← België

Arrest 158430 - - 08/05/2006

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 08 mei 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.158.430 Rolnummer: A. 92844/IX-2435 Zaak: Arrest 158430 - - 08/05/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-05-18 Raadplegingen: 54 - laatst gezien 2026-06-30 18:46 Fiche Arrest nr 158.430 van 8 mei 2006 - Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 158.430 van 8 mei 2006 in de zaak A. 92.844/IX-

  1. In zake : Jozef DE CLERCQ, die woonplaats kiest bij advocaat J. GHYSELS, kantoor houdende te BRUSSEL, Terhulpsesteenweg 187 tegen : de Vlaamse Milieumaatschappij (V.M.M.). --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Jozef DE CLERCQ op 20 juni 2000 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van de beslissing van 19 april 2000 van de directieraad van de Vlaamse Milieumaatschappij waarbij hem definitief de evaluatie “onvoldoende” wordt toegekend; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd W. VAN NOTEN; Gelet op de beschikking van 28 september 2001 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories; Gelet op de beschikking van 6 februari 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 24 april 2006; Gehoord het verslag van staatsraad L. HELLIN; IX-2435-1/5 Gehoord de opmerkingen van advocaat J. GHYSELS, die verschijnt voor verzoeker, en van advocaat K. HULPIAU, die loco advocaat R. LECOUTRE verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd W. VAN NOTEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  2. Over de gegevens van de zaak. Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
  3. Verzoeker is vastbenoemd ambtenaar met de graad van adjunct van de directeur (rang Al) bij de Vlaamse Milieumaatschappij (hierna : VMM). Hij oefent de functie uit van dossierbeheerder bij de afdeling Planning. 1.
  4. Op 28 februari 2000 wordt met verzoeker een evaluatiegesprek gevoerd. Het evaluatieverslag besluit met de einduitspraak “onvoldoende” . 1.
  5. Op 21 maart 2000 stelt verzoeker beroep in bij de raad van beroep. 1.
  6. In zijn advies van 6 april 2000 adviseert de raad van beroep dat de evaluatie “onvoldoende” niet gegrond is. 1.
  7. Op 19 april 2000 beslist de directieraad van de VMM aan verzoeker definitief de evaluatie “onvoldoende” toe te kennen.
  8. Over de gegrondheid van de vordering. 2.
  9. Overwegende dat verzoeker in een derde middel de schending aanvoert van artikel VIII.16 , van het besluit van de Vlaamse regering van 12 juni 1995 houdende organisatie van de Vlaamse Milieumaatschappij en de regeling van de rechtspositie van het personeel “en de toelichting zoals gewijzigd door het besluit van de Vlaamse regering dd. 9 juni 1998 (artikelen 8 t/m 19) en genomen uit de IX-2435-2/5 schending van beginselen van behoorlijk bestuur en onder meer schending van de zorgvuldigheidsplicht, het redelijkheidsbeginsel en het rechtszekerheidsbeginsel”, doordat uit de bestreden beslissing blijkt dat de planning niet werd gefinaliseerd ten laatste op 15 maart 1999 doch slechts heeft plaatsgehad op 23 maart 1999 en dat de planning pas op 29 maart 1999 aan verzoeker voor ontvangst, kennisneming en goedkeuring werd overgemaakt, terwijl de evaluatie over het afgelopen evaluatiejaar plaats heeft in januari en februari van het volgende jaar; dat het beschrijvend evaluatieverslag uiterlijk op 15 maart 1999 aan de geëvalueerde dient te worden toegestuurd en de planning, voor het nieuwe evaluatiejaar eveneens op dat tijdstip dient te worden gefinaliseerd; 2.
  10. Overwegende dat de verwerende partij antwoordt dat verzoeker “steeds duidelijk en volledig in kennis werd gesteld van de uit te voeren opdrachten en de concrete verwachtingen ten aanzien van de resultaten en het functioneren inzonderheid ook voor de periode voorafgaand aan 29 maart 1999”; dat bovendien zowel de functie als de resultaatgerichte doelstellingen en activiteitsgebieden dezelfde gebleven zijn en de door verzoeker uitgeoefende functie niet veranderd is tegenover de voorgaande jaren; dat verzoeker dan ook geen nadeel heeft ondergaan door de lichte overschrijding van de planningstermijn; 2.
  11. Overwegende dat verzoeker in zijn memorie van wederantwoord repliceert dat er, wat de resultaatgerichte doelstellingen betreft, jaar op jaar opmerkelijke verschillen zijn en het derhalve van groot belang is dat verzoeker tijdig weet heeft van de inhoud van zijn taken en van de termijnen waarbinnen deze moeten worden uitgevoerd; 2.
  12. Overwegende dat de verwerende partij in haar laatste memorie uitdrukkelijk verwijst naar een nota van 15 maart 1999 gericht aan verzoeker waaruit moet blijken dat hij “flagrante fouten heeft begaan binnen zijn hoofdactiviteit, zijnde de actualisatie van de bekkenbundels” en dat dit reeds werd vastgesteld in het derde kwartaal van 1998; dat verzoeker sedert 1997 deze taak kende en uitvoerde, zodat hij sinds begin januari 1999 volledig op de hoogte was van de doelstellingen actualisatie bekkenbundels 1999; dat hij “door de ondertekening van het plannings- document op 29 maart 2001 geen enkel nadeel heeft ondergaan om deze taken binnen de gestelde timings uit te voeren”; IX-2435-3/5 Overwegende dat artikel VIII. 16, § 1, van het besluit van 12 juni 1995 van de Vlaamse regering houdende organisatie van de VMM en de rechtspositie van het personeel als volgt luidt : “§
  13. De evaluatie over het afgelopen evaluatiejaar heeft plaats in januari en februari van het volgende jaar. Het beschrijvend evaluatieverslag dient uiterlijk op 15 maart aan de geëvalueerde te worden toegestuurd. De planning voor het nieuwe evaluatiejaar dient eveneens op dat tijdstip te zijn gefinaliseerd”; dat de datum van 15 maart voor het “finaliseren” van de planning niet op straf van nietigheid is voorgeschreven; dat bijgevolg een overschrijding van deze termijn slechts tot vernietiging van de evaluatie aanleiding kan geven, indien uit de gegevens van de zaak blijkt dat de betrokken ambtenaar hierdoor benadeeld werd; dat daarbij ook rekening moet worden gehouden met artikel VIII. 8, § 1, 1/, van het voormeld besluit van 12 juni 1995 dat de functioneringsevaluatie omschrijft als “het beoordelen van het functioneren van de functiehouder in de huidige functie ten opzichte van vooraf bepaalde verwachtingen”; dat in deze het planningsdocument pas op 29 maart 1999 aan verzoeker is medegedeeld; dat dit document wat de resultaatgerichte doel- stellingen betreft onder meer vermeldt : “
  14. Actualisatie van de ‘bekkenbundels* 2 maal per jaar a) Tegen eind februari zijn alle bundels met de stand van zaken van de investeringsprogramma*s Aquafin per bekken geactualiseerd met de gegevens actueel tot 31/12/
  15. b) Tegen eind september zijn alle bundels met de stand van zaken van de investeringsprogramma*s Aquafin per bekken geactualiseerd met de gegevens actueel tot 30/06/
  16. Tegen 15/03/99 wordt het overzicht van de gerealiseerde en geplande investeringen aan de kustzone geactualiseerd.
  17. Tegen 15/04/99 wordt de bijdrage voor het jaarverslag aangeleverd (beperkt tot het gedeelte van het DVP Bovengemeentelijke Zuiveringsin- frastructuur). (...)“ ; dat de beslissing van de directieraad om aan verzoeker definitief de evaluatie “onvoldoende” toe te kennen, onder meer steunt op de vaststelling “dat de geëvalueerde ernstige fouten heeft gemaakt in het kader van de resultaatgerichte doelstelling ‘actualisatie van de bekkenbundels*, waarvoor hem op 15 maart 1999 een persoonlijke nota werd gericht” en dat de resultaatgerichte doelstelling “nota met betrekking tot investeringen aan de kust” pas werd gerealiseerd “na een sterke begeleiding en bijsturing die niet vereist zou zijn indien betrokkene zou functioneren als kan worden verwacht van een ambtenaar van niveau A”; dat de evaluatie van verzoeker derhalve gedeeltelijk blijkt te steunen op een beoordeling van het functioneren van verzoeker ten opzichte van doelstellingen die hem niet tijdig als een IX-2435-4/5 met het oog op zijn evaluatie opgemaakte planning waren medegedeeld; dat de verwerende partij weliswaar argumenteert dat verzoeker steeds duidelijk en volledig in kennis werd gesteld van de uit te voeren opdrachten en de concrete verwachtingen ten aanzien van de resultaten en het functioneren, doch dat die bewering geen afbreuk doet aan de vaststelling dat de planning op grond waarvan verzoeker ongunstig werd geëvalueerd niet vooraf aan verzoeker was medegedeeld; dat zulks ook niets afdoet aan een omstandigheid dat verzoeker in het verleden reeds dergelijke planning heeft moeten uitvoeren; dat hierover anders oordelen alle zin aan de geschonden bepaling zou ontnemen en feitelijk overbodig zou maken; dat het middel gegrond is, BESLUIT: Artikel
  18. Vernietigd wordt de beslissing van 19 april 2000 van de directieraad van de Vlaamse Milieumaatschappij waarbij Jozef DE CLERCQ definitief de evaluatie “onvoldoende” wordt toegekend. Artikel
  19. De kosten van het beroep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van de verwerende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op acht mei 2000 en zes, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. J. DE BRABANDERE, voorzitter van de Raad van State, L. HELLIN, staatsraad, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, Mevr. V. WAUTERS, griffier. De griffier, De voorzitter, V. WAUTERS. J. DE BRABANDERE. IX-2435-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.158.430 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.