id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 08 mei 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.158.432 Rolnummer: A. 100044/IX-2710 Zaak: Arrest 158432 - - 08/05/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-05-18 Raadplegingen: 55 - laatst gezien 2026-06-30 18:47 Fiche Arrest nr 158.432 van 8 mei 2006 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 158.432 van 8 mei 2006 in de zaak A. 100.044/IX-
- In zake : Daniël VAN DOORSLAER, die woonplaats kiest bij advocaat Ph. LEROY, kantoor houdend te GENT, Coupure 5 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door :
- de minister van Justitie, woonplaats kiest bij advocaten D. D’HOOGHE en E. VAN DE WALLE, kantoor houdende te BRUSSEL, Henri Wafelaertstraat 47 -
- de minister van Binnenlandse Zaken. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Daniël VAN DOORSLAER op 2 februari 2001 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van : - het ministerieel besluit van 1 december 2000 waarbij hem de bevordering door verhoging tot de weddeschaal 1D in een betrekking van gerechtelijk arrondisse- mentscommissaris bij de brigade Brussel wordt geweigerd; - het ministerieel besluit van 1 december 2000 waarbij hem de bevordering door verhoging tot de weddeschaal 1D in een betrekking bij de brigade Antwerpen wordt geweigerd; Gelet op het arrest nr. 95.349 van 14 mei 2001 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit wordt verworpen; Gezien het verzoek tot voortzetting van de rechtspleging ingediend op 22 juni 2001 door verzoeker; IX-2711-1/15 Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur M. LEFEVER; Gelet op de beschikking van 1 april 2003 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memories; Gelet op de beschikking van 24 februari 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 24 april 2006; Gehoord het verslag van de voorzitter van de Raad van State J. DE BRABANDERE; Gehoord de opmerkingen van advocaat I. BOCKSTAELE, die loco advocaat Ph. LEROY verschijnt voor verzoeker, en van advocaat L. DE VUYST, die loco advocaten D. D’HOOGHE en E. VAN DE WALLE verschijnt voor de eerste vertegenwoordiger van de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd M. LEFEVER; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Over de gegevens van de zaak. Overwegende dat de gegevens van de zaak kunnen worden samengevat als volgt : 1.
- Krachtens een dienstnota van 20 juni 2000 worden bij de gerechtelijke politie 57 betrekkingen van gerechtelijk afdelingscommissaris 1D vacant verklaard, onder meer bij de brigades van Brussel en Antwerpen. IX-2711-2/15 1.
- Verzoeker kandideert op 6 juli 2000 voor een betrekking van gerechtelijk afdelingscommissaris 1D bij de brigades van Brussel en Antwerpen. 1.
- Overeenkomstig artikel 30 van het koninklijk besluit van 19 december 1997 houdende de administratieve rechtspositie en de bezoldigingsrege- ling van de personeelsleden van de gerechtelijke politie bij de parketten, wordt het advies gevraagd van de procureur des Konings te Antwerpen en van de procureur des Konings te Brussel. 1.3.
- Op 24 juli 2000 brengt de procureur des Konings te Antwerpen een ongunstig advies uit over verzoekers aanvraag met de mogelijkheid te herevalueren na één jaar. Het luidt als volgt : “De heer VAN DOORSLAER beschikt duidelijk over een aantal kwaliteiten. Hij is schrander, zeker taalvaardig en heeft zich tijdens zijn loopbaan permanent bijgeschoold. Zo volgde hij ondermeer een dure opleiding aan de Vlerick School voor Management. Spijtig genoeg dient vastgesteld dat hij sinds zijn terugkeer in de brigade Antwerpen per 1 december 1998 (nadat vroegtijdig een einde werd gesteld aan zijn detachering bij het commissariaat-generaal) niet heeft gefunctioneerd. Bij zijn terugkeer op 1 december verkondigde hij ten overstaan van iedereen die het wilde horen ‘ik ben niet van plan hier nog te werken en ik zal ook niet werken’. Hij gaf openlijk blijk van desinteresse. Hij zocht onmiddellijk conflicten met de personeelsleden die een verklaring hadden afgelegd in het strafonderzoek lastens hem. Op datum van 21 mei 1999 werd hij door de correctionele rechtbank (kamer 8C) schuldig bevonden als openbaar officier aan valsheid in handels-, bank- of private geschriften en gebruik, maar de uitspraak van de veroordeling is opgeschort gedurende 3 jaar. Thans lijkt er een kentering tot stand gekomen in de houding van de heer VAN DOORSLAER. Door hem werd de bereidheid uitgedrukt om wel degelijk binnen de brigade te functioneren en mede te werken. Mogelijk kan in de toekomst vastgesteld worden dat de door hem uitgesproken houding ook in daden kan geëvalueerd worden. De kandidaat zal zich wat dat betreft dienen te bewijzen. Mijn ambt adviseert de mogelijkheid tot bevordering opnieuw te evalueren na één jaar”. 1.3.
- Op 21 september 2000 geeft ook de procureur des Konings te Brussel een ongunstig advies. Het luidt als volgt : “Er zijn bij mijn ambt geen ongunstige elementen, gekend met betrekking tot de wijze van dienen van de kandidaat. Toen hij gedetacheerd was bij het commissariaat-generaal ontbrak het betrokkene aan initiatief, motivatie en interesse volgens de commissaris- generaal. Bij vonnis dd. 21 mei 1999 uitgesproken door de correctionele rechtbank te Antwerpen dat kracht van gewijsde heeft werd hij schuldig bevonden aan IX-2711-3/15 valsheid in handels, bank of private geschriften als openbaar officier maar de uitspraak van de veroordeling werd gedurende drie jaar opgeschort. Ik sluit mij aan bij het omstandig advies van de heer procureur des Konings te Antwerpen die adviseert de mogelijkheid tot bevordering opnieuw te evalueren na één jaar”. 1.
- Verzoeker dient tegen deze adviezen een beroep in bij het comité tot regeling van de gerechtelijke politie (hierna : regelingscomité) bij de parketten. 1.
- Op 24 oktober 2000 bekrachtigt het regelingscomité met 5 stemmen tegen 4 de ongunstige adviezen van de procureurs des Konings te Antwerpen en te Brussel. De motivering luidt telkens als volgt : “Overwegende dat het Comité wenst op te merken dat, na beëindiging van zijn detachering bij het commissariaat-generaal van de gerechtelijke politie bij de parketten, hij alleszins een periode doorgemaakt heeft waarin hij zwak presteerde en gedemotiveerd was; dat betrokkene geen gebruik heeft gemaakt van de kansen hem geboden tijdens zijn detachering, met name als verbindingsofficier op te treden op het ministerie van Justitie ofwel als interimdirecteur te fungeren voor de School voor Criminologie en Criminalistiek, noch als medewerker van de Commissaris-generaal zich te gelasten met de integratie van het Hoog Comité van Toezicht; Overwegende dat het Comité de indruk heeft dat hij van zijn detachering misbruik heeft gemaakt om zich te bevoordelen ten aanzien van andere kandidaten door onder meer het volgen van een opleiding management aan de Vlerick School in Gent; Overwegende dat, alhoewel betrokkene als dynamisch medewerker omschreven wordt met een onberispelijke staat van dienst, betrouwbaar en toegewijd aan het korps, de strafprocedure voor de correctionele rechtbank te Antwerpen zijn periodiek disfunctioneren niet alleen kan verklaren; Dat op alle gebied, zowel door de uitspraak van de correctionele rechtbank te Antwerpen op 21 mei 1999 die geleid heeft tot de opschorting van de uitspraak van de veroordeling voor een termijn van 3 jaar, als op tuchtgebied waarbij voor hem een berisping werd opgelegd, rekening gehouden werd met zijn onberispelijke staat van dienst; dat thans twijfels blijven bestaan over de wijze van dienen, zijn rendement en de persoonlijkheid van betrokkene om aanspraak te kunnen maken op deze bevordering door verhoging in weddenschaal;”. 1.
- Verzoeker zou in een brief verstuurd in november 2000 aan de minister van Justitie zijn bezwaren tegen de zienswijze van het regelingscomité hebben doen kennen. 1.
- Bij het eerste bestreden ministerieel besluit van 1 december 2000 weigert de minister van Justitie verzoeker te bevorderen tot de weddeschaal 1D in een betrekking van gerechtelijk afdelingscommissaris te Antwerpen. De motivering luidt als volgt : IX-2711-4/15 “Overwegende dat de Procureur des Konings bij de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen op 24 juli 2000 een gemotiveerd ongunstig advies heeft uitgebracht over de wijze van dienen, het rendement, de beroepsbekwaamheid en de persoonlijkheid van de heer VAN DOORSLAER voor een bevordering tot gerechtelijk afdelingscommissaris met weddenschaal 1D omdat hij : - sinds zijn terugkeer in de brigade Antwerpen op 1 december 1998 ingevolge het voortijdig beëindigen van zijn detachering bij het commissariaat-generaal, niet heeft gefunctioneerd; dat hij onmiddellijk conflicten zocht met de perso- neelsleden van de brigade die een verklaring hadden afgelegd lastens hem; - bij vonnis van de correctionele rechtbank van Antwerpen van 21 mei 1999 schuldig werd bevonden aan de feiten van valsheid in handels-, bank of private geschriften als openbaar ambtenaar; dat de rechtbank hem daarvoor opschorting van de uitspraak van de veroordeling voor een termijn van drie jaar heeft verleend; Overwegende dat de heer VAN DOORSLAER op 2 augustus 2000 kennis heeft genomen van het ongunstig advies van de Procureur des Konings te Antwerpen; Overwegende dat hij op 10 augustus 2000 gevraagd heeft om gehoord te worden door het comité tot regeling van de gerechtelijke politie bij de parketten; Gelet op het advies van 24 oktober 2000 van de Nederlandstalige afdeling van het comité tot regeling van de gerechtelijke politie bij de parketten; Overwegende dat het comité tot regeling van de gerechtelijke politie bij de parketten, met 5 stemmen voor en 4 tegen, het ongunstig advies van de Procureur des Konings te Antwerpen heeft bekrachtigd; Overwegende dat aan de heer VAN DOORSLAER bij beslissing van de Procureur-generaal bij het hof van beroep te Antwerpen van 20 oktober 1999 de tuchtstraf van de berisping werd opgelegd voor de feiten van valsheid in handels-, bank of private geschriften als openbaar ambtenaar; dat het vertrouwen in zijn persoon dermate is geschaad; Overwegende dat de heer VAN DOORSLAER bijgevolg niet voldoet aan de vereisten inzake wijze van dienen, rendement, beroepsbekwaamheid en persoonlijkheid voor bevordering door verhoging in weddenschaal tot weddenschaal 1D en dat hem de bevordering moet worden geweigerd;”. Bij het tweede bestreden ministerieel besluit van 1 december 2000 weigert de minister van Justitie verzoeker te bevorderen tot de weddeschaal 1D in een betrekking van gerechtelijk afdelingscommissaris te Brussel. De motivering luidt als volgt : “Overwegende dat de Procureur des Konings bij de rechtbank van eerste aanleg te Brussel in zijn advies van 21 september 2000 over de wijze van dienen, het rendement, de beroepsbekwaamheid en de persoonlijkheid van de heer VAN DOORSLAER voor een bevordering tot gerechtelijk afdelingscommissaris met weddenschaal 1D, zich aansluit bij het gemotiveerd ongunstig advies van de Procureur des Konings te Antwerpen omdat hij : - tijdens de periode van detachering bij het commissariaat-generaal een gebrek aan initiatief, motivatie en interesse vertoonde; - bij vonnis van de correctionele rechtbank van Antwerpen van 21 mei 1999 schuldig werd bevonden aan de feiten van valsheid in handels-, bank of private geschriften als openbaar ambtenaar; dat de rechtbank hem daarvoor opschorting van de uitspraak van de veroordeling voor een termijn van drie jaar heeft verleend; IX-2711-5/15 Overwegende dat de heer VAN DOORSLAER op 27 september 2000 kennis heeft genomen van het ongunstig advies van de Procureur des Konings te Brussel; Overwegende dat hij op 6 oktober 2000 gevraagd heeft om gehoord te worden door het comité tot regeling van de gerechtelijke politie bij de parketten; Gelet op het advies van 24 oktober 2000 van de Nederlandstalige afdeling van het comité tot regeling van de gerechtelijke politie bij de parketten; Overwegende dat het comité tot regeling van de gerechtelijke politie bij de parketten, met 5 stemmen voor en 4 tegen, het ongunstig advies van de Procureur des Konings te Brussel heeft bekrachtigd; Overwegende dat aan de heer VAN DOORSLAER bij beslissing van de Procureur-generaal bij het hof van beroep te Antwerpen van 20 oktober 1999 de tuchtstraf van de berisping werd opgelegd voor de feiten van valsheid in handels-, bank of private geschriften als openbaar ambtenaar; dat het vertrouwen in zijn persoon dermate is geschaad; Overwegende dat de heer VAN DOORSLAER bijgevolg niet voldoet aan de vereisten inzake wijze van dienen, rendement, beroepsbekwaamheid en persoonlijkheid voor bevordering door verhoging in weddenschaal tot weddenschaal 1D en dat hem de bevordering moet worden geweigerd;”.
- Over de gegrondheid. 2.1.1.1 Overwegende dat verzoeker in een eerste en een derde middel de schending aanvoert van de artikelen 31, § 1, en 34 van het koninklijk besluit van 19 december 1997 houdende de administratieve rechtspositie en de bezoldigingsrege- ling van de personeelsleden van de gerechtelijke politie bij de parketten; dat verzoeker betoogt dat de procureur des Konings, alvorens advies te geven, geen evaluatie over verzoeker gevraagd heeft aan de gerechtelijk officier die het bevel voert over verzoekers brigade en aan de gerechtelijk officier die ten aanzien van verzoeker de hoedanigheid van onmiddellijke hiërarchische meerdere bezit en aangezien verzoeker van die evaluaties niet in kennis werd gesteld; 2.1.1.2 Overwegende dat de verwerende partij antwoordt dat krachtens artikel 117, tweede lid, van het voornoemd koninklijk besluit van 19 december 1997, zoals gewijzigd door het koninklijk besluit van 23 december 1998, de bevordering door verhoging tot weddeschaal 1D geschiedt overeenkomstig de artikelen 30 en 33 tot 35 van het koninklijk besluit van 19 december 1997 en artikel 31 van dit koninklijk besluit niet van toepassing is; dat dus te dezen geen evaluatie vereist is, noch van de gerechtelijk officier die het bevel voert over verzoekers brigade, noch van de gerechtelijk officier die ten aanzien van verzoeker de hoedanigheid van onmiddellijke hiërarchische meerdere bezit; dat bijgevolg verzoeker ook niet van die evaluaties in kennis moest worden gesteld; IX-2711-6/15 2.1.1.3 Overwegende dat verzoeker in zijn memorie van wederantwoord repliceert dat niettegenstaande voornoemd artikel 31 niet van toepassing is bij een bevordering door verhoging tot weddeschaal 1D, de evaluaties waarvan sprake in artikel 31 toch nog vereist zijn, aangezien de artikelen 33, tweede lid, en 34 van het koninklijk besluit van 19 december 1997, die wel van toepassing zijn bij een bevordering door verhoging tot weddeschaal 1D, bepalingen bevatten die het bestaan van een evaluatie veronderstellen; dat verzoeker voorts betoogt dat indien de Koning beslist voornoemde artikelen 33 en 34 te handhaven, met daarin vervat de termen “evaluaties”, de Koning de bedoeling heeft deze evaluaties als evidente grondslag van de beoordeling door de procureur des Konings te handhaven, zij het klaarblijkelijk op informele wijze; 2.1.2.1 Overwegende dat de artikelen 30 tot 35 van het koninklijk besluit van 19 december 1997 de te volgen bevorderingsprocedure voorschrijven; dat artikel 31, § 1, bepaalt dat “de procureur des Konings van het ambtsgebied waarin de administratieve standplaats van de gegadigde gelegen is, [...] de gerechtelijk officier die het bevel voert over de brigade of de dienst waaraan de gegadigde verbonden is, hem [verzoekt] een evaluatie te bezorgen over de wijze van dienen, het rendement, de beroepsbekwaamheid en de persoonlijkheid van de gegadigde”; dat artikel 32, § 1, onder meer bepaalt dat “de evaluaties worden afgesloten met de vermelding ‘uitstekend’, ‘zeer goed’, ‘goed’, ‘zwak’ of ‘onvoldoende’”; dat artikel 117, tweede lid, van het koninklijk besluit van 19 december 1997, zoals gewijzigd bij artikel 9 van het koninklijk besluit van 23 december 1998, betreffende de bevordering bedoeld in artikel 112 van het koninklijk besluit van 19 december 1997 - zijnde de bevordering tot weddeschaal 1D-, bepaalt dat voor deze bevorde- ring “[...] de evaluatie [geschiedt] overeenkomstig de artikelen 30 en 33 tot 35" en “in de andere gevallen [...] overeenkomstig de artikelen 30 tot 35"; dat voornoemd artikel 117, tweede lid, dus een uitzondering creeërt op de regel dat de procureur des Konings een verzoek om een evaluatie over de gegadigde richt tot de bevelvoerend gerechtelijk officier, met name indien het een bevordering tot weddeschaal 1D betreft; dat weliswaar ook de artikelen 33 en 34 van het koninklijk besluit van 19 december 1997 van toepassing zijn op de bevordering tot weddeschaal 1D, en deze luiden als volgt: “Art.
- Het advies dat met toepassing van artikel 30, eerste lid, moet worden uitgebracht wordt afgesloten met de vermelding ‘gunstig’ of ‘ongunstig’. Indien dat advies afwijkt van de conclusies van de onderscheiden evaluaties die voor het opstellen ervan hebben gediend, worden de redenen daarvan er uitdrukkelijk in vermeld. IX-2711-7/15 Art.
- Van elke evaluatie en elk advies wordt onverwijld kennis gegeven aan de gegadigde, die ze viseert. Iedere gegadigde kan, binnen tien dagen die volgen op de dag van de kennisgeving van een evaluatie of een advies, daarover alle opmerkingen maken die hij nuttig acht door middel van een nota met opmerkingen, die bij zijn dossier wordt gevoegd.”; dat voornoemde artikelen 33 en 34 echter samengelezen moeten worden met de uitdrukkelijke uitzonderingsbepaling van artikel 117, tweede lid; dat, bijgevolg, betreffende een bevordering tot weddeschaal 1D, enkel de bepalingen uit de artikelen 33 en 34 die louter betrekking hebben op het advies gelden, aangezien de bepalingen met betrekking tot de evaluaties niet van toepassing zijn; dat de combinatie van het niet van toepassing verklaren van de artikelen 31 en 32 met het integrale behoud van de artikelen 33 en 34 niet betekent dat de evaluaties op informele wijze de grondslag van het advies van de procureur des Konings blijven; dat indien dit de bedoeling geweest was zulks op duidelijke wijze bepaald zou zijn; dat in verzoekers visie iedere zin aan de uitdrukkelijke uitzondering uit voornoemd artikel 117, tweede lid, ontnomen zou worden; dat de procureur de Konings te dezen alvorens advies te geven geen evaluatie over verzoeker diende te vragen en verzoeker dus ook niet van die evaluatie in kennis gesteld diende te worden; dat het middel niet gegrond is; 2.2.1.1 Overwegende dat verzoeker in een tweede middel de schending aanvoert van artikel 33 van voornoemd koninklijk besluit van 19 december1997; dat verzoeker betoogt dat de adviezen van de procureurs des Konings te Antwerpen en te Brussel niet afdoende motiveren waarom zij afwijken van de evaluaties die voor het opstellen ervan hebben gediend; dat verzoeker hierbij uitgaat van het feit dat de bevoegde gerechtelijk officier een positieve evaluatie over hem zou uitbrengen; 2.2.1.2 Overwegende dat de verwerende partij antwoordt dat krachtens voornoemd artikel 33 de procureur des Konings uitdrukkelijk de redenen moet vermelden waarom hij desgevallend afwijkt van de belanghebbende evaluaties, doch, zoals uiteengezet bij het eerste middel, de procureurs des Konings geen rekening moeten houden met de evaluaties ex voornoemd artikel 31, § 1, zodat zij ook niet dienen te motiveren waarom zij er desgevallend van afwijken; 2.2.2.1 Overwegende dat, zoals vastgesteld is bij de bespreking van het eerste en derde middel, de procureurs des Konings geen evaluaties over verzoeker moeten vragen aan de bevoegde gerechtelijk officieren, zodat zij ook niet dienen te motiveren waarom zij desgevallend afwijken van de evaluaties die over verzoeker uitgebracht hadden kunnen worden; dat het middel niet gegrond is; IX-2711-8/15 2.3.1.1 Overwegende dat verzoeker in een vierde middel als eerste onderdeel de schending aanvoert van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur; dat verzoeker betoogt dat de ongunstige adviezen van de procureurs des Konings te Antwerpen en te Brussel te weinig concrete elementen bevatten die verduidelijken waarom zij afwijken van de onverdeeld gunstige evaluaties van de beroepsbekwaam- heid en de persoonlijkheid van verzoeker; dat verzoeker voorts betoogt dat de feiten, waarop de adviezen van de procureurs des Konings te Antwerpen en te Brussel steunen, onjuist of minstens niet bewezen zijn, zoals zijn zwak presteren na de beëindiging van zijn detachering op 1 december 1998, zoals het negatieve oordeel van het Regelingscomité betreffende het benutten van de hem tijdens zijn detachering geboden kansen en zoals het misbruik maken van zijn detachering om zich te bevoordelen ten overstaan van andere kandidaten door onder meer een opleiding te volgen; 2.3.1.2 Overwegende dat de verwerende partij antwoordt dat verzoeker nalaat aan te geven welk beginsel van behoorlijk bestuur geschonden is en zij aanneemt dat het de materiële motiveringsplicht is; dat de verwerende partij aanvoert dat bij de beoordeling van een kandidaat niet enkel rekening moet worden gehouden met evaluaties uit het verleden, maar ook en vooral met de beroepsbekwaamheid en de persoonlijkheid uit het meest recente verleden; dat, aldus de verwerende partij, de bestreden besluiten terecht rekening houden met de recente twijfels over de wijze van dienen, het rendement en de persoonlijkheid van verzoeker, ondanks zijn goede staat van dienst en dat de oorzaak van deze twijfels gelegen is in de recente strafrechtelijke uitspraak en tuchtstraf die verzoeker opliep; dat de verwerende partij voorts betoogt dat de bestreden besluiten hieraan toevoegen dat het vertrouwen in verzoeker ten zeerste geschaad is door zijn houding bij zijn terugkeer in de brigade Antwerpen, waar hij weigerde te functioneren en voortdurend conflict zocht met collega’s die verklaringen lastens hem hebben afgelegd in het kader van de strafprocedure; dat de verwerende partij besluit dat de bestreden beslissingen steunen op draagkrachtige, begrijpelijke en rechtens en feitelijk aanvaardbare motieven, waarvan verzoeker er niet in slaagt ze te ontkrachten; 2.3.1.3 Overwegende dat verzoeker repliceert dat de bestreden besluiten niet afdoende gemotiveerd zijn door enkel te verwijzen naar zijn strafrechtelijke veroordeling, aangezien deze opgeschort werd en dus geen enkel onmiddellijk en tastbaar gevolg heeft; dat verzoeker voorts betoogt dat ook de verwijzing naar de tuchtstraf geen afdoende motivering van de bestreden besluiten uitmaakt, aangezien IX-2711-9/15 het slechts om de lichtste tuchtstraf gaat en gezien de overwegingen die de procureur-generaal er toe brachten slechts de lichtste sanctie op te leggen; 2.3.2.1 Overwegende dat de verwerende partij terecht stelt dat bij de beoordeling van een kandidaat niet alleen met evaluaties uit het verleden rekening moet worden gehouden, maar ook en vooral met de beroepsbekwaamheid en de persoonlijkheid uit het meest recente verleden; dat de bestreden besluiten terecht rekening houden met de recente twijfels over de wijze van dienen, het rendement en de persoonlijkheid van verzoeker, ondanks zijn goede staat van dienst, en dat de oorzaak van deze twijfels gelegen is in de recente strafrechtelijke veroordeling en tuchtstraf die verzoeker opliep en in het feit dat hij bij zijn terugkeer in de brigade Antwerpen een tijd niet optimaal functioneerde; dat deze gegevens, voor zover ze correct zijn, volstaan als motivering van de bestreden besluiten; 2.3.2.2 Overwegende dat verzoeker weliswaar kan worden bijgevallen waar hij stelt dat zijn prestaties tijdens zijn detachering bij het Commissariaat- generaal wel degelijk bevredigend waren en dat hij tijdens zijn detachering geen misbruik heeft gemaakt om zijn bevorderingskansen ten overstaan van anderen te vergroten door het volgen van een opleiding; dat hij echter niet op afdoende wijze kan weerleggen dat hij bij zijn terugkeer bij de brigade Antwerpen gedemotiveerd was en slecht presteerde; dat hij desbetreffend geen gegevens ter weerlegging kan aanbrengen en het advies van de procureur des Konings te Antwerpen, waarvan niet blijkt dat er enige reden zou zijn waarom dit niet objectief is, een redelijk concreet beeld schept van het gedrag dat deze aan verzoeker verwijt; 2.3.2.3 Overwegende dat uit het eerste bestreden besluit blijkt dat het advies van de procureur des Konings te Antwerpen gevolgd wordt, hetwelk precies steunt op het door verzoeker niet weerlegde argument dat hij sinds zijn terugkeer in de brigade Antwerpen niet heeft gefunctioneerd en onmiddellijk conflicten zocht en hetwelk voorts verwijst naar de uitspraak van de strafrechter inzake valsheid in handels-, bank- of private geschriften als openbaar ambtenaar en naar de tuchtstraf die daarvoor volgde; dat het eerste bestreden besluit dus steunt op feitelijke elementen waarvan niet blijkt dat zij in feite niet aanvaardbaar zijn; 2.3.2.4 Overwegende dat uit het tweede bestreden besluit blijkt dat het advies van de procureur des Konings te Brussel gevolgd wordt; dat ook blijkt dat dit advies op zijn beurt het op aanvaardbare feiten gebaseerde ongunstige advies van de IX-2711-10/15 procureur des Konings te Antwerpen volgt, weliswaar enerzijds steunend op een door verzoeker met succes weerlegd en dus niet aanvaardbaar feitelijk element, met name dat van het gebrek aan motivatie, aan initiatief en aan interesse tijdens de detachering bij het Commissariaat-generaal, doch anderzijds steunend op de aanvaardbare feiten van de strafrechtelijke uitspraak voor valsheid in handels-, bank- of private geschriften als openbaar ambtenaar en van de tuchtstraf die daarvoor volgde; dat het tweede bestreden besluit dus op afdoende wijze steunt op feitelijke gegevens waarvan niet blijkt dat zij in feite niet aanvaardbaar zijn; dat het eerste onderdeel niet gegrond is; 2.4.1.1 Overwegende dat verzoeker als tweede onderdeel van zijn vierde middel de schending aanvoert van zijn rechten van verdediging; dat hij betoogt dat de motieven waarop het regelingscomité steunt om de ongunstige adviezen te bekrachtigen, andere feiten en overwegingen zijn dan die welke door de procureurs des Konings worden gehanteerd en dat hij zich daartegen dus niet heeft kunnen verweren; 2.4.1.2 Overwegende dat de verwerende partij antwoordt dat te dezen geen rechten van verdediging gelden doch enkel het recht van verzoeker om in het kader van de hoorplicht zijn standpunt naar voor te brengen; dat volgens haar de bestreden beslissingen voornamelijk steunen op de overwegingen dat verzoeker schuldig bevonden is aan valsheid in geschrifte en niet heeft gefunctioneerd bij zijn terugkeer in de brigade Antwerpen, overwegingen genomen uit de adviezen van de procureurs des Konings te Antwerpen en te Brussel en die het voorwerp hebben uitgemaakt van een levendig debat in het regelingscomité, waar verzoeker zijn standpunt erover naar voor heeft kunnen brengen; dat de verwerende partij tenslotte betoogt dat de bestreden beslissingen ook niet steunen op enig als nieuw te beschouwen argument waarover verzoeker zijn standpunt niet heeft kunnen uiteenzetten; 2.4.1.3 Overwegende dat verzoeker in zijn memorie van wederantwoord een opsomming geeft van de motieven waarop het regelingscomité steunt en waartegen hij zich meent niet te hebben kunnen verdedigen, met name het beweerdelijk zwak en gedemotiveerd presteren na de detachering, het geen gebruik maken van de kansen hem geboden tijdens zijn detachering, het misbruik maken van zijn detachering door het volgen van een managementopleiding en de actuele twijfels betreffende wijze van dienen, rendement en persoonlijkheid; IX-2711-11/15 2.4.1.4 Overwegende dat verzoeker in zijn laatste memorie nog stelt dat de door het regelingscomité aangevoerde twijfel over hem betreffende zijn wijze van dienen, rendement en persoonlijkheid één van de doorslaggevende argumenten is in de bestreden besluiten, zodat hij de mogelijkheid had moeten krijgen zich hiertegen te verdedigen; 2.4.2.1 Overwegende dat in een procedure zoals de onderhavige voor het regelingscomité geen eigenlijke rechten van verdediging gelden; dat verzoeker enkel zijn bezwaren kan laten gelden op de wijze door het reglement bepaald en hij niet kan reageren op het advies van het regelingscomité; dat drie van de vier door het regelingscomité gebruikte motieven geen nieuwe gegevens zijn: het motief van het zwak en gedemotiveerd presteren na detachering gaat terug op het advies van de procureur des Konings te Antwerpen hetwelk stelt dat verzoeker na zijn terugkeer bij de brigade Antwerpen gedesinteresseerd was en een tijd niet gefunctioneerd heeft, het motief van het geen gebruik maken van de kansen hem geboden tijdens zijn detachering gaat terug op het advies van de procureur des Konings te Brussel dat stelt dat het verzoeker tijdens zijn detachering op het Commissariaat ontbrak aan initiatief, motivatie en interesse en het motief van de actuele twijfels betreffende wijze van dienen, rendement en persoonlijkheid is veeleer een conclusie dan een afzonderlijk feitelijk gegeven; dat het overige motief van het misbruik maken door verzoeker van zijn detachering door het volgen van een managementsopleiding niet in aanmerking genomen wordt in de bestreden besluiten; dat bijgevolg de bestreden besluiten geen door het regelingscomité gebruikte nieuwe feitelijke elementen hernemen waartegen verzoeker zich niet heeft kunnen verdedigen; dat het tweede onderdeel niet gegrond is; 2.5.1.1 Overwegende dat verzoeker in een derde onderdeel van zijn vierde middel aanvoert dat er sprake is van machtsoverschrijding, minstens schending van het algemeen beginsel van behoorlijk bestuur; dat hij betoogt dat het regelingscomité zijn bevoegdheid overschreden heeft aangezien het krachtens artikel 35, § 2, van voornoemd koninklijk besluit van 19 december 1997 geen andere bevoegdheid heeft dan het bekrachtigen en ongedaan maken van ongunstige adviezen van de procureurs des Konings, terwijl het te dezen de adviezen heeft hervormd na evocatie ten gronde omdat het steunt op andere feitelijke en juridische gronden dan die waarop de adviezen van de procureurs steunden; IX-2711-12/15 2.5.1.2 Overwegende dat de verwerende partij antwoordt dat het regelingscomité in zijn advies dezelfde motieven gebruikt als de procureurs des Konings in hun advies, met name enerzijds, dat verzoeker bij zijn terugkeer bij de brigade Antwerpen een periode heeft doorgemaakt waarin hij zwak presteerde en gedemotiveerd was en anderzijds, dat verzoeker schuldig werd bevonden aan valsheid in geschrifte en er zo twijfels ontstonden over zijn wijze van dienen, zijn rendement en zijn persoonlijkheid; dat, aldus de verwerende partij, het advies van het regelingscomité min of meer op dezelfde feitelijke en juridische gronden steunt als de adviezen van de procureurs des Konings en dus deze louter bekrachtigt; 2.5.1.3 Overwegende dat verzoeker in zijn memorie van wederantwoord aanvoert dat de verwerende partij toegeeft dat er een verschil is tussen de feitelijke en juridische gronden in het advies van het regelingscomité en deze in het advies van de procureurs des Konings, aangezien de verwerende partij in haar memorie van antwoord de woorden “min of meer” hanteert; dat hij voorts betoogt dat de motieven uit het advies van het regelingscomité zelfs strijdig zijn met die uit het advies van de procureur des Konings te Antwerpen, aangezien de procureur het volgen van een opleiding door verzoeker beschouwt als een positief element van permanente bijscholing terwijl het regelingscomité dit beschouwt als een misbruik teneinde zich te bevoordelen ten aanzien van andere kandidaten; dat, aldus verzoeker, het bijgevolg wel degelijk gaat om een hervorming na evocatie; 2.5.1.4 Overwegende dat verzoeker in zijn laatste memorie aanvoert dat het feit dat het advies van het regelingscomité gericht is tot de minister en niet tot de procureurs des Konings, geen afbreuk doet aan de overschrijding van bevoegdheid door het regelingscomité, gezien de duidelijke bewoordingen van artikel 35, § 2, van het koninklijk besluit van 19 december 1997; 2.5.2.1 Overwegende dat artikel 35, § 2, van het koninklijk besluit van 19 december 1997 luidt als volgt : “Het comité handelt overeenkomstig de artikelen 59 tot
- De afdeling van het comité waarbij het beroep aanhangig is gemaakt, brengt bij geheime stemming een gemotiveerd advies uit, waarin het ongunstige advies dat met toepassing van artikel 30, eerste lid, is uitgebracht wordt bekrachtigd of ongedaan gemaakt. Dat advies vermeldt inzonderheid de uitslag van de stemming. De voorzitter van de afdeling van het comité waarbij het beroep aanhangig is gemaakt, zendt de minister van Justitie het volledige dossier van de gegadigde toe en voegt daarbij het advies van het comité.”; IX-2711-13/15 dat in de visie van verzoeker daaruit volgt dat het regelingscomité enkel een gemotiveerd advies kan uitbrengen gebruik makend van de motieven uit de adviezen van de procureurs des Konings, zonder eigen motieven in de plaats te mogen stellen; dat dit zinvol zou zijn, indien het advies van het regelingscomité gericht is tot de procureurs des Konings zelf, aangezien voor hen de beoordeling van hun advies en de motivering ervan waardevol en richtinggevend zou zijn om de procedure te kunnen hernemen op een regelmatige wijze; dat uit de laatste zin van voornoemd artikel 35, § 2, echter blijkt dat het advies van het regelingscomité niet gericht is tot de procureurs des Konings, doch tot de minister en tot doel heeft deze voor te lichten teneinde met kennis van zaken een beslissing te kunnen nemen; dat gelet op de plicht tot zorgvuldige besluitvorming van de overheid, voornoemd artikel 35, § 2, niet zo mag worden gelezen dat het regelingscomité enkel de motieven uit de adviezen van de procureurs des Konings kan beoordelen, doch wel zo dat het regelingscomité aan de minister zijn eigen mening over de te nemen beslissing kan meedelen, een mening al dan niet gelijk aan de motieven van de adviezen van de procureurs des Konings en al dan niet gelijk aan de conclusies ervan; dat het derde onderdeel niet gegrond is; 2.6.1.1 Overwegende dat verzoeker in zijn memorie van wederantwoord in een vijfde middel de schending aanvoert van de rechten van verdediging en van de beginselen van behoorlijk bestuur; dat verzoeker betoogt dat hij van het bestreden besluit pas kennis kreeg via de publicatie in het Belgisch Staatsblad en hij alzo niet op de hoogte was van de motivering, zodat hij zich niet kon verdedigen voor de Raad van State; 2.6.2.1 Overwegende dat het niet meedelen van het bestreden besluit aan verzoeker een onregelmatigheid betreft bij de betekening van het bestreden besluit en niet bij de totstandkoming ervan; dat een fout in de betekening geen invloed heeft op de wettigheid van de akte zelf; dat verzoeker niet verduidelijkt welke andere beginselen van behoorlijk bestuur -naast het recht op verdediging- geschonden zijn; dat het middel niet gegrond is, IX-2711-14/15 BESLUIT: Artikel
- Het beroep wordt verworpen. Artikel
- De kosten van de vordering tot schorsing en van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 347,06 euro, komen ten laste van verzoeker. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op acht mei 2000 en zes, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. J. DE BRABANDERE, voorzitter van de Raad van State, L. HELLIN, staatsraad, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, Mevr. V. WAUTERS, griffier. De griffier, De voorzitter, V. WAUTERS. J. DE BRABANDERE. IX-2711-15/15 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.158.432 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2001:ARR.95.348 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.