id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 08 mei 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.158.477 Rolnummer: A. 163763/XIV-22912 Zaak: Arrest 158477 - - 08/05/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-05-24 Raadplegingen: 56 - laatst gezien 2026-06-30 18:48 Fiche Arrest nr 158.477 van 8 mei 2006 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 158.477 van 8 mei 2006 in de zaak A. 163.763/XIV-22.
- In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat I. FLACHET, kantoor houdende te 1210 SINT-JOOST-TEN-NODE, Haachtsesteenweg 55 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Binnenlandse Zaken. ------------------------------------------------------------------------------------------------------------- DE VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Pakistaanse nationaliteit, op 29 juni 2005 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van 26 mei 2005 van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen, Tweede Nederlandse Kamer, waarbij wordt geweigerd hem als vluchteling te erkennen; Gelet op de beschikking van 5 juli 2005 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het verslag opgemaakt door Adjunct-auditeur R. VERCRUYSSEN, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dat verslag aan de partijen; Gelet op de beschikking van 23 januari 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 29 maart 2006; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter A. BEIRLAEN; Gehoord de opmerkingen van Advocaat I. FLACHET, die verschijnt voor de verzoekende partij en van Advocaat E. MATTERNE, die verschijnt voor de verwerende partij; XIV-22.912-1/5 Gehoord het eensluidend advies van Adjunct-auditeur R. VERCRUYSSEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Over de gegrondheid van het beroep. 1.
- Overwegende dat verzoeker als enig middel aanvoert: “Enig middel: Schending van artikel 149 van de Gecoördineerde Grondwet en van artikel 57/22 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen. De motiveringsvereiste geformuleerd in artikel 149 van de Gecoördineerde Grondwet en in artikel 57/22 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen is een substantiële vorm. Deze artikelen vereisen dat de bestreden beslissing in concreto aangeeft waarom de asielaanvraag van verzoeker niet voldoet aan de algemeen aanvaarde normen waar een asielaanvraag dient aan te voldoen. Verzoeker heeft uitgebreid verteld welke problemen hij heeft ondervonden in zijn land van herkomst. De bestreden beslissing van de Vaste Beroepscommissie citeert weliswaar uitgebreid uit zowel de beslissing ten gronde van de Commissaris Generaal als uit het verzoek- schrift van verzoeker bij de Vaste Beroepscommissie, doch gaat niet in op de motivatie. Hierdoor is de motivatie niet conform het grondwettelijk motiveringsbeginsel. Dat verzoeker in zijn hoger beroep als volgt uitlegt waarom hij bij het eerste verhoor voor de DVZ niet sprak over de Pakistaanse veiligheidsdienst ISI: “De bestreden beslissing verwijt aan verzoeker een onvolledig verhaal te hebben gedaan bij de Dienst Vreemdelingenzaken. Verzoeker heeft reeds bij het verhoor voor het Commissariaat Generaal gemeld dat hij inderdaad schrik had om zijn activiteiten voor de ISI en de problemen die verzoeker met deze dienst kende kenbaar te maken. Verzoeker werd door het snelle vluchtige verhoor door de Dienst niet op zijn gemak gesteld. Het is maar na het dringend beroep en voor de verantwoordelijke persoon van het Commissariaat voor de Vluchtelingen dat verzoeker zich voldoende op zijn gemak voelde om over de problemen met de ISI te praten. Het verhaal voor de Dienst Vreemdelingenzaken is niet geheel anders, het is enkel volstrekt onvolledig omwille van het feit dat verzoeker de problemen met de ISI niet durfde te vertellen”. Dat de bestreden beslissing hierover stelt "dat de Vaste Beroepscommissie voor Vluchtelingen deze stelling niet nader kan onderzoeken; dat het echter niet uitgesloten is; dat het een mogelijke verklaring kan zijn voor het verzwijgen van een medewerking met een geheime dienst bij de Dienst Vreemdelingenzaken". Dat de bestreden beslissing dus stelt dat de verklaring van verzoeker over de zogezegde tegenstrijdigheden plausibel is maar daar toch niet aan koppelt dat het beroep gegrond is, minstens dient behandeld te worden door een kamer met 3 rechters. Dat deze motivatie naar recht faalt. Een tweede reden waarom het Commissariaat Generaal de asielaanvraag van verzoeker afwees, was omdat het relaas van verzoeker “bijzonder ongeloofwaardig” zou zijn. Dat verzoeker in zijn hoger beroep voor de Vaste Beroepscommissie als volgt uitlegt waarom deze bewering niet kan aanvaard worden: "De bestreden beslissing gaat uit van een simplistische veronderstelling. Verzoeker was 19 jaar oud toen hij gecontacteerd werd door de ISI. Hij was toen een beginnend militant. De bestreden beslissing doet alsof elke jonge activist van in het begin het hele moeilijke kluwen van partijen, organisaties en geheime diensten kent. Het is algemeen geweten dat de geheime diensten, en meer in het bijzonder de ISI, meer dan gewiekste tactieken gebruiken om militanten van de organisaties die zij controleren en bevechten in te lijven en voor hen te laten werken. In dergelijk ingewikkelde conflicten als het conflict rond Kashmir is het simplistisch er van uit te gaan dat elke jonge militant van 19 jaar oud een volledige XIV-22.912-2/5 en correcte analyse maakt van de politieke situatie. Dat strookt niet met de werkelijk- heid. Het was voor verzoeker aanvankelijk niet duidelijk wat de intenties waren van de flSI toen hij er voor begon te werken. Dat is hem maar naderhand duidelijk geworden. Het relaas van verzoeker is dan ook niet bijzonder ongeloofwaardig. Het is de waarheid en strookt met de vele details en documenten die verzoeker kon voorleggen”. Dat de bestreden beslissing wel verwijst naar deze argumentatie maar er zich verder slechts toe beperkt enkele gekende feiten over de methodes van de veiligheidsdienst in Pakistan (ISI) in herinnering te brengen. Dat dit hoegenaamd geen antwoord is op het argument van verzoeker. Dat het namelijk zo is, zoals reeds aangegeven door verzoeker in zijn verzoekschrift hoger beroep, dat de ISI zelden onder haar eigen naam opereert. Dat zij, zoals elke geheime dienst, slinkse en ondoorgrondelijke methodes gebruikt, om haar doel te bereiken. Dat deze diensten niet voor niets geheime diensten zijn. Dat de bestreden beslissing dit essentiële feit volledig miskent. Dat de bestreden beslissing, net zoals de beslissing van de Commissaris Generaal, onmogelijke verwachtingen stelt in de kennis die verzoeker zou moeten hebben gehad over de politieke situatie in Pakistan. Hij had deze niet. Verzoeker heeft nooit met de ISI op zich samen gewerkt doch met mensen waarvan hij achteraf hoorde dat het mensen waren van de ISI. Dit is een normale gang van zaken die de Vaste Beroepscom- missie volledig over het hoofd ziet. Dat verzoeker zich hierover op geen enkel moment heef tegengesproken. Dat daarentegen de informatie die blijkt uit de bestreden beslissing en het dossier de feiten die verzoeker naar voor heeft gebracht enkel maar bevestigen. Dat verzoeker nooit heeft verklaard aan zijn superieuren voorgelegd te hebben dat hij met de ISI samenwerkte. Hij besefte pas later dat het om mensen van de ISI ging. Dat verzoeker wel degelijk gevaar loopt bij een eventuele terugkeer naar zijn land. Verzoeker wordt gezocht. Hij kan onmogelijk terug omwille van zijn politieke activiteiten. Men kan verzoeker enige onwetendheid verwijten doch men kan zich niet louter op een onwetendheid van verzoeker baseren om te besluiten dat zijn relaas onwaar zou zijn. De bestreden beslissing houdt echter geen rekening met al de andere elementen van het dossier, aangegeven door verzoeker tijdens zijn verhoren. De bestreden beslissing weigert in te gaan op al de elementen van het asielrelaas van verzoeker en is bijgevolg niet genoegzaam met redenen omkleed. Hierdoor wordt artikel 149 van de gecoördineerde Grondwet, luidens hetwelk “elk vonnis met redenen omkleed is" en artikel 57/22 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen geschonden.”; 1.
- Overwegende dat krachtens artikel 57/12, vierde lid, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet) de gemachtigde bijzitter van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen een beroep, dat onontvankelijk of kennelijk ongegrond is, zelf als alleenrechtsprekend lid kan behandelen; dat blijkens de bestreden beslissing het beroep van verzoeker kennelijk ongegrond wordt verklaard: het gebrek aan bewijs van zijn reisweg en identiteit; het onderdeel van zijn relaas met betrekking tot de medewerking met de I.S.I. is een essentieel onderdeel en de afwezigheid van de jurist bij het verhoor bij de dienst vreemdelingenzaken kan een mogelijke verklaring zijn voor de verzwijging ervan tijdens dit verhoor; de gegeven verklaringen gaan in tegen de informatie in het administratief dossier en het gebrek aan verklaring voor deze tegenstrijdigheden, het gebrek aan verklaring waarom de oudere leden van JKLF niet op de hoogte zouden zijn van de strijd tussen de I.S.I. en JKLF; de verklaringen van verzoeker zijn wat de situering in de tijd betreft niet altijd duidelijk en eensluidend, doch dit wordt niet als een doorslaggevend XIV-22.912-3/5 motief beschouwd; de neergelegde fotokopieën bieden geen waarborg qua authenticiteit en bij gebrek aan bewijs van zijn identiteit wordt ook niet bewezen dat deze documenten betrekking hebben op hem; als zodanig wordt besloten dat verzoeker niet-eensluidende verklaringen heeft afgelegd; verzoeker maakt het niet aannemelijk dat hij lid is van JKLF en bewijst de aangehaalde feiten niet; dat deze redengeving nergens doet blijken dat omtrent het lot van verzoekers beroep enige twijfel of betwisting mogelijk was; dat de gemachtigde bijzitter zijn appreciatiebevoegdheid dan ook niet te buiten is gegaan toen hij oordeelde dat de door verzoeker ontwikkelde grieven duidelijk niet tot een hervorming van de beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen konden leiden en derhalve dit beroep als kennelijk ongegrond afwees; dat wanneer een beroep door een alleenrechtsprekend lid wordt behandeld, niet vereist is dat deze zich bij de weigeringsmotie- ven van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen aansluit; dat de gemachtigde bijzitter derhalve een weigeringsmotief van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen kon relativeren of in twijfel trekken zonder dat hij verplicht is het beroep naar een kamer met drie rechters te verwijzen; dat hij een beroep enkel dient te verwijzen naar een kamer die is samengesteld uit drie leden indien uit de door hem gemaakte vaststellingen zou blijken dat het kennelijk ongegronde karakter van het beroep ernstig in twijfel kan worden getrokken, wat in casu niet het geval was; dat de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen in de bestreden beslissing duidelijk aangeeft waarom in hoofde van verzoeker geen vervolgingsvrees in de zin van de Vluchtelingenconventie kan worden vastgesteld; dat verzoeker nog stelt dat de bestreden beslissing weigert in te gaan op al de elementen van het asielrelaas, aangegeven tijdens zijn verhoren; dat hij niet in concreto aangeeft op welke andere elementen van het relaas nog diende te worden ingegaan door de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen; dat het enig middel, in de mate dat het ontvankelijk is, niet gegrond is;
- Overwegende dat er grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, XIV-22.912-4/5 BESLUIT: Artikel
- Het beroep wordt verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op acht mei tweeduizend en zes, door : de HH. A. BEIRLAEN, kamervoorzitter, C. VERHAERT, griffier. De griffier, De voorzitter, C. VERHAERT. A. BEIRLAEN. XIV-22.912-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.158.477 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.