id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 08 mei 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.158.431 Rolnummer: A. 99586/IX-2696 Zaak: Arrest 158431 - - 08/05/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-05-18 Raadplegingen: 63 - laatst gezien 2026-06-30 18:47 Fiche Arrest nr 158.431 van 8 mei 2006 - Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 158.431 van 8 mei 2006 in de zaak A. 99.586/IX-
- In zake : Zahra IBNOUZAHIR, wonende te LEUVEN, Rondestraat 49 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Justitie, die woonplaats kiest bij advocaten D. D’HOOGHE en I. VOS, kantoor houdende te BRUSSEL, Henri Wafelaertsstraat 47-
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Zahra IBNOUZAHIR op 21 december 2000 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit genomen op 26 oktober 2000 waarbij de minister van Justitie het verzoek om haar naam te wijzigen in "NIJENHOF" weigert aan de Koning voor te leggen; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur W. WEYMEERSCH; Gelet op de beschikking van 9 juni 2005 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memories van de verwerende partij; IX-2696-1/13 Gelet op de beschikking van 16 maart 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 24 april 2006; Gehoord het verslag van de voorzitter van de Raad van State J. DE BRABANDERE; Gehoord de opmerkingen van verzoekster, en van advocaat L. DE VUYST, die loco advocaten D. D’HOOGHE en I. VOS verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur W. WEYMEERSCH; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Overwegende dat de gegevens van de zaak kunnen worden samengevat als volgt : 1.
- Verzoekster Zahra IBNOUZAHIR is op 18 september 1981 geboren als kind van Hendrina NIJENHOF en Mostafa IBNOUZAHIR. Uit het huwelijk is nog een tweede kind geboren, met name Ghislaine IBNOUZAHIR, op 4 maart
- Tussen de ouders van de verzoekende partij ontstaan echter problemen. Deze geven aanleiding tot een beschikking van de vrederechter van het kanton Jette van 22 mei 1997 waarbij enerzijds een aparte woonplaats wordt bevolen en anderzijds het voorlopig beheer over de toen minderjarige kinderen wordt toevertrouwd aan de moeder van verzoekster. Op 3 juni 1998 vraagt de moeder van de verzoekende partij de echtscheiding aan op grond van artikel 231 van het Burgerlijk Wetboek. Uit de IX-2696-2/13 beschikking van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel van 1 februari 1999 kan het volgende worden afgeleid : - het ouderlijk gezag wordt exclusief toegekend aan de moeder van de verzoekende partij omdat op grond van de dossiers die het voorwerp van het debat uitmaakten kon worden besloten dat op religieus gebied de ouders een tegengestelde opvoeding voorstonden; - de verzoekende partij alsook haar zus verklaren enerzijds ‘gehecht’ te zijn aan hun vader maar anderzijds ook dat er relationele moeilijkheden bestaan ingevolge de religieuze opvattingen van hun vader, zij wijzen ook nog op de afwezigheid van gemeenschappelijke interesses. 1.
- Op 16 februari 1999 dient de moeder van verzoekster namens haar een verzoek tot wijziging van naam in. Daarin staat het volgende te lezen : “De redenen van dit verzoek tot naamsverandering is enerzijds het feit dat haar huidige naam, van noord-afrikaanse origine, door haar als bijzonder belastend wordt ervaren in het maatschappelijk verkeer. Bij haar bestaat eveneens de -uit ervaring gegronde vrees- dat haar huidige naam op afwijzingen en uitsluitingen zal stuiten bij haar toekomstige beroepsactiviteiten. Anderzijds loopt er momenteel een gerechtelijke procedure tot ontbinding van het huwelijk waaruit zij geboren is en dit om reden van veiligstelling van de belangen van de kinderen die uit dit huwelijk zijn voortgekomen. Een vonnis met betrekking tot voorlopige maatregelen gedurende de hangende procedure heeft dan ook de kinderen aan ondergetekende toegewezen. (...)”. 1.
- De vader van verzoekster verklaart op 4 januari 2000 dat hij gekant is tegen het verzoek tot naamsverandering van zijn dochter Zahra. Het ten grondslag liggende motief vindt hij zelfs belachelijk aangezien zij steeds werk heeft kunnen vinden. 1.
- Op 11 mei 2000 schrijft de verwerende partij een brief naar de verzoekende partij waarin het volgende te lezen staat : IX-2696-3/13 “Ik stel vast dat U ondertussen meerderjarig bent, U dient nogmaals de aanvraag van uw moeder te bevestigen. Tevens noteer ik dat U een minderjarige zus heeft. Kan U mij meedelen waarom er voor haar geen naamsverandering werd gevraagd. Het is ongebruikelijk een naamsverandering toe te staan aan één kind, indien ze beiden geboren zijn uit eenzelfde huwelijk en samen een gezin vormen met de moeder. Kan U mij mededelen of U nog contact heeft met uw vader en of hij het onderhoudsgeld regelmatig betaalt of betaalde. Indien de echtscheiding ondertussen afgehandeld is dient U mij een kopie van het eindvonnis der echtscheiding over te maken, evenals een kopie van de overschrijving ervan in de akten van de burgerlijke stand. Indien de echtscheiding nog niet afgehandeld is dient U mij de huidige stand van zaken en eventuele einddatum mede te delen”. 1.
- Verzoekster antwoordt op 26 mei 2000 dat de reden waarom het verzoek tot naamswijziging enkel voor haar werd gedaan en niet voor haar minderjarige zus is dat de moeder haar de gelegenheid wil laten om zelf te beslissen over een eventuele naamswijziging als zij meerderjarig is, teneinde niet onnodig een eventuele wig te drijven tussen haar en haar vader terwijl verzoekster, in het vooruitzicht van haar op handen zijnde meerderjarigheid ten tijde van de indiening van het verzoek, haar moeder uitdrukkelijk heeft verzocht om een aanvraag tot naamswijziging in te dienen. Wat betreft de vraag betreffende contact met haar vader, vermeldt verzoekster dat zowel haar jongere zus als zijzelf een vrij oppervlakkig contact onderhouden met hun vader, bestaande uit het delen van een gezamenlijke maaltijd eens in de 4 à 6 weken. Deze ontmoetingen duren doorgaans anderhalf à twee uur tijdens welke enkel algemeenheden worden uitgewisseld om het risico van onenigheid en kritiek zijnentwege te vermijden. De onderhoudsgelden worden tot op heden regelmatig betaald. Verzoekster verstrekt ook bijkomende uitleg en stukken in verband met de echtscheidingsprocedure bij onderlinge toestemming van haar ouders. 1.
- Op 10 juli 2000 adviseert het Directoraat-generaal Burgerlijke Wetgeving en Erediensten ongunstig. In de nota aan de minister staat te lezen : IX-2696-4/13 “De vader verzet zich. Verzoekster bevestigt dat hij het onderhoudsgeld betaalt en dat er nog contact is. De vader stelt kennelijk belang in zijn kinderen. Er dient m.i. ongunstig advies te worden verleend en dit zolang de verplichting voor de vader om in te staan voor een passende opleiding voor verzoekster niet is uitgedoofd en hij bijgevolg onderhoudsgeld moet betalen. Een nieuwe aanvraag kan ingediend worden wanneer de vader niet meer onderhoudsplichtig is”. 1.
- Op 26 oktober 2000 wordt dan de thans bestreden beslissing genomen. Als weigeringsmotief wordt vermeld : “Na een grondig onderzoek van uw dossier moet ik U tot mijn spijt meedelen dat er in uw geval geen afdoende ernstige motieven in de zin van bovenvermelde wet voorhanden bevonden zijn om aan Z.M. de Koning voor te stellen U toelating te verlenen uw naam te veranderen in die van ‘Nijenhof’, mede in acht genomen het verzet van uw vader, die kennelijk nog belang stelt in U, daar hij onderhoudsgeld betaalt en contact onderhoudt. Het staat U vrij een nieuw onderzoek in te dienen op het moment dat er zich nieuwe elementen in deze zaak voordoen”. 2.
- Overwegende dat de verwerende partij opwerpt dat het beroep niet ontvankelijk is omdat het verzoekschrift geen uiteenzetting van feiten en middelen bevat zoals voorgeschreven door artikel 2, § 1, 2/, van het procedurereglement; dat zij wat dat betreft stelt dat de verzoekende partij geen wetsbepaling of algemeen beginsel van behoorlijk bestuur vermeldt dat door de bestreden beslissing zou zijn geschonden, dat iedere omschrijving van een overtreden rechtsregel en van de wijze waarop die regel door de bestreden rechtshandeling wordt geschonden, ontbreekt en dat zij in wezen de argumenten herhaalt die zij en haar moeder in het kader van de naamswijziging aan de verwerende partij hebben voorgelegd en aldus de facto enkel de in het dossier opgenomen feitelijke gegevens herhaald worden; dat de verwerende partij besluit dat zij haar verdediging dan ook niet op efficiënte wijze kan voeren; 2.
- Overwegende dat de gevraagde naamswijziging werd geweigerd omdat de vader van de verzoekende partij zich verzet en hij kennelijk nog belang stelt in verzoekster, daar hij onderhoudsgeld betaalt en contact onderhoudt; dat verzoekster een aantal redenen aanvoert waaruit blijkt dat zij niet akkoord kan gaan IX-2696-5/13 met dat weigeringsmotief: zij gaat in op het betalen van het onderhoudsgeld alsook op de contacten die er nog zouden zijn; dat verzoekster in essentie dus een schending aanvoert van de materiële motiveringsplicht; dat de verwerende partij dat ook heeft begrepen, aangezien zij meerdere pagina' s besteedt aan een antwoord daarop; dat men niet inziet waarom de omstandigheid dat verzoekster dezelfde argumenten reeds heeft aangevoerd voor de administratie, de Raad van State zou kunnen beletten ervan kennis te nemen; dat de exceptie niet opgaat; 3.1.
- Overwegende dat verzoekster ten gronde aanvoert dat haar vader enkel onderhoudsgeld betaalt omdat hij door een gerechtelijke beslissing daartoe werd verplicht, welke verplichting later is opgenomen in de overeenkomsten op grond waarvan een scheiding met onderlinge toestemming werd uitgesproken; dat die verplichte betaling van onderhoudsgeld het enige is dat haar vader nog doet en hij deze bovendien zonder twijfel direct zal stoppen zodra verzoekster zelfstandig in haar kosten voor levensonderhoud zal kunnen voorzien; dat hij momenteel ook geen enkele andere spontane financiële of materiële bijdrage levert bij buitengewone omstandigheden, speciale gebeurtenissen of verjaardagen; dat wat het nog bestaande contact betreft, verzoekster aanvoert dat dit zich beperkt tot een sporadische gezamenlijk gedeelde maaltijd eens in de vijf à zes weken waarvan de duur doorgaans anderhalf tot twee uur bestrijkt, waarbij harerzijds nauwlettend wordt gewaakt om de conversatie zo oppervlakkig mogelijk te houden teneinde een mogelijke opleving te vermijden van zijn autoritaire en onverzettelijke gedrag, geïnspireerd door een plotselinge beleving van de islamitische godsdienst, dat ten grondslag lag aan jarenlange gerechtelijke procedures die in eerste instantie de verwijdering van verzoeksters vader uit het echtelijk huis teweeg brachten; dat verzoekster hierbij toelicht dat een recht tot persoonlijke betrekkingen aan haar vader werd toegekend, beperkt tot één zaterdagmiddag, om de andere week van 15 uur tot 20 u 30 en uitgezonderd tijdens school- of andere vakanties, doch dat hij van dat recht geen volledig gebruik maakt en daarentegen de uitoefening vrijwillig beperkt tot anderhalf à twee uur eens in de vijf tot zes weken; dat volgens verzoekster hieruit blijkt dat het belang dat de vader in haar stelt nauwelijks van enige betekenis kan worden genoemd; dat, gezien haar leeftijd en gezien de reeds aangehaalde problemen IX-2696-6/13 veroorzaakt door de islamitische levensvisie die haar vader aangenomen heeft, het niet aannemelijk is dat de huidige minieme omgang zal verbeteren doch in tegendeel te verwachten is dat deze omgang nog verder zal verslechteren; dat verzoekster ook aanvoert dat contacten in familieband uitsluitend plaats vinden in de familie NIJENHOF waar verzoekster de enige is die de gezamenlijke familienaam niet kan voeren, zij bovendien haar toekomstige beroepsactiviteiten hetzij in België, hetzij in Nederland wenst uit te voeren en zij er de voorkeur aan geeft zulks onder de familienaam van haar moeder te doen, daar zij haar huidige familienaam, van Noordafrikaanse origine, als bijzonder belastend ervaart en zij de op ervaring gestoelde vrees koestert dat deze kan leiden tot achterstelling of zelfs uitsluiting, in het bijzonder op professioneel vlak; dat verzoekster ten slotte verwijst naar de verklaringen van instemming met de aangevraagde naamswijziging, opgesteld door haar zus, halfbroer en ooms; 3.1.
- Overwegende dat de verwerende partij antwoordt dat de onveranderlijkheid van de familienaam het uitgangspunt blijft en de familienaam een bijzondere bescherming verdient, zodat artikel 3 van de wet houdende de naamsverandering dan ook uitdrukkelijk bepaalt dat de naamsverandering een uitzonderlijke zaak is, en dat deze enkel kan worden toegestaan indien het verzoek op ernstige redenen steunt en de gevraagde naam geen aanleiding geeft tot verwarring en de verzoeker of derden niet kan schaden; dat volgens de verwerende partij met die “ernstige redenen” onder meer bedoeld wordt dat verzoeker een wettig, moreel of materieel belang bij de verandering van de naam moet kunnen laten gelden, dat in toepassing van die bepaling de naamsverandering van de naam van de vader naar de naam van de moeder in het algemeen enkel wordt toegestaan indien duidelijk uit het voorgelegde dossier blijkt dat er tussen de vader en zijn kind geen enkele band is en de vader er ook geen enkele interesse voor betoont, wat ondermeer kan blijken uit het niet uitoefenen van enig omgangsrecht en het niet betalen van de onderhoudsbijdragen voor het kind; dat, mede gelet op dat uitzonderlijk karakter, het de Raad van State niet toekomt zich in de plaats van de regering te stellen bij de beoordeling van de motieven waaronder deze de naamsverandering dan niet toestaat: de naamsverandering is geen recht, maar een gunst die door de Koning kan worden IX-2696-7/13 verleend, waarbij het aan de minister van Justitie behoort om op grond van de nodige inlichtingen en informatie betreffende de persoon van de aanvrager te oordelen of er ernstige redenen voorhanden zijn in de zin van artikel 3 van de wet; dat de verwerende partij stelt dat, zoals uitdrukkelijk aangegeven wordt in de bestreden beslissing, te dezen aan deze besluitvorming een grondig onderzoek vooraf is gegaan, waarbij niet alleen de moeder van de verzoekende partij, maar ook de vader van het kind en familieleden van hen beiden werden gevraagd naar hun standpunt omtrent de gevraagde naamsverandering, terwijl de beoordeling van de minister van Justitie tevens is gebaseerd op de beoordeling van een inlichtingennota waarin onder meer wordt vastgesteld dat de ouders uit elkaar zijn sedert 1997, dat de moeder het exclusieve hoederecht over de kinderen verkreeg en de vader een beperkt bezoekrecht terwijl hij onderhoudsgeld dient te betalen, dat uit het huwelijk nog één dochter werd geboren, waarvoor momenteel geen aanvraag tot naamsverandering is ingediend, dat de vader zich verzet, dat verzoekster bevestigt dat hij het onderhoudsgeld betaalt en dat er nog contact is, dat hij kennelijk belang stelt in zijn kinderen; dat de nota besluit dat er ongunstig advies dient te worden verleend en dit zolang de verplichting voor de vader om in te staan voor een passende opleiding voor verzoekers niet is uitgedoofd en hij bijgevolg onderhoudsgeld moet betalen; dat de verwerende partij daaruit en uit de brief van verzoekster van 26 mei 2000 afleidt dat er tussen vader en dochter tot op heden wel degelijk een band bestaat, zij het dat dit contact beperkt blijft; dat bovendien ook de onderhoudsgelden tot op heden regelmatig betaald werden en tevens blijkt uit de familierechtelijke overeenkomst in het kader van de echtscheiding bij onderlinge toestemming, die overigens pas dateert van 26 mei 2000, dat met betrekking tot de onderhoudsbijdrage voor de kinderen de vader zich er bijkomend toe heeft verbonden om de onderhoudsbijdrage ook te blijven betalen na meerderjarigheid van de kinderen indien zij verder wensen te studeren, terwijl hij zich engageerde voor de betaling van de vervoerskosten van zijn dochters en voor de betaling van de helft van de belangrijke medische kosten; dat ook niet zonder meer voorbij gegaan kan worden aan het feit dat de vader zelf zich fel verzet tegen de naamsverandering; dat de verwerende partij nog betoogt dat zij ook rekening heeft gehouden met het feit dat de zus van de verzoekende partij geen verzoek tot naamswijziging heeft ingediend: in haar brief van 11 mei 2000 aan de IX-2696-8/13 verzoekende partij benadrukte verwerende partij overigens uitdrukkelijk dat het ongebruikelijk is een naamsverandering toe te staan aan één kind, indien ze beiden geboren zijn uit eenzelfde huwelijk en samen een gezin vormen met de moeder; er kan dus niet ontkend worden dat dit mogelijkerwijze tot verwarring zou kunnen leiden en aldus een bijkomend motief kan vormen tot weigering van naamswijziging overeenkomstig artikel 3 van de wet houdende de naamsverandering; dat de verwerende partij besluit dat de bestreden weigeringsbeslissing perfect overeenstemt met de bepalingen van artikel 3 van de wet houdende de naamsverandering in het algemeen en met de administratieve praktijk - volgens welke de naamsverandering van de naam van de vader naar de naam van de moeder in het algemeen enkel wordt toegestaan indien duidelijk uit het voorgelegde dossier blijkt dat er tussen de vader en zijn kind geen enkele band is en de vader ook geen enkele interesse betoont voor zijn kind - in het bijzonder; 3.1.
- Overwegende dat verzoekster repliceert dat de door haar vader gedane uitspraak, als zou zij altijd werk hebben gevonden op geen enkel gegrond feit berust daar zij tot op heden nog steeds volledig dagonderwijs volgt en derhalve nog nooit gewerkt heeft, dat, daar waar zij nu reeds met discriminatie wordt geconfronteerd wegens haar familienaam, zowel op school als daarbuiten, de vrees wordt gevoed dat zij daardoor ook bij de toekomstige uitoefening van beroepsactiviteiten zal stuiten op moeilijkheden en zelfs uitsluiting; dat aangaande de vermeende belangstelling die haar vader voor zijn kinderen zou hebben, welke belangstelling bewezen wordt geacht door de regelmatige betaling van het onderhoudsgeld en de door hem aangegane verbintenis om de vervoerskosten van zijn kinderen te verzekeren, zoals blijkt uit de familierechtelijke overeenkomst die werd opgesteld bij de echtscheiding met onderlinge toestemming van haar ouders, verzoekster allereerst opmerkt dat uiteindelijk tot een procedure van scheiding met onderlinge toestemming werd besloten om enerzijds haar moeder - en indirect dus ook haar zus en haarzelf- verder te vrijwaren van financiële problemen veroorzaakt door het niet of laattijdig betalen door haar vader van door hem, na de op 27 mei 1997 door de vrederechter aan haar ouders verleende toestemming om een afzonderlijk verblijf te houden, gemaakte belastings- en andere schulden en om IX-2696-9/13 anderzijds lang aanslepende gerechtelijke procedures te vermijden; dat de verbintenis tot verzekering van de vervoerskosten van zijn kinderen enkel bestaat uit het indienen van een aanvraag tot verkrijging van vervoersbewijzen bij zijn werkgever, de MIVB, die deze bewijzen gratis ter beschikking stelt voor de echtgenoten en kinderen van haar personeelsleden; dat het minimale bedrag van 5.000 BEF per maand dat verzoekers vader momenteel als onderhoudsgeld betaalt geen voldoende reden vormt om haar toekomstige, uit beroepsactiviteiten verkregen middelen van bestaan in het gevaar te brengen door discriminatoire sancties of uitsluiting uit hoofde van verzoeksters huidige familienaam; dat verzoekster nogmaals betwist dat haar vader belangstelling zou tonen door het onderhouden van contacten: hij heeft zelfs sinds 7 maart 2001, datum van het laatste contact, het hem toegekende omgangsrecht volledig onbenut gelaten; hij heeft sindsdien geen enkele poging tot contact ondernomen noch heeft hij op enigerlei wijze belangstelling laten blijken door te informeren naar verzoeksters wedervaren, naar behaalde schoolresultaten of anderszins; dat verzoekster daaruit concludeert dat de betrokkenheid van haar vader niet verder gaat dan het behartigen van zijn eigen belangen door de regelmatige betaling van het onderhoudsgeld waartoe hij wettelijk verplicht werd om zodoende sancties te vermijden die volgens de wet op hem van toepassing zouden zijn bij het in gebreke blijven van deze betaling; 3.1.
- Overwegende dat de verwerende partij in haar laatste memorie benadrukt dat, in tegenstelling met wat het geval was in de zaak van het arrest nr. 116.821, VAN DEN BERGH e.a., van 10 maart 2003, in casu de weigeringsbeslissing niet alleen verwijst naar het verzet van de vader als dusdanig, doch ook gewezen wordt op het feit dat de vader onderhoudsgeld betaald en er nog contact is tussen vader en dochter, dat tevens rekening gehouden werd met het feit dat voor de andere dochter van het gezin geen aanvraag tot naamsverandering is ingediend, en dat in haar brief van 11 mei 2000 aan de verzoekende partij de verwerende partij overigens benadrukte dat het ongebruikelijk is een naamsverandering toe te staan aan één kind, indien ze beiden geboren zijn uit eenzelfde huwelijk en samen een gezin vormen met de moeder, wat anders tot verwarring zou kunnen leiden en aldus een bijkomend motief kan vormen tot IX-2696-10/13 weigering van naamswijziging overeenkomstig artikel 3 van de wet houdende de naamsverandering niet toe te staan; dat zij ten slotte betoogt dat, zoals blijkt uit het dossier, er een ongunstig advies werd verleend zolang de verplichting voor de vader om onderhoudsgeld te betalen loopt en dat een nieuwe aanvraag kan worden ingediend op het moment dat er zich nieuwe elementen in de zaak voordoen, zoals het feit dat de vader niet meer onderhoudsplichtig is; 3.2.
- Overwegende dat de administratieve verandering van naam wordt geregeld door de artikelen 2 en 3 van de wet van 15 mei 1987 betreffende de namen en voornamen, welke het volgende bepalen : "Art.
- Elke persoon die enigerlei reden heeft om van naam of voornamen te veranderen, kan daartoe aan de Minister van Justitie een met redenen omkleed verzoek richten. Het verzoek wordt ingediend door de betrokkene zelf of door zijn wettelijke vertegenwoordiger. Art.
- De Minister van Justitie kan de voornaamsverandering toestaan indien de gevraagde voornamen geen aanleiding geven tot verwarring en de verzoeker of derden niet kunnen schaden . De Koning kan de naamsverandering uitzonderlijk toestaan indien hij van oordeel is dat het verzoek op ernstige redenen steunt en dat de gevraagde naam geen aanleiding geeft tot verwarring en de verzoeker of derden niet kan schaden."; 3.2.
- Overwegende dat hieruit en uit de parlementaire voorbereiding van de wet van 15 mei 1987 blijkt dat de onveranderlijkheid van de naam de regel moet blijven en de naamsverandering de uitzondering; dat de partijen niet betwisten dat naamsverandering een gunst is; dat de Koning over een discretionaire bevoegdheid beschikt om te oordelen of het verzoek op ernstige redenen steunt, waarbij ook de voorwaarden die de wet stelt vervuld moeten zijn; dat het de Raad van State niet toekomt zich in de plaats van de regering te stellen bij de beoordeling van de motieven waaronder deze de naamsverandering al dan niet toestaat; 3.2.
- Overwegende dat in dezen de weigering gemotiveerd wordt doordat er een verzet is van de vader die kennelijk nog belang stelt in verzoekster en regelmatig onderhoudsgeld betaalt; dat die gegevens door de verwerende partij IX-2696-11/13 klaarblijkelijk als een beleidslijn worden gehanteerd; dat zij bij de besluitvorming wel een belangrijke rol mogen spelen, doch zij telkens concreet afgewogen zullen moeten worden tegen de redenen die voor de naamsverandering werden aangevoerd; dat men anders in feite aan de vader een vetorecht verleent: wanneer de vader zich verzet, zijn wettelijke verplichtingen nakomt en nog belangstelling vertoont, zou een naamsverandering onmogelijk kunnen worden toegestaan; 3.2.
- Overwegende wat de betaling van het onderhoudsgeld betreft, dat verzoekster terecht stelt dat haar vader die onderhoudsgelden enkel betaalt omdat hij daartoe verplicht wordt ingevolge een rechterlijke uitspraak, wat ook de enige financiële bijdrage is die hij levert; dat de verwerende partij echter stelt dat de vader zich er bijkomend toe verbonden heeft de vervoerskosten en de helft van de belangrijke medische kosten te betalen; dat, daargelaten de vaststelling dat de door de verwerende partij gegeven argumenten niet in het bestreden besluit zijn terug te vinden, verzoekster dient te worden gevolgd waar zij stelt, wat bevestigd wordt door de gegevens van het dossier, dat Mostafa IBNOUZAHIR als werknemer bij de MIVB kan beschikken over reistitels, zodat de stelling als zou hij de vervoerskosten van zijn dochters betalen sterk gerelativeerd dient te worden; dat hetzelfde geldt in verband met de medische kosten: de kosten waarvan bepaald wordt dat Mostafa IBNOUZAHIR de helft zou dienen te betalen, betreffen "belangrijke medische kosten" zoals hospitalisatiekosten, kosten voor een chirurgische ingreep, welke hij overigens slechts dient te betalen voor de helft en dan nog voor zover zij niet ten laste worden genomen door een ziekenfonds of een verzekeringsmaatschappij; 3.2.
- Overwegende dat wat het onderhouden van de contacten betreft, verzoeksters bewering als zou de vader het hem door de rechtbank toegekende recht van omgang slechts beperkt en vrij oppervlakkig uitoefenen niet wordt betwist; dat de verwerende partij hieruit afleidt dat er dus wel degelijk contact bestaat tussen de vader en de kinderen; dat zulks juist is doch de handelwijze van de vader van verzoekster niet laat blijken dat hij nog veel belangstelling heeft voor zijn kinderen; dat de bestreden beslissing aan die laatste vraag echter voorbijgaat; dat het middel gegrond is, IX-2696-12/13 BESLUIT: Artikel
- Vernietigd wordt het besluit genomen op 26 oktober 2000 waarbij de minister van Justitie weigert het verzoek om de naam van Zahra IBNOUZAHIR te wijzigen in “NIJENHOF” aan de Koning voor te leggen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van de verwerende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op acht mei 2000 en zes, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. J. DE BRABANDERE, voorzitter van de Raad van State, L. HELLIN, staatsraad, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, Mevr. V. WAUTERS, griffier. De griffier, De voorzitter, V. WAUTERS. J. DE BRABANDERE. IX-2696-13/13 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.158.431 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.