de raad van beroep werd afgeweken; 2.1.
  14. Overwegende dat de verwerende partij in haar memorie van antwoord aanvoert dat de bestreden beslissing op afdoende wijze motiveert waarom zij het advies van de raad van beroep niet volgt en dit niet op basis van vermoedens is, zoals verzoeker beweert, maar wel op basis van elementen die duidelijk door het administratief dossier gestaafd worden; 2.1.
  15. Overwegende dat verzoeker in zijn memorie van wederantwoord repliceert dat met het advies van de raad van beroep geen rekening werd gehouden en dat de gemachtigde zich beperkt tot het opsommen van de ten laste gelegde feiten, maar die feiten niet afdoende gestaafd worden door bewijsstukken; 2.1.
  16. Overwegende dat verzoeker in zijn laatste memorie aanvoert dat de loutere verwijzing naar de stukken onvoldoende is aangezien de raad van beroep IX-1414-4/8 verzoeker gehoord heeft in zijn verdediging en zo de stukken interpreteert en in de juiste context plaatst; dat verzoeker voorts betoogt dat indien de overheid oordeelt dat het advies van de raad van beroep onbegrijpelijk is, zij dit in de bestreden beslissing moet verduidelijken; 2.1.
  17. Overwegende dat uit de motieven van de beoordeling van 13 maart 1995 blijkt dat verzoeker de beoordeling “onvoldoende” krijgt omdat hij op ontoereikende wijze zijn taken van lasser volbrengt, omdat hij door zijn allesbehalve klantvriendelijk optreden en het niet vakkundig en slordig uitoefenen van zijn taken het imago van Belgacom heeft geschaad en omdat hij door zijn negatieve houding niet meer in contact kan komen met de klanten; dat uit de bestreden beslissing op afdoende wijze blijkt dat het bevoegde lid van het directiecomité oordeelt dat de aan verzoeker verweten tekortkomingen, die nauwkeurig en gedetailleerd zijn uiteengezet in de beslissing van de inspecteur-adviseur-generaal van 13 maart 1995, bewezen zijn; dat de bestreden beslissing op voldoende duidelijke wijze aangeeft waarom zij van het advies van de raad van beroep afwijkt; dat wat verzoekers bewering betreft dat de hem ten laste gelegde feiten niet door bewijsstukken gestaafd zijn, wordt vastgesteld dat het dossier een aantal schriftelijke klachten van klanten bevat, dat een onderzoek werd gevoerd waaruit blijkt dat die klachten gegrond zijn, dat het laattijdig aanvangen van de dagtaak met de tachometer werd vastgesteld, dat verzoeker tijdens de periode van 1 juli 1994 tot 31 augustus 1994 bijkomend werd geobserveerd en dat zijn hiërarchische overste hierover een gedetailleerd evaluatie- verslag heeft opgesteld; dat het bijgevolg onduidelijk is waarom de raad van beroep van mening is dat de ten laste gelegde feiten berusten op “vermoedens zonder hieromtrent een daadwerkelijke bewijsvoering aan te brengen”; dat de bestreden beslissing tenslotte niet steunt louter op stukken doch voornamelijk op het feit dat hij op ontoereikende wijze zijn taken van lasser uitvoert; dat het middel ongegrond is; 2.2.
  18. Overwegende dat verzoeker in een tweede middel aanvoert dat de bestreden beslissing het redelijkheidsbeginsel schendt aangezien de beoordeling "onvoldoende" niet in verhouding staat tot de feiten die hem ten laste worden gelegd, voornamelijk omdat die niet bewezen zijn; dat hij voorts betoogt dat de overheid nagelaten heeft de ernst van de feiten te onderzoeken en dat zelfs indien de feiten gedeeltelijk bewezen zouden zijn, de evaluatie "onvoldoende" niet gerechtvaardigd is; dat hij desbetreffend verwijst naar een voorstel van evaluatie van zijn onmiddellijke chef van 28 januari 1994 dat stelt dat "hoewel dit niet direct een zeer goede evaluatie IX-1414-5/8 is, (deze) ook niet mag beschouwd worden als een die de onvoldoende wettigt "; dat volgens verzoeker er een onevenredigheid bestaat tussen de beoordeling en de feiten; 2.2.
  19. Overwegende dat de verwerende partij in haar memorie van antwoord aanvoert dat de feiten die leiden tot de bestreden beoordeling "onvoldoende" dateren van de periode juni 1994 tot eind augustus 1994 en een negatiever beeld vormen dan het voorstel van evaluatie van 28 januari 1994, een voorstel dat, zoals verzoeker zelf toegeeft, niet onverdeeld gunstig was; dat zij voorts betoogt dat die feiten duidelijk uit de stavingsstukken van het dossier blijken en er een redelijkerwijs aanvaardbare motivering voorhanden is om de bestreden beslissing tot toekenning van het signalement "onvoldoende" te rechtvaardigen; 2.2.
  20. Overwegende dat verzoeker in zijn memorie van wederantwoord repliceert dat het "zeer vreemd (is) dat een beoordeling wordt gegeven op basis van een periode van minder dan drie maand, daar waar met de eerdere periode, met een niet-ongunstige beoordeling geen rekening werd gehouden"; 2.2.
  21. Overwegende dat verzoeker in zijn laatste memorie aanvoert dat het voorstel van evaluatie van de onmiddellijke chef ongedaan werd gemaakt door een latere, in de tijd zeer beperkte beoordeling; dat volgens verzoeker door die onmiddellijke chef een opvolging van het prestatiepeil en -vermogen had moeten plaatsvinden, wat te dezen niet gebeurde; dat er tenslotte geen afweging is gemaakt van de positieve en negatieve punten in hoofde van verzoeker; 2.2.
  22. Overwegende dat volgens verzoeker in essentie de feiten niet op afdoende wijze bewezen zijn en voor zover zij toch als bewezen kunnen worden beschouwd, de evaluatie "onvoldoende" niet rechtvaardigen; Overwegende dat de Raad van State niet de ware toedracht van de feiten vaststelt, maar enkel onderzoekt of de overheid in redelijkheid tot de door haar gedane vaststelling van de feiten is kunnen komen en of er in het dossier geen gegevens voorhanden zijn welke met die vaststelling onverenigbaar zijn; dat uit de bespreking van het eerste middel volgt dat het dossier een aantal bewijsstukken bevat, waaruit de bevoegde overheid redelijkerwijze afleidt dat verzoeker zijn taken op een ontoereikende wijze uitoefent, dat hij door zijn klantonvriendelijk optreden en het niet vakkundig en slordig uitvoeren van zijn taken het imago van Belgacom heeft geschaad en dat hij een negatieve houding aanneemt waardoor hij niet meer in IX-1414-6/8 contact kan komen met de klanten; dat opdat van een schending van het even- redigheidsbeginsel sprake zou kunnen zijn alleen een kennelijk onredelijke evaluatie, meer bepaald een evaluatie die buiten elke redelijke verhouding staat tot de feiten, moet worden aangetoond; dat artikel 165, § 3, van het administratief personeelssta- tuut van Belgacom bepaalt dat de beoordeling wordt geregeld door volgende principes : "1/ de statutaire personeelsleden worden beoordeeld met de meldingen ‘goed’ en ‘onvoldoende’; 2/ de vermelding ‘goed’ karakteriseert het statutair personeelslid dat een goede beroepsopleiding bezit, zijn verplichtingen nakomt tot algehele voldoening van zijn chefs, blijk geeft van ijver en met zorg en nauwgezetheid werkt; 3/ de vermelding ‘onvoldoende’ karakteriseert het statutair personeelslid dat in onvoldoende mate de kwaliteiten bezit om als ‘goed’ te worden gesignaleerd;” dat verzoeker aanvoert dat zijn onmiddellijke chef op 28 januari 1994 een "niet- ongunstig" voorstel van evaluatie heeft gedaan en de ten laste gelegde feiten slechts tussen juni 1994 en eind augustus 1994 plaatsvonden; dat het voorstel van evaluatie van 28 januari 1994 als volgt luidt : "R. Debrie staat steeds onmiddellijk ter beschikking om een opdracht uit te voeren. Hij evolueert naar het bereiken van een goede beroepsbekwaamheid, hoewel het resultaat soms nog niet helemaal het beoogde doel bereikt. Ook zorg en ijver kan nog enigszins ten gunste vorderen"; dat zoals uit de motivering van de bestreden beslissing blijkt, de door verzoekers onmiddellijke chef in het vooruitzicht gestelde gunstige evolutie zich blijkbaar niet heeft voorgedaan; dat de bevoegde overheid bijgevolg in redelijkheid vermocht te oordelen dat verzoeker in onvoldoende mate de door voornoemd artikel 165, § 3, 2/, vermelde kwaliteiten bezit en hem de beoordeling "onvoldoende" toekent; dat het middel niet gegrond is, BESLUIT: Artikel
  23. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  24. IX-1414-7/8 De kosten van het beroep, bepaald op 99,16 euro, komen ten laste van verzoeker. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op acht mei 2000 en zes, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. J. DE BRABANDERE, voorzitter van de Raad van State, L. HELLIN, staatsraad, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, Mevr. V. WAUTERS, griffier. De griffier, De voorzitter, V. WAUTERS. J. DE BRABANDERE. IX-1414-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.158.429 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.